Mohammeds ziekte en dood (vertaalde tekst)

De profeet stuurde Usāma ibn Zayd ibn Hāritha naar Syrië met de opdracht een tocht te ondernemen met de ruiterij door de grensgebieden van Balqā’ en Darūm in Palestina. De mannen maakten zich gereed; alle Eerste Emigranten zouden meegaan.
Tijdens de voorbereidingen voor deze tocht begon de profeet aan de ziekte te lijden waardoor God hem wilde opnemen in zijn heerlijkheid en genade, kort voor het einde van de maand safar of in het begin van rabī‘ al-awwal. Naar verluidt begon het toen hij eens, midden in de nacht, naar de begraafplaats Baqī‘ al-Gharqad ging om voor de doden te bidden. Daarna ging hij terug naar huis en de volgende ochtend begon de pijn.
‘Abdallāh ibn ‘Umar heeft gehoord van ‘Ubayd ibn Djubayr, en deze van ‘Abdallāh ibn Amr, die het had van Abū Muwayhiba, een vrijgelatene van de profeet: De profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden, en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: ‘Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden van duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.’ Daarop wendde hij zich tot mij en zei: ‘Abū Muwayhiba, mij is de keus gegeven tussen de sleutels van de schatkamers van deze wereld, een lang leven hier en daarna het paradijs, óf nu al mijn Heer te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan.’ Ik bezwoer hem dat hij het eerste zou kiezen, maar hij zei dat hij had gekozen, zijn Heer reeds nu te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan. Toen bad hij om vergeving voor de doden, en nadat hij de begraafplaats had verlaten begon de ziekte waardoor God hem tot zich nam.
Ya‘qūb ibn ‘Utba vertelt gehoord te hebben van al-Zuhrī, op gezag van ‘Ubaydallāh ibn ‘Abdallāh, dat Aisha, de vrouw van de profeet, heeft verteld: Toen de profeet terugkwam van de begraafplaats had ik hoofdpijn en ik kreunde: ‘O, mijn hoofd!’
– ‘Nee Aisha,’ zei de profeet, ‘dat kan ik beter zeggen: o mijn hoofd!’ en hij vervolgde:
– ‘Zou het zo erg voor je zijn als jij eerder stierf dan ik? Dan zou ik over je waken, je afleggen, de salāt bij je verrichten en je begraven.’
– ‘Ja, ik zie het voor me,’ antwoordde ik, ‘en als je dat gedaan had zou je zeker weer teruggaan naar mijn huis om hier bruiloft te vieren met een van je andere vrouwen!’
Toen glimlachte de profeet. De pijn werd erger terwijl hij de ronde deed langs zijn vrouwen, en in het huis van Maymūna werd hij er geheel door overmand. Hij riep zijn vrouwen bij elkaar en vroeg hun toestemming om in mijn huis te worden verpleegd. Dat vonden ze goed. De profeet kwam mijn huis binnen terwijl hij steunde op twee mannen uit zijn familie, Fadl ibn ‘Abbās en nog een ander; hij had zijn hoofd in het verband en zijn voeten sleepten over de grond.
(‘Ubaydallāh heeft hierover nog gezegd: Dit verhaal van Aisha vertelde ik aan ‘Abdallāh ibn ‘Abbās en die zei: ‘Weet je wie die andere man was? ‘Alī, maar Aisha kon het niet over zich verkrijgen om iets goeds over hem te zeggen, hoewel ze dat toch best had kunnen doen.’)
Toen de pijnen steeds erger werden zei de profeet: ‘Giet zeven zakken water uit verschillende bronnen over mij heen, zodat ik naar buiten kan om opdrachten te geven.’ Wij zetten hem in een tobbe van Hafsa bint ‘Umar en goten water over hem heen tot hij begon te roepen: ‘Genoeg, genoeg!’
Al-Zuhrī heeft vernomen van Ayyūb ibn Bashīr: De profeet kwam naar buiten met zijn hoofd in het verband en ging op de kansel zitten. Eerst verrichtte hij langdurig salāts voor de gevallenen van Uhud en bad om vergeving voor hen. Daarop zei hij: ‘God heeft een van zijn knechten de keus gegeven tussen deze wereld en het verblijf bij Hem, en die knecht heeft het laatste gekozen.’ Abū Bakr begreep dat hij zichzelf bedoelde en zei huilend: ‘Nee, nee, alstublieft!’ ‘Kalm, Abū Bakr,’ zei de profeet en vervolgde: ‘Let op deze deuren, die uitkomen op de moskee; sluit ze af, behalve die van Abū Bakrs huis, want ik ken geen van mijn gezellen die zo’n grote steun voor mij is als hij.’
‘Abd ar-Rahmān ibn ‘Abdallāh geeft een bericht van iemand uit de familie van Sa‘īd ibn al-Muʿallā: De profeet zei die dag in zijn toespraak: ‘Als ik onder de mensen een vriend kon kiezen, dan zou ik Abū Bakr tot vriend nemen, maar kameraadschap en broederschap in het geloof duren totdat God ons bij zich verenigt.’
Muḥammad ibn Djaʿfar ibn Zubayr heeft gehoord van ‘Urwa ibn Zubayr en andere geleerden: De profeet vond dat de mensen tijdens zijn ziekte niet erg opschoten met de voorbereidingen voor de veldtocht van Usāma ibn Zayd. Daarom kwam hij naar buiten, met een verband om zijn hoofd, en ging op de kansel zitten. Het was namelijk zo dat de mensen kritiek hadden op de benoeming van Usāma tot bevelhebber; ze vonden hem veel te jong om het bevel te voeren over het puik van de Emigranten en de Helpers. Na God naar behoren te hebben geprezen zei de profeet: ‘Mannen, laat Usāma’s veldtocht doorgaan, want al hebben jullie bezwaren tegen zijn bevelhebberschap, zoals voorheen tegen dat van zijn vader, hij is er even geschikt voor als zijn vader.’ Daarop kwam de profeet van de kansel af en de mensen maakten meer haast met hun voorbereidingen. De pijn van de profeet werd heviger, en Usāma trok uit met zijn leger tot Djurf, een uur gaans van Medina. Daar sloegen ze een kamp op en de mensen bleven toestromen. Toen de profeet ernstig ziek werd bleven Usāma en zijn mannen daar om te zien wat God over zijn gezant zou beschikken.
Sa‘īd ibn ‘Ubayd ibn Sabbāq bericht dat Usāma ibn Zayd aan zijn zoon Muḥammad heeft verteld: Toen de profeet ernstig ziek was kwam ik met mijn mannen naar Medina en bracht hem een bezoek. Hij kon toen niet meer spreken; hij begon zijn hand op te heffen ten hemel en liet hem neer op mij, waaruit ik begreep dat hij mij wilde zegenen.
Al-Zuhrī heeft vernomen van ‘Abdallāh ibn Ka‘b ibn Malik: Op dezelfde dag dat de profeet salāts verrichtte en om vergeving bad voor de gevallenen van Uhud zei hij ook: ‘Emigranten, behandelt de Helpers goed, want andere groepen nemen toe in aantal, maar de Helpers niet. Zij zijn mijn steun en toeverlaat geweest. Dus wees goed voor hen als zij goed doen en zie het door de vingers als zij kwaad doen.’ Daarop kwam de profeet van de kansel af en ging naar binnen. Zijn pijn werd nu zo hevig dat hij het bewustzijn verloor.
Enige van zijn vrouwen kwamen op bezoek terwijl ook zijn oom ‘Abbās bij hem was: Umm Salama, en Maymūna en nog een paar. Zij besloten een medicijn bij hem naar binnen te gieten. ‘Abbās zei nog: ‘Laat mij het doen!’ maar de vrouwen deden het. Toen de profeet weer bijkwam vroeg hij wie dat had gedaan, en ze zeiden: ‘Je oom,’ waarop deze zei: ‘Dit is een medicijn dat vrouwen uit dat land hebben meegebracht,’ en hij wees in de richting van Ethiopië. Toen de profeet vroeg waarom ze dat gedaan hadden zei zijn oom: ‘Wij waren bang dat je pleuritis had.’ Hij antwoordde: ‘Dat is een ziekte die God mij niet zou aandoen; laat iedereen in dit huis dat medicijn naar binnen gegoten krijgen, behalve mijn oom.’ Zelfs Maymūna kreeg het opgedrongen, hoewel zij vastte, omdat de profeet het had gezworen, als straf voor wat ze hem hadden aangedaan.
Al-Zuhrī vernam van ‘Ubayd ibn ‘Abdallāh ibn ‘Utba, die het had gehoord van Aisha: Ik heb de profeet dikwijls horen zeggen: ‘God neemt geen profeet tot zich zonder hem de keus te geven.’ Toen de profeet op sterven lag was het laatste dat ik hem hoorde zeggen: ‘Nee, liever de hoogste vriendenschaar in het paradijs.’ Dan kiest hij ons dus niet, dacht ik, en toen begreep ik pas wat die woorden betekenden: dat een profeet niet sterft zonder dat hem de keus is gegeven.
Al-Zuhrī hoorde van Ḥamza ibn ‘Abdallāh, dat Aisha heeft verteld: Toen de profeet zwaar ziek was zei hij: ‘Zeg dat Abū Bakr de mensen voorgaat in de ṣalāt!’
– ‘Profeet,’ antwoordde ik, ‘mijn vader is een gevoelig man met een zwakke stem, en als hij de koran leest huilt hij vaak.’
– ‘Zeg dat Abū Bakr de mensen voorgaat in de ṣalāt!’ zei hij nogmaals, en toen ik mijn bezwaren herhaalde voegde hij eraan toe: ‘Jullie vrouwen zijn net als degenen die Jozef begeerden! Zeg hem dat hij de mensen voorgaat in de ṣalāt!’
Maar ik had die dingen alleen maar gezegd om mijn vader te ontzien, want ik begreep wel dat de mensen nooit zouden houden van een man die de plaats van de profeet innam en dat ze hem de schuld zouden geven van iedere tegenslag, en daarom wilde ik dat hem dat bespaard zou blijven.
Al-Zuhrī bericht ook van ‘Abd al-Malik ibn Abi Bakr ibn ‘Abd al-Rahmān, via diens vader, dat ‘Abdallāh ibn Zam‘a heeft verteld: Toen de profeet zwaar ziek was en ik met enkele anderen bij hem op bezoek was, riep Bilāl hem voor de salāt. De profeet zei tegen mij: ‘Zeg dat iemand anders de mensen voorgaat in de salāt.’ Ik ging dus naar buiten en trof daar ‘Umar aan; Abū Bakr was er niet. Daarom zei ik tegen ‘Umar dat hij moest voorgaan, en dat deed hij. Maar zodra de profeet zijn stem hoorde tijdens het Allāhu akbar—want ‘Umar had een krachtige stem—vroeg hij: ‘Waar is Abū Bakr? Dit willen God en de moslims niet!’ Er werd iemand gestuurd om Abū Bakr te halen, maar toen hij aankwam was ‘Umar al klaar met de salāt. ‘Umar zei tegen mij: ‘Ibn Zam‘a, wat heb je nu gedaan? Ik dacht dat de profeet jou had opgedragen mij dat te zeggen; anders was ik niet voorgegaan.’ ‘Nee,’ zei ik, ‘dat heeft de profeet mij niet opgedragen, maar toen ik Abū Bakr niet kon vinden dacht ik dat u het meeste recht had om voor te gaan.’
Verder bericht al-Zuhrī op gezag van Anas ibn Malik: Toen de maandag was aangebroken waarop God zijn profeet tot zich nam, kwam deze naar buiten terwijl de gelovigen de ochtend-salāt verrichtten. Het gordijn ging omhoog, de deur ging open en de profeet bleef bij de deur van Aisha’s huis staan. Bijna werden de moslims afgeleid van de salāt, zo blij waren ze dat ze hem zagen, en ze begonnen al van hun plaats te gaan, maar hij wenkte hun dat ze door moesten gaan met de salāt. De profeet glimlachte omdat hij het zo’n mooi gezicht vond: al die mensen die de ṣalāt verrichtten, en nog nooit heb ik hem zo stralend zien kijken als op dat ogenblik. Toen ging hij weer naar binnen, de mensen liepen weg, in de gedachte dat de profeet weer beter was, en Abū Bakr ging terug naar zijn gezin in Sunḥ.
Van Muḥammad ibn Ibrāhīm komt het bericht van Qāsim ibn Muḥammad: Toen de profeet tijdens de salāt ‘Umar het Allāhu akbar hoorde roepen zei hij: ‘Waar is Abū Bakr; dit willen God en de moslims niet.’ En de moslims zouden er niet aan twijfelen dat hij met deze woorden Abū Bakr tot opvolger had aangewezen als ‘Umar niet later op zijn sterfbed had gezegd: ‘Als ik een opvolger aanwijs, bedenk dan dat iemand beter dan ik dat ook heeft gedaan, en als ik het aan hen zelf overlaat, bedenk dan dat iemand beter dan ik dat ook heeft gedaan.’ Toen begrepen de mensen pas dat de profeet geen opvolger had aangewezen, en ‘Umar werd er niet van verdacht aangaande Abū Bakr te hebben gelogen.
Abū Bakr ibn ‘Abdallāh ibn Abī Mulayka heeft mij verteld: Op maandagmorgen kwam de profeet buiten met een verband om zijn hoofd en begaf zich naar de salāt, die werd voorgegaan door Abū Bakr. Toen de profeet eraan kwam liepen de mensen van hun plaats, en Abū Bakr begreep dat ze dat alleen om de profeet deden, dus hij ging opzij, maar de profeet duwde hem in zijn rug en zei dat hij moest doorgaan, terwijl hij zelf de salāt zittend verrichtte, rechts van Abū Bakr. Na de salāt richtte hij zich tot de gelovigen en sprak hen toe met zo’n krachtige stem dat het buiten de poort van de moskee te horen was: ‘Mensen, het vuur is opgestookt en de verzoekingen komen als flarden van duistere nacht. Jullie kunnen mij niets ten laste leggen: ik heb alleen geoorloofd verklaard wat de koran geoorloofd heeft verklaard en verboden verklaard wat de koran verboden heeft.’ Toen de profeet deze toespraak had beëindigd zei Abū Bakr: ‘Profeet, ik zie dat God u vandaag zijn gunst en goedheid betoont, zoals wij dat gaarne zien. Nu is het vandaag de dag waarop ik altijd bij Bint Khāridja ben; mag ik naar haar toegaan?’ Dat vond de profeet goed. Hij ging weer naar binnen, en Abū Bakr ging naar zijn gezin in Sunḥ.
Al-Zuhrī heeft verteld: ‘Abdallāh ibn Ka‘b ibn Malik heeft gehoord van ‘Abdallāh ibn ‘Abbās: Toen ‘Alī bij de profeet vandaan kwam werd hem gevraagd hoe het nu met hem ging. ‘Hij is weer beter, God zij dank,’ zei ‘Alī. ‘Abbās greep hem echter bij de hand en zei: ‘ ‘Alī, over drie dagen ben jij de verschoppeling! Ik zweer je bij God: ik heb de dood gezien op het gezicht van de profeet, zoals ik hem vroeger heb herkend bij de zonen van ‘Abd al-Muṭṭalib. Laten we dus naar hem toegaan, en als de macht ons toevalt dan weten we dat, en zo niet, dan vragen we of hij ons bij de mensen wil aanbevelen.’ Maar ‘Alī zei: ‘Nee, dat doe ik niet, want als wij de macht nu niet krijgen, dan zal later zeker niemand ons die geven.’ De profeet stierf op die dag tijdens de middaghitte.

Een bericht van Aisha, tot mij gekomen via ‘Urwa, al-Zuhrī en Ya‘qūb ibn ‘Utba, luidt als volgt: Die dag kwam de profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenborstel in zijn hand had. Uit de manier waarop de profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben, en ik vroeg hem of hij die wilde hebben. ‘Ja,’ zei hij, dus ik gaf hem de tandenborstel, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde, en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. ‘Ja,’ zei hij nog, ‘de hoogste vriendenschaar in het paradijs!’ Ik zei: ‘Bij hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.’ Toen gaf hij de geest.
Yaḥyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn Zubayr vertelt dat zijn vader Aisha heeft horen zeggen: De profeet stierf aan mijn borst; het was mijn beurt en ik heb daar niemand onrecht mee aangedaan. Het kwam door mijn onervarenheid en mijn jonge leeftijd dat hij aan mijn borst stierf. Ik legde zijn hoofd op een kussen en begon mij op de borst en in het gezicht te slaan, samen met de andere vrouwen.

Al-Zuhrī hoorde van Saʿīd ibn Musayyab, die het had van Abū Hurayra: Toen de profeet was gestorven stond ‘Umar op en nam het woord: ‘Sommige Halfhartigen beweren dat de profeet is gestorven. Maar hij is niet gestorven: hij is naar zijn Heer gegaan, zoals Mūsā, die veertig dagen is weggebleven van zijn volk en daarna is teruggekeerd, nadat men al gezegd had dat hij gestorven was. Bij God, de profeet zal terugkeren zoals Mūsā en degenen die beweren dat hij is gestorven zal hij de handen en voeten laten afhakken.’
Toen Abū Bakr hoorde dat ‘Umar een toespraak hield begaf hij zich naar de poort van de moskee, en zonder ergens acht op te slaan liep hij door naar het huis van Aisha, waar de profeet lag opgebaard onder een mantel van Jemenitische stof. Hij lichtte de mantel op, kuste zijn gezicht en zei: ‘U die mij dierbaarder bent dan mijn vader en moeder, u hebt de dood gesmaakt die God voor u heeft beschikt, en een tweede dood zal u niet treffen.’ Daarop legde hij de mantel terug en ging naar buiten, waar ‘Umar nog steeds de mensen toesprak. ‘Stil ‘Umar, houd je mond,’ zei hij. Maar ‘Umar praatte gewoon door. Toen richtte Abū Bakr zelf het woord tot de gelovigen, en zodra ze zijn woorden hoorden liepen ze bij ‘Umar weg en kwamen naar hem luisteren. Na de lofprijzing zei hij: ‘Mensen, als iemand Mohammed aanbidt: Mohammed is dood, maar als iemand God aanbidt: God leeft en zal niet sterven.’ Vervolgens droeg hij het koranvers voor: “Mohammed is slechts een gezant; gezanten vóór hem zijn heengegaan. Als hij sterft of gedood wordt, zult u dan op uw schreden terugkeren? Wie op zijn schreden terugkeert, die zal aan God geen schade doen. Maar de dankbaren zal God belonen.” [k. 3:44]
Bij God, het was alsof de gelovigen niet wisten dat dit vers was geopenbaard tot Abū Bakr het hun op die dag voordroeg. Zij namen het vers van hem over en het was op ieders lip. ‘Umar zei later: ‘Bij God, nauwelijks had ik Abū Bakr dit vers horen voordragen of ik raakte volkomen in de war, mijn benen konden mij niet meer dragen en ik viel op de grond. Nu wist ik dat de profeet werkelijk gestorven was.’

Toen de profeet gestorven was, waren de moslims diep terneergeslagen. Naar ik verneem heeft Aisha gezegd: Toen de profeet was gestorven, werden de Arabieren afvallig, staken christendom en jodendom de kop weer op en trad de halfhartigheid aan het licht. De moslims waren als schapen in de regen op een winternacht nu zij de profeet verloren hadden, totdat God hen verenigde onder Abū Bakr.

Bron: Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 999–1013 (verkort); Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 243–251.

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s