Vrouwen van Beiroet (boekbesprekingen)

Liana Badr, Het oog van de spiegel. Vertaald door Ronald Kon. Uitg. Goossens/Manteau, 1996. ليانة بدر،عين المرآة
Hoda Barakat, De lachsteen. Vertaald door Richard van Leeuwen. Uitg. Goossens/Manteau, 1996. هدى بركات ، حجر الضحك
Vénus Khoury-Ghata, De maîtresse. Roman. Vertaald (uit het Frans) door Mirjam de Veth. Uitg. Van Gennep-Novib-NCOS, 1996.
Hanaan as-Sjaikh, Het verhaal van Zahra. Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga. De Geus/EPO, 1995.  حنان الشيخ،  حكاية زهرة

De oorlog in Libanon is voorbij, schijnt het. Er zijn heel wat naweeën: Israel houdt land bezet, de Syrische bezetting wil men liever kwijt, en de gezindheid van de Hezbollah is twijfelachtig. Toch doet iedereen alsof Libanon een normaal land is. Je kunt weer gewoon rondlopen in Beiroet, en het is niet eens onveilig om te voet te gaan door de vage terreinen, ruïnevelden en sloppen die zich uitstrekken tussen de betere wijken. Nu het grote schieten is opgehouden lijkt dit land even mercantiel en zachtaardig als voor de oorlog. Het kost enige moeite te beseffen dat die alledaagse dertiger op straat een paar jaar geleden nog partij-ideoloog was van een sinistere jongensclub, of gijzelnemer, sluipschutter op een dak of gewoon moordenaar op de grond.
De glitter en het goud zijn nog niet terug. Er zijn wel marmeren winkelcentra en dure restaurants, maar de klanten ontbreken. De hoofdstraat van Beiroet werd van de zomer wat opgefleurd door het Hamra Festival, dat veel weg had van een braderie in een Nederlandse provinciestad. De grootste attractie was het optreden van een plaatselijke grungy muziekgroep, waarbij zelfs enkele pubers, aarzelend als beginnende zwemmers, aanstalten maakten om het publiek in te diven. Mijn stijl is het niet, maar het helpt waarschijnlijk tegen godsdienst. Een middelgroot vuurwerk besloot het feest, en de ooh’s en aah’s klonken met een enthousiasme alsof het publiek nog nooit zoiets had meegemaakt. Waren de mensen al vergeten dat zij jarenlang avond aan avond knallen hadden gehoord en lichtflitsen hadden gezien?
Beiroet is nog altijd de hoofdstad van het Arabische boek. Er zijn naar verluidt meer dan honderd uitgeverijen, die de hele Arabische wereld van lectuur en literatuur voorzien. Tijdens de verbouwing is de verkoop gewoon doorgegaan, in de vorm van export, maar de plaatselijke boekwinkels zijn ronduit armzalig. Misschien hebben de mensen geen geld voor boeken, of hun hoofd staat er nog niet naar. De kastjes met literatuur in de winkels mogen klein zijn, stoffig zijn ze allerminst, want er staat explosief nieuw werk tussen, waarin voortvarend en met niets ontziende openheid het verwerkingsproces is ingezet. Zodra de Libanezen de moed hebben zich hun oorlog te herinneren zullen zij een aantal uitstekende schrijvers te hulp kunnen roepen.
Nog verbazender is dat er zo snel een goede selectie uit deze oorlogsliteratuur in Nederlandse vertaling verkrijgbaar is. Uitgevers en vertalers verdienen daarvoor een compliment. Maar liefst vier romans uit het Beiroet van de burgeroorlog zijn er dit jaar vertaald, drie Arabische en één Franstalige. Alle vier zijn zij geschreven door vrouwen, en toevallig is dat niet, want vrouwen zijn sterk in opkomst in de literaturen van de Arabische wereld.
Het is van belang, ook voor niet-Libanezen, om vrouwen over de oorlog te horen, al was het alleen al omdat oorlog geldt als een mannenzaak. Feministen beweren wel eens dat de wereld er vredelievender uit zou zien als de vrouwen het voor het zeggen hadden. Dat is baarlijke nonsens, die alleen kan opkomen in een werelddeel waar al ongelooflijk lang vrede heerst. Deze Beiroetromans tonen tot walgens toe ellende, dood en verwoesting, maar ook de kansen op bevrijding en emancipatie die de oorlog biedt, en niet in de laatste plaats de lust die zowel mannen als vrouwen eraan beleven. Dat oorlog iets met lust te maken heeft is al sinds Homerus bekend, maar het wordt in vredestijd systematisch vergeten.

Liana Badr is Palestijnse. Haar roman speelt zich af op een bijzondere plek in Beiroet. De hoofdpersoon Aisja groeit namelijk op in een Palestijns vluchtelingenkamp, dat belegerd en tenslotte vernietigd wordt. Het is een ontwikkelingsroman, waarin heel goed is getroffen hoe Aisja van tienjarig meisje opgroeit tot volwassen, zelfstandige vrouw. Door de burgeroorlog is haar kans op scholing en werk buiten het kamp verkeken. In het kamp is niets te doen en haar vader tiranniseert haar. Er rest haar aanvankelijk niets dan te dromen over knappe strijders. Later trouwt ze met zo’n jonge held, maar deze sneuvelt en ze blijft zwanger achter.
De beschrijving is traditioneel, maar heel gedetailleerd, en de opbouw is uitstekend. De kracht van dit boek ligt vooral in de minutieuze documentering van de onmenselijke toestand in het kamp, en van de eensgezindheid waarmee christelijke milities, gesteund door vrijwel de hele wereld, het vernietigen met bewoners en al. Ook dit behoort tot de allang bekende feiten die men graag vergeet. Nu Het oog van de spiegel het nog eens indringend onder de aandacht brengt kan niemand meer zeggen dat hij het niet heeft geweten.
Door de omstandigheden brokkelt het traditionele leven in het kamp af. Oudere mannen zoals Aisja’s vader, de huistiran, weten met oorlog niets aan te vangen. Hij drinkt, miskent de situatie geheel, barst in snikken uit, zit maar wat in een hoekje en verliest zijn gezag over het vrouwvolk. Aanvankelijk zijn ook de oudere vrouwen nog traditioneel. In het armzalige kamp handhaven zij de gewoonten van hun allang ontvluchte boerendorpen. Voor de jonge meisjes zijn de dappere strijders de begeerlijkste huwelijkpartners; de waarden doen er niets meer toe. Maar hun jonge echtgenoten zijn steeds van huis om te vechten en hebben geen tijd om hun vrouwen te onderdrukken. Dat geeft Aisja en haar soortgenoten een kans: ze komen nu ook buiten de deur, kunnen gaan werken en zelfs vechten, en de oudere vrouwen doen noodgedwongen mee.
Bij Badr overheersen het oorlogsleed en de emancipatie van de vrouw, maar lust en aanbidding ontbreken niet. Zelfs voor de heel jonge Aisja is een strijder al de held van haar hart, die hetzelfde in haar teweeg brengt als Christus; ‘ze voelt dat als ze zijn huid aan zou raken, er heilige olie op haar handen zou komen.’

Oorlog maakt een man van je, zeggen ze, en in het geval van Khaliel, de held-op-sokken uit Hoda Barakats De lachsteen, is het nog waar ook.
Khaliel is een gevoelige, intelligente jongeman, die voortdurend bezig is zich zelf te analyseren. Hij heeft erotische relaties met knappe jongens en fantaseert daar ook over. In normale omstandigheden zou hij waarschijnlijk hebben gestudeeerd, in café’s gediscussieerd, misschien in tijdschriften gepubliceerd, maar in een oorlog zijn dat zinloze bezigheden. Khaliel blijft dus voortaan in zijn Beiroetse flatje en wordt een huiselijke nicht met stereotiep vrouwelijke bezigheden. Na een beschieting maakt hij een lekker sopje om de keuken een beurt te geven, hij breit een trui en wast de kleren van zijn vrienden. Zijn oorlogsleed bestaat uit de dood van de ene vriend na de andere, en verder uit doffe lamlendigheid.
Een vredige enclave in de stad is het gebouw van een krant. Dat gebouw zal geen der partijen ooit kapot schieten, omdat iedereen belang heeft bij die krant. Het is een kleine wereld van dikdoenerigheid en grote woorden. Khaliel is intelligent genoeg om de voosheid daarvan te doorzien en wil er niet gaan werken. Als de eigenaar van de krant, die tevens militieleider en crimineel is, tenslotte aanbiedt, hem te mainteneren wijst hij hem kokhalzend af. Tenslotte besluit hij een man te zijn, en dat betekent meedoen met een of andere militie; voor welke partij of denominatie doet er al jaren niet meer toe. Hij plundert, sjouwt met wapens en op de laatste pagina’s verkracht hij zelfs een vrouw – is het de vertelster, die ineens opduikt nadat we de hele tijd de innerlijke monoloog van Khaliel hebben gevolgd? Nu behoort hij tot zijn broeders en kan hij het leven prijzen, ‘de algemene ellende van het leven’. De vertelster feliciteert hem: ‘Hij is een man geworden die lacht, en ik ben een vrouw gebleven die schrijft. Khaliel, mijn dierbare held…’.

In de reeds klassiek geworden roman van Hanaan as-Sjaikh, heeft de oorlog van Zahra een vrouw gemaakt, nadat zij tevoren niet meer dan een psychisch gestoorde zombie was. Dit Libanese meisje is in haar jeugd door iedereen misbruikt, zowel sexueel als anderszins. Zij leeft (evenals haar vaderland) in een web van gestoorde relaties, raakt zelf ook behoorlijk gestoord en zoekt haar toevlucht in de badkamer en in een hardnekkig zwijgen. Ten einde raad vertrekt zij naar een geliefde oom in Afrika, een soort badkamer in het groot. Ook met hem en met de Libanees die zij daar trouwt is een normale relatie niet mogelijk. Zij wordt nu echt waanzinnig, maar in haar diepste crisis ontmoet zij haar kariena, haar innerlijke demon, die het begin van haar genezing aankondigt. De badkamer, de waanzin en het zwijgen kan zij nu verlaten; zij keert terug naar Libanon, waar al spoedig de burgeroorlog uitbreekt en haar ouders hun greep op haar verliezen. Nu kan ze eindelijk alleen zijn en haar innerlijke stem achterna gaan; haar puistjes verdwijnen, en wanneer zij een relatie begint met de sluipschutter op haar dak is dat haar eigen beslissing. Dat zij zwanger is ontdekt zij pas na vier maanden. De sluipschutter heeft bij zijn levenswijze geen ruimte voor een huwelijk. Hij gelooft niet dat het te laat is voor een abortus en aborteert haar tenslotte op zijn eigen manier: vanaf zijn dak schiet hij haar dood.
Dit zijn slechts de hoofdlijnen van het zeer complexe verhaal, dat grotendeels door Zahra zelf wordt verteld, wat gezien haar geestesgesteldheid een prestatie is. In dit boek is de oorlog duidelijk de katalysator voor de bevrijding van de waanzin: zoals de stad het uitschreeuwt kan nu ook Zahra het uitschreeuwen, en het rijk van haar vader, met zijn Hitlersnorretje en zijn hard neerkomende riem, is ten onder gegaan. Dat zij zelf ook aan de oorlog ten onder gaat doet niets af aan haar groei: zij hééft geleefd!

In De maîtresse van Vénus Khoury-Ghata, een Libanese die in Parijs woont, is de oorlog al voorbij. Zij schildert vooral de waanzin die de bewoners van een flat op de demarcatielijn tussen de beide stadsdelen heeft getroffen. In de betrekkelijke rust van de nieuwbakken vrede is er weer tijd om goed gek te zijn. Dood en verderf grijpen om zich heen, met als middelpunt een christelijke vrouw die haar man en zuigeling verlaat om zich te voegen bij een moslimse militieleider in West-Beiroet. Uit de onmogelijkheid van deze relatie blijkt dat de oorlog nog niet over is.
Als Franstalige put Khoury-Ghata uit een andere literaire traditie: de strijd die ontbrandt om de vrouw kan zij duiden als een soort Trojaanse oorlog. Ook heeft zij een veel explicieter register waar het seksualiteit betreft.
De onwerkelijke, delirerende sfeer van haar boek moet veel te danken hebben aan de Europese letterkunde, al zie ik zo gauw geen voorbeeld. In het Arabisch wordt zó nog niet geschreven. Het is deze onwerkelijkheid die ons doet accepteren dat dit gewelddadige, maar schitterende boek op dagboeknotites van de twaalf- à vijftienjarige dochter des huizes zou berusten.
Een orgie van geweld, ondergang en dood, op het eerste gezicht zonder één lichtstraaltje. Maar ook hier vinden wij de lust van de oorlog. Deze flat heeft nog een eigen sluipschutter op het dak, die onweerstaanbaar is voor de oude dame, die door de jalouzieën naar hem gluurt, alsook voor het bloedjonge meisje, dat een hartstochtelijke relatie met hem begint. Een aflopende zaak, want de gouden tijd voor sluipschutters is voorbij. Frédéric, de poëtisch begaafde zoon des huizes, is even gevoelig als Barakats Khaliel, maar doet een andere keus. Hoewel hij al een vrouw heeft bemind wordt hij liever geen man, maar geeft zich aan een stevig gebouwde lijfwacht, die hem tevens de broodnodige cocaïne levert.

Zo kort na de oorlog zijn deze auteurs al bezig met de verwerking van hun ervaringen, en zij sluiten hun ogen niet voor de verwarrende en soms beschamende dubbelzinnigheid daarvan. Op zo’n onverschrokken omgang met een nog zeer recent verleden kan Europa alleen maar jaloers zijn. Natuurlijk bejubelen deze vrouwen de oorlog niet, integendeel; zij gaan niet zo ver als de Serven, of als de BBC, die Happy days are here again draaide toen de Falkland-oorlog uitbrak. Maar Khaliel is een man geworden door de oorlog; Aisja zou toch wel vrouw en moeder geworden zijn, maar is nu een vrije vrouw geworden; en de aanvankelijk totaal verknipte en zieke Zahra vindt weliswaar de dood, maar heeft daarvóór nog gedeeltelijke genezing en normaliteit gevonden. Ook zij heeft haar seksualiteit en haar vrijheid ontdekt: ‘voor het eerst sinds dertig jaar huiverde ik van genot’. Er bestaat ook zoiets als oorlogsdividend, en dat is in Beiroet voor vrouwen blijkbaar groter geweest dan voor mannen.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 11.10.1996          

Terug naar Inhoud