Nagieb Mahfoez, De dwaaltocht (bespreking)

Nagieb Mahfoez (ook gespeld als: Najib Mahfuz, Naguib Mahfouz), De dwaaltocht (الطريق, Al-tarīq). Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen. Uitg. Het Wereldvenster 1989.

Evenals De dief en de honden (1961) is ook De Dwaaltocht (1964) uit Mahfoez’ in zich zelf gekeerde periode. In dit wat rafelige, sardonische boek gaat Sabir, een criminele losbol uit Alexandrië, op zoek naar zijn vader, die volgens zijn moeder een rijke aristocraat is uit Cairo. Hij reist daarheen en zoekt vlijtig, maar tevergeefs; tenslotte plaatst hij een advertentie en wacht op telefoon. Intussen ontmoet hij twee vrouwen. Kariema verleidt hem en brengt hem ertoe, haar rijke echtgenoot te vermoorden. Wanneer zij hem daarna negeert verdenkt Sabir haar van ontrouw en gaat naar haar woning. In razernij doodt hij ook haar, maar de politie wacht hem op, en pas in de gevangenis bedenkt hij dat hij is gebruikt. De andere vrouw, Ilhaam, is lief en verstandig, maar niet opwindend. In haar opofferende liefde wil zij Sabir helpen zelfstandig te worden. Als hij gearresteerd is stuurt ze hem een advocaat, die ook iets over zijn vader weet. Deze blijkt hij in Alexandrië juist te zijn misgelopen.
Deze ogenschijnlijk simpele thriller heeft een dubbele bodem die doet denken aan Kafka’s Slot. De vader heeft duidelijke trekken van God. Zijn Arabische naam klinkt als Barmhartige Heer. Hij heeft een vermogen – ooit verdiend met de handel in spiritualiën -, hij is meestal buitenlands, staat boven de wet, en zijn hoofdbezigheid is de liefde. Sabirs zoeken loopt vast in zijn driften, en de gezochte blijkt noch een heer, noch barmhartig te zijn: hij heeft elke dag een ander liefje, maar zijn talrijke kinderen laat hij aantobben. Hij lijkt op een vergrote projectie van Sabir zelf: een playboy, even corrupt als almachtig, want hij zou zijn zoon zonder proces vrij kunnen krijgen. Zijn genade is grillig: wie er aanspraak op maakt krijgt zeker niets. Mahfoez critiseert hier weer het traditionele godsbeeld, maar voorzichtiger dan voorheen.
Sabir komt niet uit bij zijn vader – waarvoor heeft hij die ook nodig? – maar bij zijn eigen, ter dood veroordeelde zelf. Als hij met Ilhaam verder was gegaan had hij redelijk kunnen leven. Redelijkheid is hem echter evenmin gegeven als de inbreker Sa’ied; ook hij zit gevangen in zijn natuur, en er gebeurt ”wat gebeuren moet”. Maar hier wijst de opgewekte advocaat op één lichtpuntje: misschien wordt het doodvonnis omgezet in levenslang.
In het Arabisch heet het boek De Weg, wat staat voor de mystieke weg. Als Sabir mag blijven leven krijgt hij misschien nog kennis van wat dat leven is: het verblijf in een kerker. Dan is zijn weg toch geen dwaaltocht geweest.

Verschenen in NRC-Handelsblad 9.2.1990

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s