Moestagaab, Geheime geschiedenis (bespreking)

Mohammed Moestagaab (Arabisch: Muḥammad Mustadjāb/Mustagāb), Uit de geheime geschiedenis van Noe’maan Abd al-Hafiz. Verhalen uit Egypte. Vertaald door Djûke Poppinga, Heleen Koesen en Richard van Leeuwen. Derde Spreker Serie. AMBO/NOVIB/NCOS, 1989.

Egypte heeft na Mahfoez enige schrijvers voortgebracht die er wezen mogen, zoals Ghitani, al-Qa’ied en ook Moestagaab. Nederland reageert alert met het uitbrengen van vertalingen, maar met het nu verschenen boekje ben ik niet helemaal gelukkig.
De meeste verhalen en schetsen uit de originele bundel zijn onvertaald gebleven; waarom zo zuinig? Het gevolg is dat de lezer er nu slechts twee aangeboden krijgt, die goed en toegankelijk zijn.
Het titelverhaal echter, dat nu de hoofdschotel vormt, is in Egypte bekroond, maar zal de Nederlandse lezer minder aanspreken. Deze kolderieke novelle is zeker niet slecht, maar net als bepaalde wijnen komt hij vooral in zijn eigen streek tot zijn recht. Je moet wel Egyptofiel zijn om hem in ons land te kunnen savoureren.
Het verhaal speelt in het holst van Egypte, in een half islamitisch, half christelijk dorspmilieu. De held, die in het middelpunt van de wereldgeschiedenis wordt geplaatst, is het schoffie Noe’maan: zoon van een diefachtige en ongenietbare vader, die na langdurig blaffen aan hondsdolheid was overleden en posthuum per ongeluk nog bijna heilig verklaard was. Noe’maan is vrijwel letterlijk een hondenzoon, wil niet deugen, is dus van een duivel bezeten die moet worden uitgedreven; zijn arme moeder probeert hem vervolgens te slijten aan een voorname dame, aan wier belangstelling voor jongenslijfjes geen twijfel wordt gelaten. Noe’maan vlucht echter in paniek na de eerste nacht. Hij treedt bij een grafdelver in dienst en woont in een graf. De magische genezing van een vrouw met een ontstoken onderlijf, die zich daar naakt laat ingraven in het zand, loopt op een catastrofe uit wanneer blijkt dat de jongen niet besneden is. Dat was hij niet omdat zijn moeder ooit de gelofte had gedaan dat te laten doen bij een heiligengraf, maar dat was nooit gebeurd. Er volgt alsnog een besnijdenis, maar die wordt onderbroken door ruzie van de barbiers; er wordt per ezel heen en weer gezeuld met de kreunende, half “geholpen” jongen. Ontsteking aan het geslachtsdeel is het gevolg – daarin lijkt de auteur te grossieren. De voorname dame wil wel een medische behandeling van de wond bekostigen. Definitieve genezing wordt verwacht van een huwelijk met een maagd. Er wordt een bruid gevonden, en het verhaal eindigt met de voorgeschreven feestelijke ontmaagding door de vinger van Noe’maan.
In het oog loopt vooral de luidruchtige humor, die doet denken aan een Egyptische komedie of soap opera. De sexuele grappen zijn grover dan onderbroekenlol, alleen al door die pijnlijke ontstekingen. De grollen zijn soms aan de zieke kant. Van de voorname dame wordt bij voorbeeld een hele lijst lichaamsdelen opgesomd. Net als de lezer flink geïrriteerd raakt komt de clou: andere, armere vrouwen hebben vaak niet alles volledig; bij hen hangen de onderdelen er zomaar een beetje bij. Goed gebracht, die grap; toch kan ik er niet echt om schateren.
Er is ook subtielere humor. Maar welke Nederlander kan de aardigheid inzien van een persiflage op de middeleeuwse Arabische gewijde biografieën en geschiedwerken? Daarin was uitvoerige vermelding van bronnen en textvarianten gebruikelijk, die hier echter geïroniseerd wordt en de geloofwaardigheid ondermijnt. Dezelfde pesterige functie hebben de voetnoten en uitweidingen. Wie ziet waar de spot gedreven wordt met de godsdienst, en zelfs met Mohammed en Jezus? Die spot kan de Egyptenaren niet zijn ontgaan, en het is curieus dat de auteur daar in een islamitisch land een staatsprijs mee in de wacht kon slepen.
Het vreemde is dat Moestagaab in zijn andere werk helemaal niet zo grofbesnaard blijkt te zijn. Hij overschreeuwt zich, misschien wel uit wanhoop over zijn streekgenoten, wier aandacht hij met grove middelen wil trekken om hun een spiegel voor te houden. Voor ons werkt dat in het beste geval als kijkglas.
De vertaling bevat wat knulligheden. Het vaak vermelde Joesoefmeer bestaat niet. Bedoeld is het Joesoefkanaal; dat heeft dan ook geen stranden, maar oevers. De voorname dame woont niet in een kasteel, maar in een landhuis of villa. “Jagen op vis” is een arabisme voor “vissen”. Wells’ Outline of History wordt door de auteur terecht geen reisverslag genoemd, maar een boek.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 27.4.1990.

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s