Mohammed onderhandelt met Medina (vertaalde tekst)

De eerste ‘Aqaba

Toen God zijn godsdienst wijd en zijd bekend wilde maken, zijn profeet wilde sterken en zijn belofte aan hem wilde vervullen, geviel het dat de Profeet op de jaarmarkt een aantal helpers vond. Ieder jaar zette hij tijdens de jaarmarkt zijn zaak uiteen aan de Arabische stammen, en ditmaal ontmoette hij bij ‘Aqaba een aantal mannen uit de stam Khazradj, met wie God het beste voor had.
‘Āṣim ibn ‘Umar heeft gehoord van enkele oude mannen uit zijn stam: Toen de Profeet deze mannen ontmoette, vroeg hij wie zij waren, en vernam dat zij tot de stam Khazradj behoorden, bondgenoten van de joden. Hij nodigde hen uit te gaan zitten en riep hen op zich te bekeren tot God; hij legde hun de islam uit en reciteerde de koran. Nu had God hen al voorbereid op de islam, want in Medina woonden zij tesamen met de joden, die Schriften en kennis bezaten, terwijl zij zelf heidenen waren, die beelden dienden. Zij hadden in hun gebied de overhand op de joden, maar als er vijandigheid oplaaide zeiden de joden: ‘Weldra zal er een profeet gezonden worden. Zijn tijd is nabij; wij zullen hem volgen en jullie doden met zijn hulp, zoals ‘Ād en Iram zijn gedood.’
Toen zij dan de Profeet hadden aangehoord zeiden zij onder elkaar: ‘Dit is vast de profeet waarmee de joden ons hebben gedreigd. Laten wij zorgen dat zij niet het eerst bij hem zijn!’ Zij gaven dus gehoor aan zijn oproep, zij geloofden hem en werden moslim en zeiden: ‘Wij hebben onze stam verlaten, want geen stam is zo door haat en nijd verdeeld als de onze. Misschien zal God door uw toedoen de eenheid herstellen. Wij zullen teruggaan, onze mensen opwekken tot uw zaak en hun deze godsdienst voorleggen. Als God ons in deze godsdienst verenigt, zal niemand zo machtig zijn als u.’
Hierop verlieten zij de Profeet en keerden als gelovigen naar Medina terug. Daar aangekomen spraken zij met hun stamgenoten over de Profeet en riepen hen op de islam aan te nemen. Weldra breidde die zich uit en werd er in alle huizen van deze ‘Helpers’ (ansār) gesproken over de Profeet.

Het jaar daarop verschenen er twaalf ‘Helpers’ uit Medina op de jaarmarkt te Mekka en ontmoetten de Profeet bij ‘Aqaba. Deze ontmoeting heet ‘de eerste ‘Aqaba’.
Yazīd ibn abī Habīb heeft vernomen van Abū Marthad ibn ‘Abdallāh, en deze weer van ‘Abd al-Rahmān ibn ‘Usayla as-Sanabuhī, die zich beriep op ‘Ubāda ibn Sāmit, die heeft verteld: Ik ben aanwezig geweest bij de eerste ‘Aqaba. Wij waren met ons twaalven en wij zwoeren trouw aan de Profeet op de wijze der vrouwen; dat was voordat het oorlog voeren ons was opgelegd. Wij verplichtten ons, slechts de ene God te aanbidden, niet te stelen, geen ontucht te bedrijven, onze kinderen niet te doden, niet met zelf verzonnen laster aan te komen en de Profeet niet ongehoorzaam te zijn in wat redelijk is. (1) ‘Als jullie je daaraan houden,’ zei de Profeet, ‘valt jullie het paradijs ten deel, maar als jullie een van die dingen begaan is het oordeel aan God: als hij wil straft hij, en als hij wil vergeeft hij.’
Toen deze mannen de Profeet verlieten, stuurde hij Mus‘ab ibn ‘Umayr met hen mee, met de opdracht voor hen de koran te reciteren, de islam te onderrichten en de godsdienst te onderwijzen. Mus‘ab werd in Medina ‘de lezer’ genoemd. Hij woonde bij As‘ad ibn Zurāra.
‘Āsim ibn ʿUmar heeft mij verteld dat Mus‘ab in Medina ook voorging in het gebed, omdat de stammen Aws en Khazradj het niet konden hebben dat iemand uit de andere stam het zou doen.

De tweede ʿAqaba

Toen keerde Mus‘ab naar Mekka terug. In het volgende jaar trokken de Helpers, tesamen met de pelgrims uit hun stam die nog heiden waren, naar Mekka naar de jaarmarkt. Zij spraken af de Profeet in ‘Aqaba te ontmoeten op de middelste van de tashrīq-dagen.
Ma‘bad ibn Ka‘b ibn Mālik heeft mij verteld dat zijn broer ‘Abdallāh, een van de best geïnformeerde mannen onder de Helpers, hem het volgende verhaal heeft gedaan van hun vader, die aanwezig was geweest in ‘Aqaba, bij de eed van trouw aan de Profeet:
Wij gingen ter bedevaart met onze heidense stamgenoten. Wij verrichtten toen al de salaat en hadden onderwijs in het geloof ontvangen. Barā’ ibn Ma‘rūr, onze leider en oudste, ging met ons mee. Toen wij Medina hadden verlaten en aan de tocht waren begonnen, zei Barā’: ‘Ik ben tot een overtuiging gekomen waarvan ik niet weet of jullie het ermee eens zijn. Ik vind, dat ik dat gebouw (hij bedoelde de Ka‘ba) niet mijn rug moet toekeren tijdens het gebed, maar mij er naar toe moet wenden.’ Wij brachten daartegen in dat de Profeet, voor zover wij wisten, zich altijd naar Syrië richtte bij het gebed, en dat wij daarvan niet wilden afwijken. Maar hij hield vol dat hij zich naar de Ka‘ba zou richten. En voortaan, als het tijd was voor het gebed, richtten wij ons naar Syrië, terwijl hij zich inderdaad op de Ka‘ba oriënteerde. Zo ging het tot wij in Mekka aankwamen. Wij hadden er wel bezwaar tegen gemaakt, maar hij was bij zijn standpunt gebleven. In Mekka zei hij tegen mij: ‘Beste neef, laten we naar de Profeet gaan en zijn oordeel vragen over wat ik onderweg heb gedaan, want het hindert mij dat jullie het niet met mij eens zijn.’ Dat deden wij; maar omdat wij Mohammed niet kenden en hem nog nooit hadden gezien, vroegen wij aan een Mekkaan die wij tegenkwamen, waar hij te vinden was. Deze man zei: ‘Kennen jullie hem niet? Maar misschien kennen jullie zijn oom ‘Abbās wel?’ Dat was inderdaad zo, want ‘Abbās kwam altijd bij ons als koopman, en de man vervolgde: ‘Als jullie de moskee binnenkomen is het de man die naast ‘Abbās zit.’ In de moskee troffen wij inderdaad ‘Abbās aan, en de Profeet zat naast hem. Wij groetten en gingen erbij zitten, en de Profeet vroeg aan zijn oom:
‘Kent u deze twee mannen?’
‘Ja zeker,’ antwoordde hij, ‘de ene is Barā’ ibn Ma‘rūr, de leider van zijn stam, en de andere is Ka‘b ibn Mālik.’
Nooit zal ik vergeten hoe de Profeet daarop uitriep: ‘De dichter?’
Nu wendde Barā’ zich tot de Profeet en zei: ‘Profeet Gods, ik heb deze tocht ondernomen toen God mij al tot de islam had geleid, en ik meende dat ik dit gebouw niet mijn rug kon toekeren bij het gebed, maar mij ernaar toe moest wenden. Mijn metgezellen waren het daarmee echter niet eens, en dat hindert mij. Wat denkt u ervan?’ De Profeet antwoordde: ‘Als u daarbij bleef had u een gebedsrichting gehad.’ Barā’ nam daarop de gebedsrichting van de Profeet weer aan en richtte zich weer naar Syrië, net als wij. Weliswaar beweert zijn familie dat hij zich tot zijn dood op de Ka‘ba bleef oriënteren, maar dat is niet zo; wij weten daar meer van dan zij.

Toen wij de bedevaart volbracht hadden en de avond aanbrak die wij met de Profeet hadden afgesproken, ging ‘Abdallāh ibn ‘Amr Abū Djābir, een van onze edelen en leiders, met ons mee. Hij was aanvankelijk nog geen moslim geweest en wij hadden onze zaak voor onze heidense stamgenoten geheim gehouden, maar hem hadden wij overreed: ‘Abū Djābir, jij bent een van onze leiders en edelen, en wij willen je afhelpen van je ongeloof, want anders ben je morgen brandhout voor het hellevuur.’ Toen hadden wij hem opgeroepen, zich tot de islam te bekeren en hem op de hoogte gebracht van onze afspraak. Hij werd moslim, nam met ons deel aan de ‘Aqaba en werd een van de ‘Hoofdmannen’.
Het eerste derde deel van die nacht sliepen wij bij onze stamgenoten en de bagage. Toen slopen wij heimelijk en onhoorbaar als zandhoenders naar onze afspraak met de Profeet, bij het ravijn van ‘Aqaba. Wij waren met drieënzeventig man en twee vrouwen. In dat ravijn wachtten wij tot de Profeet eraan kwam, tesamen met zijn oom ‘Abbās. Die was toen nog heiden, maar hij wilde erbij zijn om erop toe te zien dat zijn neef behoorlijke garanties kreeg. Nadat hij was gaan zitten nam ‘Abbās als eerste het woord: ‘Mannen van Khazradj,’—want de Arabieren gebruikten die naam om de beide stammen uit Medina aan te duiden, Aus én Khazradj—‘jullie weten, welke plaats Mohammed bij ons inneemt. Wij hebben hem beschermd tegen onze stamgenoten, die net zo over hem denken als wij. Hij leeft hier in aanzien en goed beschermd bij zijn stam. Maar nu wil hij zich beslist bij u aansluiten. Als u denkt dat u kunt nakomen wat u hem hebt beloofd en hem kunt beschermen tegen zijn tegenstanders, neemt het dan op u. Maar als u denkt dat u hem gaat uitleveren en in de steek laten als hij eenmaal bij u is, laat hem dan liever dadelijk met rust, want hier is hij in aanzienen goed beschermd.’ Wij antwoordden: ‘Wij hebben gehoord wat u hebt gezegd. Profeet, spreek nu zelf en kies voor u zelf en voor uw Heer wat u wilt.’
De Profeet nam het woord, reciteerde de koran, riep de mensen op, zich tot God te bekeren en wekte in hen het verlangen naar de islam. Daarop zei hij: ‘Ik zweer u trouw, op voorwaarde dat u mij beschermt zoals u het uw vrouwen en kinderen zou doen.’ Toen nam Barā’ ibn Ma‘rūr zijn hand en zei: ‘Ja, bij Hem die u als profeet heeft gezonden met de waarheid: wij zullen u beschermen als onze vrouwen. Wij zweren u trouw, Profeet, en in een oorlog staan wij onze man: wij hebben wapens die wij van vader op zoon hebben overgeërfd.’ Terwijl Barā’ nog sprak, viel Abū Haytham ibn Tayyihān hem in de rede en zei: ‘Profeet, wij hebben banden met die mannen daar’—hij bedoelde de joden in Medina—‘en als wij die breken, dan gaat u misschien, als God u de overwinning heeft gegeven, terug naar uw stam en laat ons achter?’ De Profeet glimlachte en zei: ‘Nee, bloed is bloed, en ongestraft vergoten bloed is ongestraft vergoten bloed. Ik hoor bij u en hoort bij mij. Ik beoorloog wie u beoorlogen, ik leef in vrede met degenen met wie u in vrede leeft. Brengt mij twaalf hoofdmannen uit uw midden, die de leiding kunnen nemen in uw aangelegenheden.’ Dat deden zij; ze kozen negen hoofdmannen uit de stam Khazradj en drie uit de stam Aws.
Tot deze Hoofdmannen zei de Profeet, volgens de overlevering van ‘Abdallāh ibn abī Bakr: ‘Jullie staan borg voor jullie stam, net als de discipelen voor Jezus, de zoon van Maryam. En ik sta borg voor mijn volk,’ waarmee hij de moslims bedoelde. Zij stemden toe.
‘Āsim ibn ‘Umar heeft mij het volgende verteld: Toen zij dan allen bijeen waren om de Profeet trouw te zweren, zei ‘Abbās ibn ‘Ubāda, een van de Helpers: ‘Mannen van Khazradj! Beseffen jullie wel waarin jullie deze man trouw zweren? Jullie beloven hem oorlog te voeren tegen de hele wereld! Als jullie denken dat je hem in de steek zult laten als jullie geen bezit meer over hebben en al je edelen zijn gedood, dan kun je het beter nu al doen, want anders lijd je verlies, zowel in deze wereld als in het hiernamaals. Maar als jullie hem bij al die tegenslagen trouw denken te blijven in deze zaak, neem het dan op je, want dat is het beste in zowel deze wereld als het hiernamaals!’
‘Wij nemen het aan,’ zeiden zij, ‘zelfs in tegenspoed. Maar wat krijgen wij ervoor, Profeet, als wij trouw blijven?’
‘Het paradijs,’ zei de Profeet.
‘Strek dan uw hand uit,’ en daarop zwoeren zij hem trouw.
‘Āsim voegde eraan toe: Dat zei ‘Abbās ibn ‘Ubāda alleen om het verbond met de Profeet bindender te maken. Maar ʿAbdallāh ibn abī Bakr meent dat hij dat zei om de mensen die nacht wat langer bijeen te houden, want hij hoopte dat ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl nog zou komen en wat meer gewicht in de schaal zou leggen. Maar God weet het best wat het geval was.

Voorwaarden van de Tweede ‘Aqaba. Het bevel tot de strijd

Toen God de Profeet toestemming gaf om te strijden bevatte de tweede ‘Aqaba andere voorwaarden dan de eerste ‘Aqaba. De eerste ‘Aqaba was een eed van trouw op de wijze der vrouwen, omdat God zijn Profeet toen nog niet had toegestaan oorlog te voeren. Maar nu, bij de laatste ‘Aqaba, zwoeren zij hem, tegen iedereen oorlog te zullen voeren voor God en Zijn gezant, terwijl hij hun als beloning voor hun trouw het Paradijs beloofde.
‘Ubāda ibn Walīd levert over van zijn vader, dat zijn grootvader ‘Ubāda ibn Sāmit, een van de Hoofdmannen, die ook bij de eerste ‘Aqaba aanwezig was geweest, heeft verteld: Wij zwoeren de Profeet oorlog te zullen voeren en onvoorwaardelijk te zullen gehoorzamen, in voorspoed en tegenspoed, willens of onwillens, dat wij zijn huis de macht niet zouden betwisten, dat wij altijd en overal de waarheid zouden spreken en dat wij niemands kritiek zouden vrezen.
Vóór de eed van trouw in ‘Aqaba was het de Profeet niet toegestaan, oorlog te voeren en bloed te vergieten. Hij had alleen de opdracht gekregen de mensen op te roepen tot God, beledigingen te verdragen en onwetenden te vergeven. Quraysh had zijn volgelingen onder druk gezet tot zij van hun geloof afvielen of het land ontvluchtten. Zij hadden voor de keus gestaan: hun geloof op te geven, mishandeld te worden of te vluchten, naar Ethiopië, naar Medina of nog ergens anders heen.
Toen de Qurayshieten hovaardig werden tegen God, de eer die Hij hun wilde verlenen afwezen, Zijn profeet voor leugenaar verklaarden en mishandelden, en verjoegen wie Hem dienden, Zijn eenheid beleden en Zijn profeet geloofden en aan diens godsdienst vasthielden, toen gaf God Zijn gezant toestemming, te strijden en zich te wreken op degenen die hem en de zijnen onrecht deden en hard vielen. Het eerste koranvers dat hierover werd geopenbaard was, volgens ‘Urwa en andere geleerden: Aan hen die bestreden worden, wordt toestemming gegeven [te strijden], omdat hun onrecht is aangedaan—God heeft de macht, hen te helpen—hen, die onrechtmatig uit hun woningen verdreven zijn, alleen omdat zij zeggen: ‘Onze Heer is God’. Als God de mensen niet elkaar had laten weerhouden zouden kluizenarijen, kerken, synagogen en bedeoorden waarin Gods naam veel genoemd wordt zijn verwoest. Maar God zal zeker helpen wie Hem helpen—God is sterk en machtig—: diegenen die, als Wij hun macht geven op aarde, de salaat verrichten, de zakaat opbrengen, gebieden wat behoorlijk is en verbieden wat verwerpelijk is. God komt de uiteindelijke beslissing toe. [koran 22:39-41]
Daarna openbaarde God: Bestrijdt hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst aan God behoort. [k. 2:193]
Toen God Zijn profeet toestemming had gegeven om te strijden en de Helpers hem trouw hadden gezworen in de islam en hadden beloofd hem, zijn volgelingen en de moslims die toevlucht bij hem zochten te helpen, toen beval de Profeet zijn gezellen uit Mekka, zowel zijn stamgenoten als de anderen, naar Medina te trekken, de hidjra daarheen te maken en zich aan te sluiten bij de Helpers, hun broeders. Hij zei: ‘God heeft jullie broeders geschonken en een woonplaats waar jullie veilig kunnen wonen.’ Zij vertrokken in groepen na elkaar. De Profeet bleef nog in Mekka, in afwachting van Gods toestemming om eveneens uit Mekka te vertrekken en de hidjra naar Medina te ondernemen.

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 290–300 (verkort); Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 93–98.

NOOT
1. Vgl. koran 60:12.

Diacritische tekens: ʿAqaba, ʿĀṣim ibn ʿUmar, ʿĀd, anṣār, Ḥabīb, ʿAbd al-Raḥmān ibn ʿUsayla as-Ṣanabuḥī, ʿUbāda ibn Ṣāmit, Muṣʿab, Ṭayyihān

Terug naar Inhoud