Beschaafde correspondentie, 900 na Chr.

Al-Washshā’ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitab al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de bovenlaag in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafāʾ, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Een apart hoofdstuk geeft enige proefjes uit beschaafde correspondentie, vooral tussen ambetenaren. Al-Washshā’ heeft daarover ook nog een apart boek geschreven, dat in handschrift is bewaard.
In hun brieven schrijven de ‘verfijnden’ elkaar graag op de jammertoon van in de steek gelaten geliefden. Waren zij allemaal homoseksueel? Vast niet; bovendien is de vraag waarschijnlijk zinloos voor een zo andere maatschappij dan de onze. Men cultiveerde denk ik innige contacten met mannelijke vrienden omdat een man niet bevriend kon zijn met een vrouw en bij haar zijn emoties niet kwijt kon. De gedachtenwereld van de hoofse liefde gold als voornaam.

Hoofdstuk 36. Keuze van zinsneden uit beschaafde correspondenties en van geestrijke verwijten, zoals verfijnde mensen die cultiveren
Al-Waddāh ibn Thābit de ambtenaar heeft mij verteld: Ik was bij een collega toen er een huisslavin binnenkwam, zo mooi als de maan, wiegelend van gang alsof ze een djinn was of een frisse twijg van een bān-boom. Toen zij voor ons stond sprak ze: Mijn meesteres laat u groeten en zegt: ‘Mijn vriend, je bent hard voor me geweest, hoewel ik dat niet verdiende, en je hebt je niet gehouden aan de regels voor verfijnd gedrag. Ik heb nog steeds vertrouwen in je vriendschap en hoop dat je me trouw blijft. Het vervullen van iemands hoop staat je beter dan zo gereserveerd te bijven.’
Hij antwoordde: Doe haar de groeten terug, en zeg: ‘Vriendin, je kunt van mijn genegenheid nog altijd zeker zijn. Ik hoop vele malen meer jou te zien dan jij mij. Wij missen je; schenk ons nu het geluk van je gezelschap.’
Ik vroeg hem naar die vrouw en hij zei: Dat is de slavin van de dichter Alī ibn Djahm.

Muhammad ibn Ibrāhīm al-Hamdānī heeft mij bericht: Een beschermeling van Muhammad ibn Abdallāh ibn Tāhir heeft gezegd: Ik heb eens een briefje gelezen van mijn meester aan een van zijn vrienden: ‘Amice, aanvankelijk had je je hand in genegenheid uitgestrekt, en wij waren er dankbaar voor. Vervolgens ben je enigszins onheus tegen ons geweest, en wij hebben het je vergeven. Maar nu past het je beter terug te keren naar loffelijke genegenheid dan te blijven bij afkeurenswaardige vervreemding.’

Een verfijnd man schreef eens aan een vriend van hem: ‘Moge God je met perfecte manieren versterken en doen afzien van onheusheid, en moge Hij het einde van je boosheid doen overgaan in het begin van je welgevallen.’

Een ontwikkeld man schreef aan een vriend om hem de onheusheid te verwijten die hij van hem had ondervonden: ‘Voor iemand die is doorkneed in schitterende wijsheidsspreuken en bezield is van de hoogste aspiraties, is het geen manier, afspraken met een vriend met weigerachtigheid te bejegenen. De plichten die op hem rusten verdwijnen niet vanzelf, noch ontslaan de wisselvalligheden van zijn lot hem van het nakomen ervan. Gegroet.’

Een ander schreef aan een vriend: ‘Eerst hebt ge ons onvoorwaardelijk gemocht; daarop hebt ge ons zonder reden lang gemeden. Uw aanvankelijke vriendschap had ons hoop gegeven; nu heeft het einde van uw trouw ons tot wanhoop gedreven. Geprezen zij Hij die, als Hij wilde, u een scherp inzicht in onze toestand zou verlenen, zonder de geringste twijfel. Dan zouden wij óf bij elkaar blijven, óf met ruzie uiteengaan. Gegroet.’

Sa‘īd ibn Humayd schreef aan een ambtenaar: ‘Ik heb gehoord dat het in uw gezelschap goed toeven is. Bij uw voortreffelijkheid is dat voor mij niet verrassend; van iemand zo loyaal als gij is dat niet vreemd. Nee, het is slechts een weinigje dat in verbinding staat met veel meer, een kleinigheid waarop iets groters volgt, totdat het alles is samengekomen in een hart waarin genegenheid jegens u woont, en in een nek die zich buigt in gehoorzaamheid aan u. Geen hunner wensen kan groter zijn, geen verlangen sterker dan dat ge lang in welzijn leven moge. Gegroet.’

Een ambtenaar schreef aan een vriend: ‘Zonder af te laten prijs ik jouw inzicht in de gevolgen van je handelen, dat ik even hoog acht als je trouw, zodat in mijn hart een genegenheid voor jou is gegroeid, die mij gehoorzaam maakt, en mij zeker maakt van jouw instemming wanneer ik verwijten tot je richt. In mijn overweldigende liefde wens ik niets anders dan de weg te vinden om jou tevreden te stellen. Mijn liefde voor jou maak ik slechts tot pleitbezorger tegen jou in de hoop dat zij jou bijstaat tegen mij. Hoe perfect heb je mij tot slaaf gemaakt, met je lofwaardige eigenschappen en het vooruitzicht op schitterend profijt! Daarom zeg ik:

  • Daar ik jou liefheb houdt een wachter mij in het oog,
    die mij altijd weer naar jou geleidt, of jij dat wilt of niet.
    Mijn liefde is niet op een onterechte plek
    mijn liefde is waar jij eens hebt bemind.
    Mijn tong is aan wat jij doet verpand,
    mijn mening vastgeketend aan wat jij wezenlijk vindt.
    Steeds ben je mij een hulp, met goede raad van een verwant,
    op de manier van mensen met verstand.

Al-Hasan ibn Wahb schreef aan de vizier Muhammad ibn ʿAbd al-Malik al-Zayyāt: ‘God verlene mij dat u leeft; mijn vreugde als ik u zie evenaart mijn verlangen naar u wanneer ik u niet zie; mijn denken aan u in uw afwezigheid weegt op tegen mijn genegenheid voor u als u aanwezig bent. Ik ben zuiver van reputatie, onbesmet en onveranderd. Vergun mij daarom van uw genegenheid een wolk vol regen, kostelijk om te drinken, en wees zoals ik, want bij God, nooit heb ik mij van u verwijderd tenzij om tot u terug te keren als uw onderdanige dienaar. Gegroet.’
Muḥammad schreef terug: ‘Mijn vriend, nog steeds koester ik genegenheid voor u, en ik heb mijn vriendschap niet laten varen. Ik heb mijn ziel noch tot terughouding aangespoord, noch van haar meer genegenheid jegens u willen vergen. Uw persoon staat mij bestendig voor ogen; slechts zelden is mijn hart vrij van gedachten aan u. Hoe voortreffelijk heeft de dichter gezegd:

  • Bij God die, zo Hij gewild had, geen afstand had geschapen:
    als jij uit mijn oog bent ben je niet uit mijn hart!
    Het verlangen maakt mij jou indachtig; het lijkt alsof ik
    met je spreek onder vier ogen, al ben je ver van mij.’

Een ambtenaar schreef aan een vriend van hem, die zich afwijzend had betoond: ‘Mijn heer, u had mij onderworpenheid opgelegd, mij van de sluimer beroofd en in mijn borst een vuur doen ontvlammen. Maar vervolgens hebt u mij verlaten en mij in de armen van de vijand gedreven, verstoken van iedere troost. U hebt mij uit de hemel laten vallen, alsof ik iemand ben die in de liefde ontrouw is geworden, die een verbond verbroken heeft of zijn woord niet heeft gehouden, die zich heeft afgewend, een eed heeft geschonden, ondankbaar is geweest voor een weldaad of een vroeger gunstbewijs gering heeft geacht. Mijn heer, hoewel mijn ziel zich altijd bezorgd om u heeft betoond en mijn oog zich geen slaap heeft gegund, hebt u de loffelijke trouw laten varen en hebt u, zonder verwijtbaar gedrag mijnerzijds dat een bestraffing had verdiend, zonder aanleiding van gekwetste genegenheid, zich verwijderd van uw dienaar, die onrecht is aangedaan, maar die geacht wordt door eigen schuld ten val te komen, aan zijn eigen zonde te gronde te gaan, wiens overtreding op hem zelf terugvalt en wiens misstappen hem blijven aankleven.
Mijn heer, een geringe onheusheid uwerzijds en uw afgewende blik hebben mij gestort in zeeën van smart, waarin men door liefdesverlangen en kommer verdrinkt. Ik wend mij tot u met een tong die buiten staat is te spreken, ik schrijf u met een hand die geen pen meer kan voeren, ik fluister u toe met een respectvol hart, u voor mij ziende ook al bent u er niet, als een waanzinnig verliefde, als het slachtoffer van zijn eigen hardnekkigheid, met als enige bondgenoot zijn radeloosheid.
Mijn heer, iedere kwelling, iedere nieuwe pijn of lang vertrouwd wegkwijnen komt voort uit liefde voor u. U te blijven beminnen is een lichte taak. Maar de weg tot de vreugde is moeizaam en de paden naar heilzame zielenrust zijn schier onbegaanbaar. Overweldigend is de dorst en ver de waterplaats; vertroosting is er nauwelijks, dit uit te houden is onmogelijk. Vaste besluiten zijn ingezakt, inzichten ijdel gebleken. Duurzaam is slechts de liefde, die het ingewand van uw dienaar beheerst. Aan u ontkomen kan hij niet, van u wegvluchten is onmogelijk, ongeacht uw toorn of welgevallen. Mijn heer, de hervatting van loffelijk gedrag is eerder een nieuwe genade dan een terugkeer naar de oude. Lankmoedig herstel van het contact is voor een meester passender dan een volgehouden vervreemding, die afbreuk doet aan zijn intentie en niet strookt met zijn karakter. Mijn voorspraak bij u, waarvan ik resultaat verhoop, is mijn nederigheid. Dat ik bescherming zoek bij u, gehoorzaam voor u neerzink en deemoedig en verward bekennend voor u sta, dat is mijn beste pleitbezorger, en wat u van mijn zaak ook denkt, u bent de edelmoedigste meester. Hij verwacht op dit schrijven een geruststellend antwoord, dat hem opnieuw in uw gunst zal brengen. Vervul zijn vurige hoop, bewijs eer aan zijn geschenk, houd hem in leven, zie af van uw hardvochtigheid en geef hem voor altijd zijn geluk terug. Gegroet!’

Zie van al-Washshā’ ook: Eten en drinkenBaden e.a..

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 151–154. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 377–380. Secundair: Wim Raven, art. al-Washshāʾ in EI2.         Tag: al-Washsha

Diacritische tekens: ẓurafāʾ, ẓarīf, al-Waḍḍāḥ, Muḥammad ibn ʿAbdallāh ibn Ṭāhir, Saʿīd ibn Ḥumayd, al-Ḥasan ibn Wahb, Muḥammad ibn ʿAbd al-Malik

Terug naar Inhoud