De eerste koranopenbaring (vertaling)

Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en deze had het van Aisha: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dageraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.
.
‘Abd al-Malik ibn ‘Ubaydallāh ibn abī Sufyān, van de stam Thaqīf, die een uitstekend geheugen had, heeft vernomen van een geleerde: In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: ‘Wees gegroet, gezant van God!’ De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen. Dat bleef hij zien en horen zolang God het wilde. Toen bracht Djibrīl hem Gods eerbewijs; het was op de berg Hirā’, in de maand ramadan.
.
Wahb ibn Kaysān, een beschermeling van de familie al-Zubayr heeft verteld: Ik heb ‘Abdallāh ibn al-Zubayr aan ‘Ubayd ibn ‘Umayr ibn Qatāda horen vragen: ‘Vertel eens, ‘Ubayd, hoe begon het profeetschap precies, toen Djibrīl bij hem kwam?’ Toen zei ‘Ubayd tegen ‘Abdallāh en de andere aanwezigen—onder wie ook ik—: De Profeet zonderde zich ieder jaar een maand af op de berg Hirā’, om tahannuth1 te beoefenen, zoals de stam Quraysh dat gewoon was in de heidentijd. Ieder jaar als de Profeet zich die maand afzonderde gaf hij de armen die bij hem kwamen te eten. Als de maand voorbij was en hij terugkeerde naar de stad, ging hij eerst naar de Ka‘ba, nog voordat hij naar huis ging, en maakte zevenmaal een ommegang, of zo dikwijls als het God behaagde, en pas daarna ging hij naar huis. Maar in de maand waarin God hem Zijn gunstbewijs wilde verlenen, in het jaar waarin Hij hem uitzond—en dat was in de maand ramadan—trok de Profeet met zijn mensen naar de Hirā’ om zich af te zonderen zoals hij gewoon was, en in de nacht waarin God hem tot Zijn gezant maakte en aldus de mensheid ontferming betoonde, kwam Djibrīl bij hem, door Gods beschikking.
.
In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Nee, ik kan niet lezen.’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Nee, ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen?’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei:

  • Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
    de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
    Lees voor: Zeer edelmoedig is jouw Heer,
    die onderwezen heeft het gebruik van de pen,
    de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [koran 96:1–5]

Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibrīl, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibrīl.’ Ik bleef naar hem staan kijken, en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Khadīdja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibrīl mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Khadīdja zitten, dicht tegen haar aan.
Ze vroeg: ‘Abū Qāsim,2 waar ben je geweest? Ik had al boden gestuurd om je te zoeken; ze zijn helemaal tot aan Mekka gegaan en onverrichter zake teruggekeerd.’
Ik zei tegen haar: ‘O wee, ik ben een dichter of een bezetene!’
Maar zij zei: ‘Daarvoor behoede je God, Abū Qāsim. Dat zou God je niet aandoen, omdat Hij weet hoe eerlijk en betrouwbaar je bent en wat een goed karakter je hebt, en dat je de familiebanden eerbiedigt. Dat kan niet zijn, lieve neef; maar misschien heb je een gezicht gehad?’
‘Ja,’ zei ik, en toen vertelde ik haar wat ik gezien had.
Ze zei: ‘Wees blij, mijn neef, en houd goede moed! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: ik hoop dat jij de profeet van dit volk bent!’
Toen stond ze op, kleedde zich aan en begaf zich naar Waraqa ibn Nawfal, die een neef van haar was. Waraqa was namelijk christen; hij had de Schriften gelezen en had allerlei zaken gehoord van de volgelingen van Thora en Evangelie. Toen zij hem vertelde wat de Profeet had gezien en gehoord riep Waraqa uit: ‘Heilig! Heilig! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: als je de waarheid hebt gesproken, Khadīdja, dan is de grote Nāmūs3 bij hem gekomen’—daarmee bedoelde hij Djibrīl—‘die eertijds tot Mūsa (Mozes) is gekomen, en dan is hij de profeet van dit volk. Zeg hem dat hij goede moed houdt!’ Khadīdja ging terug naar de Profeet en vertelde hem wat Waraqa had gezegd, en dat maakte hem wat minder ongerust.
Toen de Profeet zijn periode van afzondering had beëindigd en was teruggekeerd ging hij, zoals hij gewoon was, eerst naar de Ka‘ba om de ommegang te maken. Terwijl hij daarmee bezig was ontmoette hij Waraqa, die tegen hem zei: ‘Beste neef, vertel mij eens wat je gezien en gehoord hebt!’ Dat deed de Profeet en Waraqa zei: ‘Werkelijk, bij Hem in Wiens hand mijn leven is: jij bent de profeet van dit volk! De grote Nāmūs is bij je gekomen, die ook tot Mūsa is gekomen. Je zult voor leugenaar worden uitgemaakt, gekrenkt en uitgestoten en bestreden worden, maar als ik die dag nog mag beleven zal ik God helpen op de manier die Hij kent.’ Toen boog hij zich naar hem over en kuste zijn kruin. Daarna ging de Profeet naar huis. Die woorden van Waraqa vergrootten zijn zelfvertrouwen en namen zijn ongerustheid een beetje weg.
.
Ismā‘īl ibn abī Hakīm, een beschermeling van de familie al-Zubayr bericht dat hem was verteld dat Khadīdja tegen de Profeet zei: ‘Neef, kun je het mij laten weten als die persoon bij je komt?’ Dat zou hij doen. Toen Djibrīl dus bij hem verscheen, zoals hij dat eerder had gedaan, zei de Profeet tegen Khadīdja: ‘Nu is Djibrīl bij mij.’ Ze zei: ‘Kom eens hier, mijn lief, en ga tegen mijn linkerdij aan zitten!’ Dat deed de Profeet, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘Ga nu eens tegen mijn rechterdij aan zitten!’ Dat deed hij, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘En ga nu eens op mijn schoot zitten!’ Dat deed hij; toen vroeg ze: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. Toen ontblootte zij haar hoofd en deed haar sluier af, terwijl de Profeet nog op haar schoot zat, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ Hij antwoordde: ‘Nee.’ Toen zei ze: ‘Mijn lief, houd goede moed en wees blij; want bij God, het is een engel en geen duivel.’
.
Toen ik dit verhaal aan ‘Abdallāh ibn Hasan vertelde zei deze: ‘Ik heb mijn moeder Fātima bint Husayn deze overlevering van Khadīdja horen vertellen, maar zij zei, dat ze de Profeet onder haar hemd had laten komen, en dat Djibrīl daarop was weggegaan, en dat zij toen tegen de Profeet had gezegd: dit is een engel en geen duivel.’

Bron: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 151, 154; Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 Bde., Leiden 1879–1901, i, 1149–52; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 40–44, maar hier heb ik de vertaling verbeterd.

NOTEN
1. Voetnoot van Ibn Hishām: ‘Tahannuth is ‘devotie’.
2. Abū al-Qāsim is een kunya, een andere naam voor Mohammed.
3. Dit zal wel het Griekse woord νόμος (nomos), ‘Wet’ zijn.

Diakritische tekens: Ḥirāʾ, taḥannuth, Ismā‘īl ibn abī Ḥakīm, Ḥasan, Fāṭima bint Ḥusayn, Al-Ṭabarī

Terug naar Inhoud