Terugwerkende kracht: Umar en de profeet

Hoe komt het dat de profeet Mohammed en de latere kalief ‘Umar (634-644), over  de afzondering van de vrouw en vele andere juridische en ethische problemen, zulke uiteenlopende meningen hadden?
Mijn antwoord is: dat meningsverschil hadden zij pas 150-200 jaar na hun dood!
Toen de Arabieren in de 7e eeuw grote delen van Voor-Azië en Afrika veroverd hadden kregen zij behoefte aan rechtspraak. De veroverde volkeren hielden eerst gewoon hun eigen rechtspraak; daar bemoeiden zij zich niet mee. Er werden echter mondjesmaat rechters aangesteld, die onder de Arabische minderheid recht spraken en tegelijk ook zaken regelden tussen Arabieren en overheersten. Dit waren vaak slecht betaalde mensen die bijklusten in de handel of ook als ‘verteller’ (qāss). Het waren de eerste intellectuelen van de nieuwe religieuze beweging, die goed bekend waren met de koranteksten, het leven van de profeet en ook met de overleveringen van joden en christenen, die zij in hun verhalen vervlochten. Als vertellers en koranuitleggers kregen zij vrijdags na het gebed het woord in de moskee. Recht spraken zij op basis van de koran en hun gezonde verstand. Oudere koranuitlegging of jurisprudentie bestond immers nog niet.
Honderd jaar later was er wel iets veranderd. In Baghdad was er een nieuwe hoofdstad gesticht en de Abbasidische kaliefen deden hun best om eenheid te scheppen in hun enorme rijk. In het islamitische recht was het gezag en de praktijk van bepaalde gezaghebbende personen uit het verleden belangrijk geworden. Er bestond in het rijk aanvankelijk geen uniform recht; de verschillende stedelijke centra hadden alle hun eigen opvattingen en jurisprudentie. In die steden leefden nog herinneringen aan en overleveringen van vroegere rechtsgeleerden, en bovendien beriep men zich op religieuze autoriteiten uit het verleden. In Medina was dat bij voorbeeld ‘Umar, in de Iraakse stad Kūfa was het ‘Alī. Was het nu de werkelijke ‘Umar, de echte ‘Alī die daar werd nagevolgd? Natuurlijk niet; het betrof een teruggeprojecteerd beeld van deze grote voorgangers. Wie een mening had schreef deze graag aan ‘Umar enz. toe: deze had immers meer gezag dan de hedendaagse rechtsgeleerde X of Z. Intussen was er in de achtste eeuw ook een groep mensen opgekomen die niet tevreden waren met de islam zoals die nog onder de vorige dynastie vorm had gekregen. Voor hen was de soenna of sunna (‘de gewoonte, het goede gebruik’) van de profeet Mohammed veel belangrijker dan die van een heerser, of de mening van een rechtsgeleerde in overheidsdienst. Aanvankelijk was het niet goed bekend wat die sunna was, maar in de zogeheten hadith– of Traditieliteratuur werden steeds meer uitspraken van de profeet en berichten over hem in woorden neergelegd. En de soenna van de profeet claimde steeds duidelijk als enige te gelden, meer waard te zijn dan de eigenmachtige sunna’s van kaliefen, maar ook dan die van gezaghebbende tijdgenoten van de profeet. Omstreeks 800 kwam er een homogeniserende tendens. Het grote rijk der Abbasiden wenste eenheid in de rechtspreking, niet allerlei locaal gerommel in de verschillende steden. De rechtsgeleerde ash-Shāfi‘ī (gest. 820) deed de geniale zet. In zijn rechtssysteem golden voortaan als rechtsbron naast de koran alleen nog hadith, dus berichten over de soenna van de profeet en uitspraken van hem. Daarmee was met terugwerkende kracht het gezag van de profeet gevestigd, én de grondslagen waren gelegd voor een uniformering van het recht in alle delen des rijks. Het gevolg was dat het aantal uitspraken van de profeet nogmaals sterk toenam: waren het er omstreeks 730 nog 2200 geweest, anderhalve eeuw later waren er tienduizenden. Het gezag van de profeet is dus met terugwerkende kracht opgebouwd en terug geprojecteerd, zoals dit tevoren met dat van vroege moslims als ‘Umar en ‘Alī was gedaan. In godsdienstige systemen is dit niet ongewoon: denk maar aan Mozes, die (een onbekend aantal) eeuwen na zijn optreden op aarde tot wetgever van het jodendom werd. De niet-profetische teksten, die herleid werden tot bijv. ‘Umar, werden niet weggegooid. Er zijn er een heleboel van bewaard gebleven. Wanneer we die lezen naast de teksten van en over de profeet vinden we dus verschillende meningen en standpunten. De oude moslims hebben dit ook opgemerkt. Om uniformiteit en harmonie te scheppen brachten zij de conflictstof in nieuwere teksten onder, waarin het meningsverschil zelf werd geënsceneerd. Dat bedoelde ik toen ik zei dat de meningsverschillen tussen Umar en de profeet pas zeer lang na hun beider dood plaats hadden. Het was telkens een strijd tussen twee teksten die een prestigieus verleden reconstrueerden. Vanzelfsprekend ‘won’ de profeet voortaan altijd het debat, en ‘Umars mening is als een eervol, maar toch minder waardevol alternatief bewaard gebleven.
Stereotyp is bij voorbeeld de volgende interactie, in een situatie waarin een rechtsbesluit verlangd wordt. ‘Umar vraagt de profeet: ‘Zal ik hem zijn hoofd afslaan?’ ‘Nee,’ zegt de profeet dan, en komt met een mildere, meer pragmatische oplossing. De opvattingen van de profeet zijn in de loop der eeuwen natuurlijk gezaghebbend geworden en gebleven. Enige minder milde, aan ‘Umar toegeschreven opvattingen uit Medina hebben zich echter in de islam weten door te zetten, daaronder die over de bedekking van de vrouw.

Zie ook: Avraham Hakim, ‘Conflicting images of Lawgivers: the Caliph and the Prophet Sunnat ‘Umar and Sunnat Muhammad,’ in: Herbert Berg (uitg.): Method and Theory in the Study of Islamic Origins, Leiden 2003, 159–177.

Diakritische tekens: qāṣṣ

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s