al-Koni, Bloedende steen (bespreking)

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen. Roman. Vertaald door Richard van Leeuwen. Van Gennep/Novib/NCOS 1990.

Bloedende steen is een roman uit de Sahara die sterk afwijkt van ander uit het Arabisch vertaald werk. Dat heeft te maken met de uitzonderlijke levensloop van de auteur. De Libiër al-Koni (1948) schrijft weliswaar Arabisch, maar is een Touareg, opgegroeid als nomade in het diepe zuiden van de Sahara. Vandaar dat de woestijn een hoofdrol speelt in zijn werk, wat bij Arabische auteurs nooit het geval is. Hij heeft aan Russische voorbeelden geleerd wat literatuur is, toen hij in Moskou letterkunde studeerde. Daarna heeft hij als persattaché en cultureel attaché gewerkt in Warschau, Moskou en Zwitserland. Afgezien van een broddelwerkje van Ghaddafi is al-Koni’s boek de eerste Libische roman die is vertaald, en het is bijna een meesterwerk.
Je zou Bloedende steen een ecologische roman kunnen noemen. In de woestijn kan de mens alleen overleven wanneer hij het enig mogelijke evenwicht weet te vinden met zijn omgeving, inclusief de dieren. En eens te meer wanneer die mens alleen is: de hoofdpersoon Asoef leeft met zijn ouders buiten stamverband; als zijn ouders sterven leeft hij helemaal alleen, met de geiten die hij hoedt. Onder die omstandigheden is het niet vreemd dat hij zich verbonden voelt met de dieren. Reeds de voorislamitische dichters uit Arabië waren met geesten en dieren in gesprek; met wolven bij voorbeeld, die vaak net zo eenzaam waren als zij. Asoef is bezorgd voor het delicate evenwicht in de woestijn en doodt slechts zelden en met grote schroom.  Later komt hij, door zijn belevenissen en gevechten met een moeflon, zelfs tot de conclusie dat hij helemaal geen vlees meer wil eten. Eens, toen hij op de vlucht was, heeft hij zich in een moeflon veranderd; een andere keer is hem het leven gered door de moeflon die hij joeg. De grens tussen de soorten is voor hem vloeiend.
Tegenpolen zijn de bloeddorstige vleeseters uit het noorden, de Arabieren van de kust, wier verhouding tot de dieren geheel gestoord is, en die met machinegeweren vanuit jeeps en helikopters op gazellen jagen. Zij worden daarbij geholpen door een nogal bespottelijke Amerikaan van de luchtmachtbasis. Die man heeft belangstelling voor ‘het Oosten’ en bedoelt het goed; intussen is hij wel degene die het moorddadige jachttuig levert. Als de gazellen uitgeroeid zijn willen ze aan de moeflons beginnen, en Asoef moet hen daarbij helpen. Als hij niet wil wordt hij door de aan vlees verslaafde Kain Adam op een heilige steen met een prehistorische rotstekening gekruisigd en gedood, omdat ook deze, waanzinnig geworden, in hem een moeflon ziet.
In al-Koni’s woestijn heerst een soort natuurgodsdienst, die naadloos aansluit bij de afbeeldingen op de prehistorische rotstekeningen. De Islam ziet er heel anders uit dan de wetgeleerden het zouden wensen, en de auteur heeft daar zichtbaar plezier in. Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien! Asoef voltooit zijn gebed met zijn gezicht niet naar Mekka, maar naar een gewijde rots waarop een priester uit een ver verleden staat afgebeeld. Groter heiligschennis is nauwelijks denkbaar. Er zitten ook kleine blasfemische speldeprikken verstopt in het boek. In de vertaling konden die echter onmogelijk gehandhaafd blijven; bovendien zal meestal de nodige achtergrondkennis ontbreken. Voor de ‘in de schoot van het zand bewaarde steen’ waarover het bloed van de gekruisigde Asoef stroomt worden de woorden al-lawh al-mahfoez gebruikt, die gewoonlijk verwijzen naar de ‘welbewaarde tafel’ waarop God in de hemel de oer-koran bewaart. Het oneigenlijke gebruik van zo’n hoogheilige woordcombinatie zal de godgeleerden razend maken. Gelukkig voltooide de schrijver dit boek in Moskou en liet hij het uitgeven in Engeland, zodat hij de islamitische censoren kon ontlopen. Ook aan de Nederlandse censor is hij ontsnapt. Uitgeverij Novib drukt achterin haar boeken nog altijd af, dat zij arme mensen in ontwikkelingslanden wil ondersteunen en een stem wil geven. Als Libisch diplomaat is al-Koni vast niet arm of anderszins politiek correct. Het is dan ook een godswonder dat dit prachtige boek bestaat en ons heeft bereikt.
De auteur weet de lezer telkens mee te nemen uit de wereld van de normale natuurwetten naar een ander domein, waar fantasie en werkelijkheid, mythe en geschiedenis niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een enkele keer gaat dat grondig mis: in het hoofdstuk waarin een gazelle de mythologie uitlegt aan haar jong ben ik niet bereid de sprong van de schrijver naar gene zijde te volgen. Maar voor het overige laat ik mij graag meeslepen, omdat op overtuigende wijze de woestijn wordt opgeroepen, waar de leegte immers ieder realiteitsbesef uitdaagt en waar zinderende hitte de voorstellingen vervormt. De stilte van het grote niets is hoorbaar in dit boek, en als bij een fata morgana weet je letterlijk niet wat je ziet.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 5 december 1997.

Terug naar Inhoud