Het loon der martelaren

🇩🇪 Een tegenwoordig wijd verbreide overtuiging is dat iedere martelaar dadelijk na zijn dood naar het paradijs gaat, waar tweeënzeventig hoeri’s hem opwachten. Maher Jarrar1 heeft het verband tussen martelaarsdood en hoeri’s laten zien in Tradities van de profeet (hadith) die verzameld zijn in het Kitāb al-Djihād van ‘Abdallāh ibn al-Mubārak (736–797). Deze gaan grotendeels niet met een correcte overleveringsketen (isnād) terug tot de profeet en hebben dus voor moslims geen groot gezag. Toch hebben deze en dergelijke teksten door de eeuwen heen mannen aan het dromen gezet over hemelse bruiden voor dappere strijders, zelfs in tijden dat er geen oorlog in de buurt was. Soms lonken de hoeri’s zelfs al op het slagveld.
Maar het is niet uitgesloten dat de strijders na hun dood van een koude kermis thuis zullen komen. De Koran blijft vaag over de beloning, zeker over het hoe en wanneer, en de koranuitleg en de hadithen die door moslims algemeen als correct aanvaard worden zijn er niet eenstemmig over.
De gedachte dat martelaren na hun dood regelrecht naar het paradijs gaan is zeker oud, zoals blijkt uit een passage bij Ibn Ishāq. Daarin bewonderen de moslims het goudbrokaten gewaad van een verslagen koninkje, waarop de Profeet zegt:

  • “Vinden jullie dat zo mooi? Bij Hem, in wiens hand mijn leven is, de servetten van Sa‘d ibn Mu‘ādh in het paradijs zijn veel mooier!”2

Saʿd was een martelaar, want hij was kort tevoren aan een oorlogsverwonding gestorven. Van hoeri’s is in deze tekst geen sprake; Saʿd wordt voorgesteld als iemand die op dat ogenblik van een feestmaal geniet.
Zayd ibn Hāritha, de adoptiefzoon van de profeet, sneuvelde in 629 in de slag bij Mu’ta, en voor hem werd er in het paradijs wel een mooi meisje gereed gehouden. Volgens het verhaal over de hemelreis verkreeg de profeet daarvan namelijk voorkennis bij zijn bezoek aldaar. Of Zayd dat meisje dadelijk na zijn dood zou krijgen vermeldt de historie niet.

  • Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’
    Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.3

In de bij moslims meest gezaghebbende Hadithliteratuur komen bij mijn weten die tweeënzeventig hoeri’s alleen voor in de volgende tekst:

  • De profeet heeft gezegd: “Een martelaar heeft zes verdiensten bij God: hem wordt vergiffenis geschonken bij de eerste gulp bloed, hem wordt zijn plek in het paradijs getoond,4 hij wordt beschermd voor de kwelling in het graf, hij is veilig voor de allergrootste schrik,5 op zijn hoofd wordt de kroon der waardigheid geplaatst waarvan de robijn beter is dan deze wereld en wat daarin is, hem worden 72 echtgenotes uit de grootogige hoeri’s gegeven en hij wordt tot voorspraak gemaakt voor zeventig familieleden.”6

Het tijdstip waarop de martelaren met deze hoeri’s zullen worden verenigd blijft onduidelijk. De tekst is een zogenaamde verzameltraditie: er wordt een aantal verdiensten van martelaren opgesomd, zó beknopt dat het vermoeden rijst dat elk van de thema’s ergens anders al uitvoeriger was besproken. Maar in de canonieke hadithverzamelingen zijn die tweeënzeventig hoeri’s verder niet terug te vinden. Wel bestaat er een andere hadith, die omstreeks 800 met een onvolledige isnād, en een halve eeuw later ook met een volledige werd overgeleverd:

  • Toen er eens bij de profeet over martelaren werd gesproken zei hij: “De grond is nog niet droog van het bloed van een martelaar of daar komen zijn beide echtgenotes al aangesneld; het lijken wel kamelinnen die hun jong in een kale vlakte waren kwijtgeraakt. Elk van beide verschijnt in een gewaad dat beter is dan heel deze wereld en wat daarin is.”7

Hier is slechts sprake van twee vrouwen, wier verlangen naar de martelaren wordt vergeleken met het moederinstinct(!) van kamelinnen, maar die in ieder geval onmiddellijk na de martelaarsdood ter beschikking staan.
.
Maar minstens zo verbreid als de Tradities over de onmiddellijke opneming in het paradijs is de opvatting dat martelaren na hun dood daar niet dadelijk heen gaan. “De martelaren zijn in een groene ronde tent aan de Bāriq,” heet het al bij Ibn Ishāq, “een rivier bij de poort van het paradijs, en hun levensonderhoud krijgen ze ’s ochtends en ’s avonds uit het paradijs.”8 Het lijkt een soort tussenstation, een plek om te wachten tot het jongste gericht. In deze voorstelling bestaat het paradijs al wel, maar het is nog niet toegankelijk. De koranexegeet al-Tabarī weet het precies: “Zij zijn bij hun Heer, zij worden gevoed met de vruchten uit het paradijs en de wind daarvandaan worden zij gewaar, maar ze zijn er niet in.” Wat zuinigjes merkt hij nog op: “Hun privilege in de ‘tussentoestand’ (barzakh) is, dat zij met paradijsvoedsel worden gevoed, dat vóór de opstanding aan niemand anders te eten zal worden gegeven dan aan hen.”9
Al-Tabarī’s opvatting wordt ondersteund door de “vogel-hadith”. Deze is in talloze versies met en zonder erkende isnād overgeleverd. Een korte versie luidt:

  • De zielen van de martelaren zijn in de gedaante van witte vogels, die eten van de paradijsvruchten.”10

en een langere, die waarschijnlijk ouder is:

  • Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die opgehangen zijn in de schaduw van Gods troon. Als zij de geur van hun spijs en drank en de plek van hun middagrust ruiken zeggen zij: ‘Wie zal onze broeders berichten dat wij leven en dat wij levensonderhoud krijgen in het paradijs, zodat zij de djihād niet opgeven en niet terugschrikken voor de oorlog?’ Toen zei God: ‘Ik zal hun over jullie berichten,’ en daarop openbaarde Hij: “Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hen geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn.”11

Volgens deze tekst gaan de martelaren dus in of via die vogels wel voedsel zoeken in het paradijs en als ik het goed begrepen heb houden zij er zelfs siësta, maar wonen doen zij er niet. Hun woonplaats is heel dicht bij God; misschien is het daar zelfs beter dan in het paradijs. Hoeri’s vinden ze er niet, en in hun toestand zouden ze daar ook niet naar verlangen.
.
Hoe vergaat het overigens de martelaressen? De Tsjetsjeense terroriste die in 2002 in dat Moskouse theater door de Russische politie is omgebracht kan eventueel daarboven worden verenigd met haar echtgenoot, die ook was gedood. Maar ongetrouwde Palestijnse meisjes, die zich zelf en enkele medemensen opblazen ‘voor Gods zaak’, waarop kunnen die zich verheugen? In een meervoudig bekroonde documentaire film van Dan Setton en Helmar Büchel: In the Name of God. Recruits of the Holy War, wordt kleine Pakistaanse meisjes op school verteld dat martelaressen in het paradijs komen. Er wordt echter niet bij verteld wanneer, en evenmin dat ze daar als gewone gelovigen toch ook terecht zouden komen. Een oudere vrouw in die film verwacht iets specifiekers: zij gelooft dat die 72 hoeri’s haar zullen helpen in het huishouden.
De hadith-literatuur heeft in het geval van vrouwelijke martelaren domweg niet voorzien. Bij een veldslag werden vrouwen geacht water rond te delen en de gewonden op het slagveld te verzorgen. Van de krijgsbuit krijgen zij ook niets; hoogstens een kleine attentie, net als de slaven.12
.
Het loon van de martelaren is dus in de oudste gezaghebbende teksten van de islam niet duidelijk vastgelegd, en dat van de martelaressen nog minder. Vrouwen kunnen hun hoop misschien het best op de ‘vogel­-hadith’ vestigen; die biedt in ieder geval rechtsgelijkheid van man en vrouw.

NOTEN:
1. M. Jarrar, “The martyrdom of passionate lovers. Holy war as a sacred wedding,” in A. Neuwirth et al. (eds.), Myths, historical archetypes and symbolic figures in Arabic literature. Towards a new hermeneutic approach, Beirut 1999, 87–107.
2. Ibn Ishāq (704-767) in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammad Ibn Ishâk, bearbeitet von Abd el-­Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858-60, blz. 903. In de vertaling van A. Guillaume, The Life of Muammad, Oxford 1955, staan de paginacijfers van deze editio princeps in de marge afgedrukt.
3. Ibn Ishāq, o.c., 270; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 86.
4.  Vgl. Koran 47:6, “… de tuin, die Hij hun bekend heeft gemaakt”.
5.  De jongste dag.
6.  Al­-Tirmidhī (825–892), Faḍāʾil al­-Djihād 25; vgl. Aḥmad ibn Ḥanbal (780–855), Musnad iv, 131; Ibn Mādja (824–887), Djihād 16/2799.
7.  ‘Abd al­-Razzāq al­-San‘ānī, Musannaf, Beiroet 1972, 19832, no. 9561.  ‘Abd al-­Razzāq leefde van 744–827; zijn Traditieverzameling is lang onopgemerkt gebleven); Ahmad ibn Hanbal, Musnad ii, 297, 427; Ibn Mādja (824–887), Djihād 16/2798.
8.  Ibn Ishāq, o. c. 605; bij Ahmad ibn Hanbal, Musnad i, 266 is dit een Traditie van de profeet.
9.  Al-Tabarī (839-923), Tafsīr bij Koran 2:154.
10.  ‘Abd al­-Razzāq al­-San‘ānī, Muṣannaf, no. 9553.
11. Abū Dāwūd, Djihād 25, maar reeds in Ibn Ishāq, o. c. 604–5 en Muqātil ibn Sulaymān (gest. 767), Tafsīr, Cairo 1979, i, 314 en in al-Tabarī, Tafsīr bij Koran 3:169–70. De lange versie biedt de aanleiding tot de openbaring van het genoemde koranvers.
12. Muslim, al­-Djihād wal­-siyar, 134–142.

Diacritische tekens: Isḥāq, Ḥāritha, al-Ṭabarī, Uḥud, al­-Ṣanʿānī, Muṣannaf, Aḥmad ibn Ḥanbal

Was ooit afgedrukt in het tijdschrift Zemzem                 Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s