Elias Khoury, Jalo (bespreking)

Elias Khoury, Jalo. Vertaald uit het Arabisch (Libanees) door Richard van Leeuwen. Ambo, 2002. ( بالو ،إلياس خوري)

In deze Arabische roman komt, anders dan de achterflap vermeldt, geen Palestijnse gevangenis voor. Ook de Islam is ditmaal nergens te bekennen. Het verhaal speelt zich af in het christelijke deel van Libanon, kort na de burgeroorlog, in de jaren negentig.
De jongeman Jalo moet wat zeggen. Hij staat tegenover de politieman die hem ondervraagt, in elkaar slaat en bij herhaling zwaar laat folteren. In zo’n situatie is het nooit goed wat je zegt, maar Jalo krijgt het extra moeilijk. Hij heeft een moeizame verhouding tot woorden. Het stotteren dat hij als kind gedaan had was overgegaan toen hij als jongen tot een militie was toegetreden en een machinegeweer hanteerde, maar nu hij voor zijn folteraar staat willen de woorden opnieuw niet komen. Bovendien is hij opgegroeid in een omgeving waar over zaken van belang hardnekkig werd gezwegen. Een taal die helemaal van hem zelf is heeft hij evenmin. De enige taal die hij spreekt is Arabisch; op school was hij er zelfs goed in. Maar zijn moedertaal zou echter, naar zijn eigen gevoel, het Syrisch-Aramees of Assyrisch moeten zijn – de taal van de kerk waaruit hij stamt, die eens door miljoenen christenen in het Nabije Oosten werd gesproken, maar nu op sterven na dood is. Jalo kent alleen losse flarden Assyrisch, maar al zijn emoties lijken juist met die taal samen te hangen.
Wat willen ze van hem horen? Hij moet verantwoording afleggen over een reeks berovingen en verkrachtingen, en hij wordt ervan verdacht de explosieven van een bende bommenleggers in zijn woninkje te hebben verborgen. Onder druk van de folteringen eigent hij zich deze laatste schuld toe, juist als de politie ontdekt dat hij er niets mee te maken heeft. Het andere is grotendeels waar. In Jalo’s door de oorlog gewonde geest lopen echter zijn daden, fantasieën, wensdromen en jeugdherinneringen chaotisch door elkaar. Hij slaat aanvankelijk zo’n hoop onzin uit, dat zelfs de welwillendste ondervrager er niet uit wijs was geworden. De lezer krijgt het ook niet makkelijk, maar heeft tenminste het voordeel, Jalo’s innerlijke monologen te kunnen beluisteren.
De laatste foltering is, dat hij in de cel zijn leven moet neerschrijven. Dat kan hij niet, hij verscheurt het ene vel na het andere, maar onder de zware pressie leert hij het toch. Al schrijvend leert Jalo zich zelf kennen, en ook de lezer begrijpt op den duur iets meer van hem, want die krijgt alle versies te lezen. Een queeste naar de eigen identiteit is in de romankunst al vaker vertoond. In dit geval wordt het extra spannend omdat het levensbericht niet echt mág zijn. Het ‘publiek’ verlangt enerzijds een valse bekentenis, verwacht anderzijds een kort en duidelijk resumé, zonder zielenroerselen en een ingewikkelde familiegeschiedenis. Maar Jalo is te naïef en te waarheidlievend; hij neemt de opdracht te serieus. De politiefunctionaris vertrapt het manuscript vol verachting. Als Jalo uiteindelijk tot tien jaar wordt veroordeeld schrijft hij in de gevangenis verder. Hij heeft zijn roeping gevonden, hij is een schrijver geworden.
Khoury wordt soms verweten, dat hij zijn lezers te veel raadsels opgeeft. Ook nu moet er flink gepuzzeld worden, maar dat stoort niet, want het is functioneel. Behalve een uitstekende schrijfstijl biedt Khoury via Jalo’s zoektocht een steeds scherper beeld van een kleingeestige christelijk-Libanese samenleving, van de burgeroorlog, en van de ontreddering die deze teweeg heeft gebracht.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 10 september 2004.

Terug naar Inhoud