Aboulela, De vertaalster (bespreking)

Leila Aboulela, De vertaalster. Uit het Engels vertaald door Wim Scherpenisse. De Geus/Novib, 2001, 252 blz.

Een Marokkaan heeft mij eens gevraagd, met hem enkele kerkdiensten te bezoeken. Hij woonde al tien jaar in Nederland, kende de taal, had de nationaliteit en een baan, en beschouwde een overgang tot het christendom als het sluitstuk van zijn integratie.
Een dergelijke gedachtegang, die erg ver gaat maar wel sympathiek aandoet, is de hoofdpersoon van De vertaalster volledig vreemd. Sammar is een jonge vrouw uit de hogere klasse van Soedan, die de Britse nationaliteit heeft. Zij woonde met haar man in Schotland, maar deze is enkele jaren geleden verongelukt. Nadat zij hem in Khartoum heeft begraven en haar zoontje bij familie heeft achtergelaten, is zij teruggegaan naar het koude en natte Aberdeen, hoewel zij zich daar ongelukkig voelt. Daar werkt ze als vertaalster voor het Midden-Oosten-Instituut aan de universiteit. Haar chef, de hoogleraar Rae, leert zij nader kennen en ze worden verliefd. Zij zien elkaar op het werk, ze voeren in de kerstvakantie lange telefoongesprekken en, summum van intimiteit, zij bezoekt hem een keer als hij in het ziekenhuis ligt. Sammar is namelijk een moslimvrouw die haar geloof serieus neemt en ze wil de grenzen van het betamelijke niet overschrijden.
Op een dag stormt zij Rae’s werkkamer binnen en vraagt hem in één adem of hij moslim wil worden en met haar wil trouwen. Volgens de islamitische wet mag een moslimvrouw immers niet met een christen of agnost trouwen. Als hij weigert scheldt zij hem uit en verwijt hem dat hij (!) te ver met haar is gegaan. Hij wijst haar vrij grof de deur; zij vertrekt wanhopig naar haar vaderland en schrijft vanuit Khartoum haar ontslagbrief.
Zo, die is weg, dacht ik, en vroeg me af wat mij overkwam. Een recensent moet immers een roman beoordelen en niet een personage. Aan deze Sammar had ik spontaan een hekel gekregen. Zij is vrijwillig naar Schotland gekomen maar zet nauwelijks een stap in de richting van integratie, en doet ook nog haar kind weg als het tijdens de jarenlange rouwperiode niet gelegen komt.
In Khartoum, een stad die iedereen probeert te ontvluchten en waar alles kapot is, leidt Sammar een gedempt leven zonder veel lichtstraaltjes. Haar kind knuffelt zij welgeteld één keer: aan een neefje besteedt zij nog meer genegenheid. Ze fleurt pas op als een jaar later een kennis uit Schotland haar schrijft dat Rae moslim is geworden. Zij vraagt hem naar Soedan te komen, en daar vinden zij elkaar. De dramatische aanzoekscène blijkt instrumenteel te zijn geweest in Rae’s bekering. Ze trouwen snel en willen met het zoontje, van wie Sammar nu plotseling wel houdt, weer naar Schotland vertrekken.
In de tweede helft van het boek verschoof mijn afkeer van het personage naar de auteur. De waarschijnlijkheid van de plot wordt enig geweld aangedaan ten behoeve van de overtuigingen die deze wil uitdragen. De professor weet veel van de islam; de vertaalster kent goed Engels. Beiden zijn zij ideale vertegenwoordigers van hun cultuur, de cultuur van de ander al toegewend. Tussen een gewone moslim en een doorsnee Schot had het nooit kunnen klikken. Oost en West kunnen wel samengaan, als het maar in de islam is, lijkt de schrijfster te willen zeggen. Rae kent door zijn studie de koran en móet dus wel zijn weg tot de islam vinden: een onder moslims veel verbreide opvatting.
Van een bekering tot de islam word je kalm. In Soedan vallen voortdurend het licht en de waterleiding uit en lopen de ratten door je hotelkamer. Dat mag nog zo onverdraaglijk zijn, zodra Rae rust heeft gevonden in Allah accepteert hij dit met een milde glimlach. Het is mooi weer, het uitzicht over de Nijl is prachtig en ook met zijn astma gaat het ineens veel beter.
De vertaalster is dus een bekeringsroman. In antiquariaten op het platteland zie je nog wel eens zo’n vijftig jaar oude protestantse Bildungsroman, gespeend van iedere literaire kwaliteit, waarin de hoofdpersoon zich na een zware existentiële crisis tenslotte tot het ware geloof bekeert. Toegegeven moet echter worden, dat déze bekeringsroman stukken beter is geschreven dan zijn oude protestantse tegenhangers. Schrijven kan Aboulela wel degelijk. De beide werelden, Schotland en Soedan, worden in De vertaalster heel goed opgeroepen. Ook het innerlijk leven en de vertwijfeling van Sammar komen er heel goed uit.
De grootste verdienste van dit boek is misschien dat het zo geheel anders is. De moderne Arabische letterkunde is in wezen westerse letterkunde; er is nooit de verrassing van een echt andere cultuur. Die verrassing biedt deze in het Engels geschreven roman wél.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 31.5.2002

Terug naar Inhoud