André Aciman, Uit Egypte (bespreking)

André Aciman, Uit Egypte. Herinneringen. Uit het Engels vertaald door Babet Mossel, Meulenhoff, 1994.

Herinneringen, luidt de ondertitel van dit boek. Het zullen wel Acimans eigen familie en jeugd zijn die hij zich als ik-verteller herinnert, maar hij heeft zoveel talent voor fictie dat hij er een schitterende roman van heeft gemaakt. In dit epos van een joodse familie in Alexandrië is het ene personage nog schilderachtiger dan het andere. Oudoom Vili bij voorbeeld, een fascistische Italiaanse macho die tevens spioneert voor de Engelsen; of tante Elsa, die bij nadering van de oorlog haar winkeltje in religieuze artikelen in Lourdes had moeten opgeven. Ontroerend is de moeder van de verteller, die doof is en in een merkwaardige symbiose leeft met haar zoontje, dat haar tot oren dient.
Familieromans beschrijven dikwijls de opkomst en de ondergang van een geslacht. Dat is ook hier het geval, maar het schema wordt doorkruist door de regelmaat van de verdrijving van de joden. Uit Egypte is meer dan een familieroman: het is ook een roman van de joodse diaspora. De familie sprak vanouds Spaans en was in het Ottomaanse rijk neergestreken, waar zij zich ook van het Turks, Grieks, Italiaans en Frans bediende. Vandaar waren ze in Alexandrië terechtgekomen, maar daar was het in 1964 abattoir, zoals de uitdrukking in de familie luidde als de pleuris weer eens uitbrak. Voor Levantijnse joden betekende dat niet een slachting zoals de Nazi’s hebben aangericht. In Acimans universum wordt een jood gemiddeld eens per kwart eeuw gedwongen zijn koffers te pakken, en als het in een joods huis naar verse leren koffers ruikt heet het: ça sent l’abattoir.
Aan de vooravond van het gedwongen vertrek uit Egypte is het seider-avond, de avond waarop joden traditioneel hun uittocht uit Egypte gedenken. Bij de nog levende leden van deze familie gaat het gedenken niet van harte: ze zijn nauwelijks religieus, niemand kent de liturgie meer, en bovenal: niemand wil weg! Het betreft hier immers geassimileerde joden uit de bourgeoisie, die zich gevaarlijk thuis waren gaan voelen in een oude wereld waar ze bij dachten te horen omdat zij nergens anders bijhoorden. Pesterijen, onteigeningen en tenslotte de verbanning dwingen hen, weer joods te zijn.
De verteller wilde als jongetje ambassadeur worden; een pijnlijk verlangen voor iemand die burger van geen enkel land is. Door wat hij vertelt wordt hij echter een glansrijk ambassadeur van het vroegere, kosmopolitische Alexandrië; een wereld waar de vrouwen Fortunée Lombroso heetten of Marie Cantacouzenos, en waar de namen van de tramhaltes nog menigeen in vervoering brengen: Glymenopoulo, Camp de César, Ibrahimieh. Er bestaat een rijke Alexandrië-literatuur; Aciman toont discreet dat hij daarmee vertrouwd is, maar gelukkig kent hij zijn stad te goed en is hij een te groot schrijver om andermans teksten nodig te hebben. Ook onder de Alexandrië-literatuur verdient Uit Egypte een ereplaats. Een driedubbele prachtroman, die mede dankzij de uitstekende vertaling in één ruk is uit te lezen.

Gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 16 februari 1996.

Terug naar Inhoud