Andere Mohammed?

Was Mohammed niet goed bij zijn hoofd? Die eeuwenoude, tot op de draad versleten vraag wordt dezer dagen in kringen van pseudo-medici opnieuw gesteld én beantwoord. Ik heb dat al gesignaleerd in mijn bespreking van Herman Somers, Een andere Mohammed, Antwerpen/Baarn, Hadewijch, 1993, die hier nog eens volgt. De bespreking is indertijd gepubliceerd in een tijdschrift voor aankomende arabisten, Sharqiyyât 5 (1993), 109–112. Kopie van het origineel is hier down te loaden.

Dit boekje is eigenlijk te lorrig voor een bespreking in een serieus tijdschrift. Maar omdat het zich beroept op arabistische vakliteratuur, en omdat het zelf misschien vakliteratuur vormt voor ‘intellectuele’ politici, behoort het toch gesignaleerd te worden.
De andere Mohammed is niet anders, dat valt dadelijk op. Eeuwenlang is Mohammed afgeschilderd als een epilepticus, een smeerlap en een bedrieger. Even leek het of dat voorbij was, maar bij Somers zijn de hoofdlijnen weer als vanouds:
– Mohammed was geestesziek.
– Mohammed was impotent en (daarom) bezeten van seks.
– Mohammed was leugenachtig, wreed, wraakgierig en nog zo wat.
– De koran is in elkaar gezet door Mohammed en stelt niet veel voor.
– De gehele islam is ontsproten aan het brein van Mohammed.
– Van de islam is (dus) niets goeds te verwachten op het gebied van tolerantie, plurale samenleving, mensenrechten enz. (Van het christendom evenmin, maar dat is gelukkig al aardig verzwakt.)

De auteur is gepromoveerd in de toegepaste psychologie, theologie, en wijsbegeerte en letteren. Al dat studeren heeft hem in staat gesteld een wetenschappelijke toon aan te slaan, en zelfs een soort medisch medelijden ten toon te spreiden: Mohammed was eigenlijk ziek, ocharm.
Hij leed namelijk aan symptomatische paranoia, voortkomend uit acromegalie, die een gevolg is van een tumor van de hypofyse (p. 70–79). Vraag míj niet wat dat is; ik copieer even wat symptomen. Het komt vooral voor na het veertigste levensjaar, de meeste patiënten sterven rond zestig; symptomen zijn: grote oren, neus, kin, handen en voeten; mals aanvoelende handpalmen en dikke vingers; een diepe stem; rugpijn door vergroeide wervels; sterk zweten; sterke beharing; een geelachtige huidskleur, vraatzucht, een kippeborst; impotentie; neiging tot hallucinaties en hallucinosen; bij apoplexie hevige hoofdpijn en bewustzijnsstoringen.
Welnu, deze symptomen en nog meer heeft Somers in de bronnen over de profeet bevestigd menen te vinden.
Er zijn foto’s opgenomen van twee hedendaagse acromegalie-patiënten. De ene ziet er zonder meer luguber uit, de andere is zijn gezicht kwijtgeraakt aan een plastisch chirurg. Aan deze rotkoppen moeten we dus voortaan denken wanneer de naam Mohammed valt.

Waar gaat het precies mis in zulke boekjes? Een hoofdfout is natuurlijk zelfoverschatting. De auteur is geen arabist en heeft slechts enkele vertaalde bronnen gebruikt. Medicus is hij ook niet en als psycholoog behoort hij evenmin een patiënt te diagnostiseren die hij niet heeft gezien.
Ik zie bij hem echter drie misvattingen die hij heeft kunnen ontlenen aan arabistische publicaties, en die gaan ons aan. Hieronder vat ik ze samen, met mijn reactie.

1. ‘De koran is het werk van Mohammed.’ God is als auteur voor niet-moslims onaanvaardbaar; welnu, dan moet Mohammed het maar wezen. Dit gemakzuchtige standpunt komt nog veel voor. De koran is een disparate verzameling teksten, met mogelijk meer dan één auteur. Het wordt hoog tijd, de hypothese van een bronnenscheiding eens uit te werken en niet te blijven hangen in het traditionele chronologische schema van Mekkaanse en Medinensische periode(s).
.
2. ‘De historische Mohammed kan worden gekend.’ De vele teksten over Mohammed (sira, hadith) behoren tot uiteenlopende literaire genres. Zij vormen interessante bronnen voor de wordingsgeschiedenis van de Islam ten tijde van hun ontstaan, zo’n zeventig jaar na Mohammeds dood en daarna. De profeet zelf leren we er echter niet uit kennen. Naarmate deze langer dood was werd er meer over hem ’bekend’—een lot dat hij deelt met Mozes, Jezus en nog anderen. Dit mechanisme hoort bij godsdienststichters: eerst een tijd stilte om de echte sporen uit te wissen, daarna een reconstructie door de gelovigen.
Over Mohammed zijn er zó veel teksten dat er altijd wel een selectie is te maken die lijkt te zeggen wat iemand wil horen. En als ze niet helemaal passen dan duw je ze wat in model. Dat zowel fundamentalistische als modernistische moslims (Mernissi) dit doen valt nog te begrijpen, maar ongelovigen doen vaak hetzelfde: geleerden, fellow-travelers, dialoog-types, zendelingen en islamhaters, ieder schept zich de profeet die hem uitkomt.
Het is echter zinloos, van een vooropgezette idee uit te gaan en dan steun te zoeken in geselecteerde teksten. Bij ieder onderwerp in verband met Mohammed is het zaak, álle oude teksten te laten spreken. Dan blijkt al spoedig dat de bronnen over vrijwel alles uiteenlopen en behoren tot genres die ongeschikt zijn als basis voor een biografie. Vergelijkend lezen slaat een onderzoeker de ‘historische’ Mohammed1 uit handen en dwingt hem te beseffen dat hij met literatuur bezig is.
.
3. ‘We weten bijna niets, maar toch weten we heel veel.’ Dit is een strategie van modern geschoolden met horror vacui: zeg eerst dat de bronnen onbetrouwbaar zijn en ga daarna over tot de orde van de dag. Rodinson (Mahomet, 1961) was zich reeds terdege bewust van het karakter van de bronnen en schreef vervolgens een dikke biografie, alsof dat nog mogelijk was! Somers doet iets dergelijks: ‘Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we […] weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven’ (p. 12). Maar als hij Tradities leest heeft hij ‘sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn,’ namelijk omdat ze zo gedetailleerd zijn—een oude valstrik. De teksten waarin hij Mohammeds ziektebeeld meent te ontwaren móeten wel echt zijn, want zij bevestigen wat de (serieuze, medische) wetenschap leert (p. 18–19).

Een aantal klassieke fouten van Somers wil ik toelichten naar aanleiding van zijn behandeling van Mohammeds uiterlijk en diens geringe kindertal.
De lichaamskenmerken waarop Somers zijn diagnose onder meer fundeert staan beschreven bij Ibn Sa‘d, die twee eeuwen na de profeet leefde.2 Een late bron wordt gebruikt alsof hij een ooggetuigenverslag was. Dat deze bron, zoals de meeste, een collectie is van talloze Tradities en niet een samenhangend verhaal wordt niet opgemerkt.
Acromegalen hebben een zeer grote kin en een grove huid. Deze symptomen heeft Somers nergens teruggevonden: de teksten zwijgen over die kin en noemen Mohammeds huid juist mooi. Maar geen nood: de symptomen gingen natuurlijk schuil onder zware baardgroei (p. 75–6)! De huid van acromegalen schijnt ook gelig te zijn. Volgens de overlevering was Mohammed ‘niet licht en niet donker, eerder iets rossig.’ Maar gelig of rossig, voor Somers is dat hetzelfde. Dit zijn voorbeelden van wat ik noem: teksten in model duwen.
Bovendien heeft Somers niet alle beschikbare teksten gezien. Bij Ibn Hishām en in de hadith vinden we ook andere beschrijvingen van Mohammed. Zo lezen we, dat hij niet lang en niet kort was, niet al te gekruld maar ook geen sluik haar had.3 Of hij zou brede schouders gehad hebben4 (en dus geen kippenborst?), of smalle enkels5 (en dus geen grote voeten?).
Somers vraagt zich niet af wat teksten willen zeggen. In de ‘signalementen’ van de profeet zie ik vier verschillende tendenzen.
1. Mohammed zag er fantastisch uit, atletisch zelfs (in alle opzichten een groot man).
2. Hij was niet te zus en niet te zo (het middelste is altijd het beste).
3. Mohammed zag er beter uit dan andere profeten (Mozes had krullen en een haakneus, Jezus had sluik haar en sproeten).
4. Mohammed zag er niet zo geweldig uit, hij was dik, liep een beetje raar etc. (een mens als alle andere).

Ook begrijpt Somers niet hoe godsdienst werkt. Kinderen had Mohammed volgens de verhalen opvallend weinig; hij zou ‘quasi-steriel’ geweest zijn. Maar natúúrlijk had hij geen zoon!6 Een godsdienststichter mág geen kinderen hebben; die zouden namelijk de mythevorming verstoren. Zonen van Boeddha, Jezus of Mohammed, van Lenin of de Baghwan, ze zijn allemaal even ondenkbaar. Speculaties over de potentie van Mohammed kunnen we ons dus besparen.

Fouten als bovenstaande zijn ook door arabisten gemaakt. Op soortgelijke wijze heeft Sellheim7 ‘aangetoond’ dat Mohammed een soort hazelip had. Aan Somers’ andere misvattingen zijn arabisten echter niet medeschuldig; daar kan ik dus kort over zijn. ‘De islam is in zijn geheel het werk van Mohammed.’ Neen, de islam is het ‘product’ van miljoenen moslims gedurende vele eeuwen. Door zich echter te fixeren op één tendentieus afgebeelde stichter, en door de islam vervolgens te beschouwen als een monolitisch en onveranderlijk blok, maakt Somers het zich zelf en zijn lezers gemakkelijker, heel de islam te haten. En dat is blijkbaar het hoofddoel van zijn boekje.

Noten
1. Hoe Mohammed “werkelijk” was is dus niet te weten. Voor no-nonsense-verhalen over hem zie Michael Cook, Mohammed, Oxford 1983, en het betreffende hoofdstuk in Andrew Rippin, Muslims, their religious beliefs and practices. Vol. i. The formative period. London, 1990.
2. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet, z.j., 9 dln., dl. 1, 410–425.
3. Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 266.
4. Muslim, Ṣaḥīḥ, Faḍāʾil 91 e.a..
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Faḍāʾil 97 e.a..
6. De enkele teksten over een jong gestorven zoontje Ibrāhīm zijn alleen in het leven geroepen om over diens sobere begrafenis te kunnen schrijven en moeten dienen als illustratie van Mohammeds voorbeeldgedrag ten aanzien van rouw.
7. R. Sellheim, “Das Lächeln des Propheten,” Festschrift Ad. E. Jensen, 1964, 621–630.

Terug naar Inhoud

One thought on “Andere Mohammed?

  1. De definitieve diagnose voor acromegalie zijn bloedtesten of bij van retrospectieve gevallen lijkonderzoek. Geen van dit heeft plaatsgevonden! Bovendien is een goed uitziend gezicht meer dan alleen maar een mooie huid hebben. Het is ook de indruk die dit bij de waarnemer achterlaat. Zoals geen afwijkingen hebben aan het gezicht. Grote handen, voeten en hoofd kunnen ook op alternatieve wijze geïnterpreteerd worden. Veel is genetisch bepaald. De overeenkomsten zijn ook niet opvallend. Voordat acromegalie kon worden behandeld overleden acromegalen op 50-jarige leeftijd. Dit komt niet helemaal overeen met de bronnen. Hoe minder opvallend de gelijkenis, hoe zwakker de hypothese. Fijne dag.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s