De emigratie naar Ethiopië (vertaalde teksten)

Toen de profeet zag wat zijn gezellen te verduren hadden en dat hij hen daartegen niet kon beschermen, ofschoon hij er zelf, door zijn positie bij God en bij zijn oom Abū Tālib, niet onder te lijden had, zei hij tegen hen: ‘In Ethiopië regeert een koning bij wie niemand onrecht wordt aangedaan; het is een voortreffelijk land; als jullie daar eens naar toe gingen en daar bleven, totdat God jullie uit de nood helpt.’ Zo gingen zijn gezellen naar Ethiopië, uit vrees van hun geloof te zullen afvallen; zij vluchtten met hun godsdienst tot God. Dit was de eerste hidjra in de islam.

Het totaal van de moslims die naar Ethiopië trokken, afgezien van de kleine kinderen die ze meenamen of die daar geboren werden, was drieëntachtig man, als ‘Ammār ibn Yāsir erbij was, maar dat is niet zeker.

Muhammad ibn Muslim al-Zuhrī heeft vernomen van Abū Bakr ibn ‘Abd al-Rahmān ibn Hārith, dat Umm Salama, de vrouw van de profeet, daarover als volgt heeft verteld: Toen wij in Ethiopië aankwamen werden wij door de negus gastvrij ontvangen. Wij konden veilig onze godsdienst belijden en God dienen zonder dat iemand ons kwaad deed of er iets van zei. Toen de Qurayshieten in Mekka dat te weten kwamen beraamden ze, twee standvastige mannen naar de negus te sturen en hem als geschenk de allerbeste Mekkaanse waar aan te bieden. Wat daar het meest gewaardeerd werd was lederwerk; ze verzamelden dus een groot aantal huiden voor de negus en maakten ook voor alle generaals een geschenk gereed. Daarmee stuurden ze ‘Abdallāh ibn abī Rabīʿa en ‘Amr ibn al-‘Ās op weg, en gaven hun de opdracht eerst alle generaals het geschenk aan te bieden, en daarna pas de negus, en dán moesten ze hem vragen hun de moslims uit te leveren, dus voordat hij met hen zou hebben gesproken.
Dat deden ze, en ze vertelden aan iedere generaal: ‘Een paar jonge heethoofden uit ons land hebben toevlucht gezocht in het land van uw koning. Zij hebben met de godsdienst van ons volk gebroken, maar tot uw godsdienst zijn zij ook niet toegetreden; zij brengen een nieuwe godsdienst, die wij niet kennen en u evenmin. Onze edelen hebben ons gezonden om uw koning te bewegen hen terug te sturen. Als wij daarover spreken met de koning, geef hem dan de raad, die lui aan ons uit te leveren en niet met hen te praten, want hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen.’ Dat beloofden de generaals.
Daarop boden de beide mannen de negus hun geschenken aan. Nadat hij die in ontvangst had genomen vertelden zij hem hetzelfde wat ze tegen de generaals hadden gezegd. ‘Abdallāh en ‘Amr wilden tot iedere prijs voorkomen dat de negus zou horen wat de moslims te zeggen hadden. De generaals om hem heen zeiden: ‘Zo is het, majesteit, hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen. Lever hen dus uit aan deze twee mannen, en laat die hen mee terug nemen naar hun eigen land.’
Maar de negus werd boos en zei: ‘Nee, ik lever ze niet uit! Mensen die bescherming hebben gezocht in mijn land en mij hebben verkozen boven iemand anders worden niet verraden; eerst wil ik hen hier laten komen om navraag te doen naar wat deze twee te vertellen hebben. Als het is zoals zij zeggen, dan stuur ik hen terug naar hun volk, maar als het niet zo is bescherm ik hen en krijgen ze een behoorlijke behandeling zolang ze dat willen.’
Vervolgens stuurde hij iemand om de gezellen van de profeet te ontbieden. Toen de bode bij hen kwam, beraadslaagden ze wat ze tegen de negus zouden zeggen. Ten slotte zeiden ze: ‘Wat er ook van komt, we zeggen wat we weten en wat onze profeet ons opgedragen heeft.’ Toen ze voor de negus verschenen zagen ze dat hij ook zijn bisschoppen had laten komen, die hun schrifturen rondom hem hadden uitgespreid. Hij vroeg: ‘Wat is dat voor een godsdienst waarom u met uw stam hebt gebroken zonder evenwel toe te treden tot mijn godsdienst of tot enig ander geloof?’
Dja‘far ibn abī Tālib deed het woord en zei: ‘Majesteit, wij waren een barbaars volk, wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit. Zo was het met ons gesteld, tot God een gezant zond uit ons midden, wiens afkomst, eerlijkheid, betrouwbaarheid en fatsoen wij kenden. Hij riep ons op, de ene God te dienen en de stenen en beelden die onze voorouders hadden aanbeden af te zweren. Hij droeg ons op de waarheid te spreken, onze verplichtingen na te komen, de familiebanden te eerbiedigen, vreemdelingen te beschermen en verre te blijven van misdaden en bloedvergieten. Hij verbood ons ontucht te bedrijven en te liegen, het bezit van de wezen te verteren en deugdzame vrouwen vals te beschuldigen. God alleen moesten wij dienen en anders niets; hij stelde het gebed, de zakāt en de vasten in, en wij beleden dat hij de waarheid sprak, wij geloofden in hem en wij volgden de boodschap van God die hij bracht. Voortaan dienden wij dus God alleen en niets anders; wij hielden voor verboden wat hij verboden noemde en beschouwden als geoorloofd wat hij geoorloofd verklaarde. Onze stamgenoten begonnen ons echter vijandig te bejegenen en ons onder druk te zetten: zij probeerden ons van onze godsdienst af te brengen en ons ertoe over te halen dat wij weer beelden zouden gaan dienen in plaats van God, en onze wandaden van vroeger weer als geoorloofd zouden beschouwen. Toen zij tot geweld overgingen en het ons onmogelijk maakten onze godsdienst uit te oefenen zijn wij in onze nood uitgeweken naar uw land; wij zijn liever bij u dan ergens anders, wij genieten hier uw bescherming en wij hopen, majesteit, dat ons bij u geen onrecht zal overkomen.’
De negus vroeg hem of hij iets bij zich had van die boodschap van God, en toen dat het geval bleek, droeg de negus hem op dat te reciteren. Dja‘far reciteerde een stuk uit soera ‘Maria’ en de negus brak in tranen uit, zodat zijn baard nat werd, en ook zijn bisschoppen huilden ervan, tot hun schrifturen doorweekt waren. Toen zei de negus tegen de twee mannen uit Mekka: ‘Dit komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Jezus. Ga weg jullie! Ik lever hen niet uit en zij worden niet verraden.’
De beide mannen trokken zich terug, en ‘Amr zei tegen ‘Abdallāh: ‘Morgen zal ik hem eens iets vertellen dat ze allemaal van hun stuk brengt!’ Abdallāh, die meer geneigd was ons te ontzien, zei: ‘Doe dat niet, want al hebben ze zich tegen ons gekeerd, het zijn toch onze stamgenoten.’ Maar ‘Amr hield vol: ‘Ik zal hem eens vertellen dat zij beweren dat Jezus de zoon van Maria een mens is.’
De volgende ochtend ging hij naar de negus en vertelde hem dat wij iets vreselijks beweerden over Jezus, en dat hij ons maar moest laten komen om er zelf naar te vragen.
En zo gebeurde het. Nog nooit was ons zoiets overkomen; onze mensen kwamen weer bij elkaar en overlegden wat ze over Iesa zouden zeggen als hun daarnaar werd gevraagd. Ten slotte besloten ze: ‘Wij zeggen wat God zelf heeft gezegd en wat de profeet ons heeft overgebracht, wat er ook van komt.’ Toen zij voor de negus verschenen en hun de vraag was gesteld, antwoordde Dja‘far: ‘Over Iesa zeggen wij wat onze profeet ons heeft overgebracht, namelijk dat hij de knecht van God is, en Zijn gezant en Zijn Geest en Zijn woord, dat Hij in de maagd Maria heeft gebracht.’ De negus bukte zich voorover, pakte een stukje hout van de grond en zei: ‘Jezus de zoon van Maria is nog niet zoveel als dit houtje meer!’ Terwijl hij dat zei begonnen de generaals om hem heen onrustig tegen elkaar te snuiven, en hij voegde eraan toe: ‘Ook al staan jullie te snuiven.’ En tegen ons zei hij: ‘U kunt gaan; u bent shuyūm in mijn land (shuyūm is Ethiopisch voor ‘veilig’). Wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete. Nog niet voor een dabr (d.i. berg) goud zou ik willen dat een van u iets overkwam. Geef die twee mannen hun geschenken terug; ik heb ze niet nodig. God heeft van mij ook geen omkoopsom aangenomen toen Hij mij mijn koninkrijk teruggaf; God heeft mij niet aangedaan wat de mensen wilden, dus waarom zou ik Hem aandoen wat zij willen?’
De beide mannen dropen beschaamd af, met alle geschenken die zij hadden meegebracht, en wij bleven daar wonen, veilig en goed beschermd.
Terwijl wij daar zo leefden kwam er een Ethiopiër tegen de negus in opstand die hem zijn heerschappij betwistte. Ik geloof niet dat wij ooit zo treurig zijn geweest als toen, want wij waren bang dat die man het zou winnen van de negus en dat er dan iemand zou komen die ons recht niet erkende. De negus trok tegen hem op; de Nijl lag tussen de beide partijen. De gezellen van de profeet zeiden: ‘Wie gaat er kijken bij de slag en komt ons dan het nieuws brengen?’ Zubayr ibn ‘Awwām bood zich aan, de jongste man die wij hadden. Er werd een waterzak opgeblazen, die hij onderbond, en daarop zwom hij naar het punt waar de legers tegenover elkaar stonden. Toen ging hij verder tot hij bij hen was. Intussen baden wij tot God dat Hij de negus zou laten winnen en hem de macht in zijn land zou teruggeven, en terwijl wij zaten af te wachten wat er zou gebeuren, kwam Zubayr aangehold, zwaaiend met zijn kleren, en riep: ‘Hoera, de negus heeft gewonnen en God heeft zijn vijand verpletterd.’ En werkelijk, ik geloof niet dat wij ooit zo blij zijn geweest als toen. De negus keerde terug, nu God zijn vijand had vernietigd en hem in zijn macht had hersteld, en Ethiopië bleef in zijn hand verenigd. Wij leefden veilig en wel onder zijn bescherming, tot wij ons weer bij de profeet voegden, in Mekka.

Dja‘far ibn Muhammad heeft gehoord van zijn vader: Op een keer beraamden de Ethiopiërs een opstand tegen de negus, omdat hij van het geloof zou zijn afgevallen, en zij brachten een leger op de been. De negus bracht Dja‘far ibn abī Tālib en de zijnen op de hoogte en liet schepen voor hen in gereedheid brengen, met de woorden: ‘Ga aan boord, maar vertrek nog niet. Als ik word verslagen, ga dan ergens anders heen, en als ik win kunnen jullie hier blijven.’ Toen nam hij een stuk papier en schreef: ‘Hij belijdt dat er geen god is dan God, dat Mohammed Zijn knecht en Zijn gezant is, en hij belijdt dat Jezus Zijn knecht is en Zijn gezant en Zijn geest en Zijn woord, dat hij in Maria heeft gebracht.’ Dat deed hij in zijn mantel, ter hoogte van zijn rechterschouder, en zo ging hij op de Ethiopiërs af, die in slagorde stonden opgesteld.
‘Ethiopiërs,’ zei hij, ‘heb ik niet het meeste recht jullie heerser te zijn?’
‘Ja,’ riepen zij.
‘En hoe denken jullie over mijn levenswandel?’
‘Die is voortreffelijk.’
‘Wat is dan het probleem?’
‘U bent van het geloof afgevallen, want u beweert dat Iesa een mens is.
‘Wat zeggen jullie dan over Jezus?’
‘Dat hij de zoon van God is.’
Toen zei de negus, met zijn hand op zijn mantel, op de plaats van dat papier: ‘Ik belijd, dat Jezus de zoon van Maria niets meer is dan dit,’—en hij bedoelde dus wat hij had opgeschreven. Daarmee waren zij tevreden en ze vertrokken. Dit kwam de profeet ter ore, en toen de negus stierf verrichtte hij gebeden en bad hij om vergeving voor hem.

Bron: Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 217–223; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 60–67.

Diakritische tekens: Abū Ṭālib, Muḥammad, ʿAbd al-Raḥmān ibn Ḥārith, al-ʿĀṣ, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud