De duivelsverzen (vertaalde tekst)

(Hoort bij het artikel Duivelsverzen)

De profeet hield het welzijn van zijn stam voor ogen en wilde toenadering tot hen op elke mogelijke manier.
Yazīd ibn Ziyād al-Madanī levert over van Muhammad ibn Ka‘b de Qurayziet: Toen de profeet zag dat zijn stamgenoten zich van hem afwendden en het moeilijk vond om aan te zien hoe zij afstand namen van de boodschap die hij hun van God overbracht, wenste hij dat er van God iets zou komen wat toenadering teweeg zou brengen. Met al zijn liefde en zorg voor zijn stam had het hem plezier gedaan als hij de hardheid die hij van hen ondervond wat had kunnen matigen; daarover dacht hij na en hij wenste het vurig. En toen God openbaarde: وَالنَّجْمِ إِذَا هَوَى مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَى وَمَا يَنْطِقُ عَنِ الْهَوَى Bij de ster als hij ondergaat: uw gezel dwaalt niet en is niet misleid, en hij spreekt niet naar eigen lust, [53:1–3] en hij bij de woorden kwam: أَفَرَأَيْتُمُ اللَّاتَ وَالْعُزَّى وَمَنَاةَ الثَّالِثَةَ الْأُخْرَى Ziet u al-Lāt en al-‘Uzzā, en Manāt, de derde, de andere? [53:19–20] legde de Satan hem, op grond van zijn eigen gedachten en wens, de volgende woorden in de mond: تلك الغرانيق العلى وإن شفاعتهنّ لَتُرتجى ‘Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt.’.
Toen de Qurayshieten dit hoorden waren zij blij en het beviel hun zeer dat hun godinnen erin vermeld werden. Zij luisterden naar hem, terwijl de gelovigen, die geloof hechtten aan de boodschap die hun profeet bracht van hun Heer, hem niet van fouten, waanideeën, of misstappen verdachten. Toen hij bij de teraardewerping kwam, aan het eind van de soera, wierp hij zich ter aarde en de moslims deden het hem na, omdat zij geloof hechtten aan de boodschap van hun profeet en hem volgden. De heidenen uit Quraysh en anderen die in het bedeoord waren deden dat ook, omdat zij hun godinnen hadden horen noemen. Er bleef niemand in de moskee, gelovige of ongelovige, die zich niet ter aarde wierp, behalve Walīd ibn Mughīra, die zo oud was dat hij het niet meer kon, maar die nam een handvol grind en boog zich daarover. Daarop verlieten de mensen het bedeoord en gingen uiteen. Ook de Qurayshieten gingen weg, blij dat zij hun godinnen hadden horen noemen, en zeiden: ‘Mohammed heeft onze goden op de best mogelijke manier vermeld en hij heeft in zijn reciet gezegd: “Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt.”.’
Het nieuws van deze teraardewerping bereikte de gezellen van de profeet die in Ethiopië waren, en er werd al gezegd dat Quraysh tot de islam was overgegaan. Sommigen van hen maakten aanstalten om terug te keren, anderen wilden nog blijven.
Toen kwam Djibrīl bij de profeet en zei: ‘Mohammed, wat heb je gedaan? Je hebt de mensen iets gereciteerd wat ik je niet heb overgebracht van God, en je hebt iets gezegd wat hij niet tegen jou gezegd heeft!’ Toen werd de profeet zeer bedroefd en vreesde God zeer, maar God zond een openbaring neer, want hij had erbarmen met hem, om hem te troosten en de zaak te vergemakkelijken. Daarin liet hij hem weten dat er vóór hem geen profeet of gezant was geweest die iets wenste of begeerde zonder dat de Satan hem iets naar zijn wens in de mond had gelegd, zoals hij dat nu bij de profeet had gedaan, en zonder dat God daarna had afgeschaft wat de Satan hem had ingegeven en zijn verzen had vastgesteld; met andere woorden: dat het hem net zo verging als sommige andere profeten en gezanten, en hij openbaarde: وَمَا أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ مِنْ رَسُولٍ وَلَا نَبِيٍّ إِلَّا إِذَا تَمَنَّى أَلْقَى الشَّيْطَانُ فِي أُمْنِيَّتِهِ فَيَنْسَخُ اللَّهُ مَا يُلْقِي الشَّيْطَانُ ثُمَّ يُحْكِمُ اللَّهُ آيَاتِهِ وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ Wij hebben vóór jou geen gezant of profeet gezonden zonder dat de Satan, als hij iets wenste, hem iets naar zijn wens in de mond legde. Maar God schaft af wat Satan ingeeft; dan stelt God Zijn verzen vast. God is wetend en wijs. (koran 22:52)
Zo nam God de droefheid van zijn profeet weg, stelde hem gerust over wat hij had gevreesd en schafte af wat de Satan hem in de mond had gelegd, namelijk dat van hun godinnen, die verheven kraanvogels op welker voorspraak werd gehoopt. Hij liet nu op Lāt en ‘Uzzā en Manāt, de derde, de andere de woorden volgen: أَلَكُمُ الذَّكَرُ وَلَهُ الْأُنْثَى تِلْكَ إِذًا قِسْمَةٌ ضِيزَى إِنْ هِيَ إِلَّا أَسْمَاءٌ سَمَّيْتُمُوهَا أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمْ Hebt u dan de mannelijke en Hij de vrouwelijke [kinderen]? Dat is een onrechtvaardige verdeling! Het zijn slechts namen, die u en uw vaderen gegeven hebt, tot aan: […] لِمَنْ يَشَاءُ وَيَرْضَى aan wie Hij wil en met wie Hij tevreden is. (k. 53:21–26)—dat wil zeggen: hoe kan de voorspraak van jullie godinnen bij Hem dan ergens goed voor zijn?
Toen de openbaring kwam die de influistering van de Satan aan de profeet afschafte zei Quraysh: ‘Mohammed heeft spijt gekregen van wat hij heeft gezegd over de positie van onze godinnen bij God; hij heeft het veranderd en is met iets anders gekomen.’ De twee zinnen die Satan de profeet in de mond had gelegd waren op ieders lip, en nu werden de heidenen nog kwaadaardiger en gewelddadiger tegen de moslims en volgelingen van de profeet.
De gezellen van de profeet, die Ethiopië hadden verlaten op het gerucht dat de Mekkanen tot de islam waren overgegaan door zich samen met de profeet ter aarde te werpen, waren al dicht bij Mekka toen zij hoorden dat het bericht onjuist was. Geen van hen kwam Mekka binnen dan hetzij met hulp van een beschermer, hetzij heimelijk. Onder degenen die naar Mekka kwamen en daar bleven tot zij emigreerden naar Medina waren uit de stam ‘Abd Shams: ‘Uthmān ibn ‘Affān met zijn vrouw Ruqayya, de dochter van de profeet, Abū Ḥudhayfa ibn ‘Utba met zijn vrouw Sahla bint Suhayl, en een aantal anderen, in totaal drieëndertig personen.

Bron: al-Ṭabarī, Taʾrīkh al-mulūk wal-rusul, uitg. M.J. de Goeje e.a., Leiden 1890 ff, i, 1192–5; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 71–74.

Diacritische tekens: Muḥammad ibn Ka‘b de Qurayẓiet, al-ʿUzzā

Hoort bij het artikel Duivelsverzen         Terug  naar Inhoud