Mohammed door de monnik Bahira herkend (vertaling)

Op een keer zou Abū Tālib  met de handelskaravaan naar Syrië meegaan. Toen alle voorbereidingen waren getroffen en hij op het punt stond te vertrekken, zou Mohammed zich aan hem hebben vastgeklampt; Abū Tālib  was toegeeflijk gestemd en zei dat hij hem mee zou nemen en dat zij tweeën nooit van elkaar zouden scheiden, of woorden van die strekking.
Hij nam hem dus mee, en toen de karavaan halt maakte in Busrā, in Syrië, was daar een monnik in zijn cel, die Bahīrā heette; hij was doorkneed in de geleerdheid van de christenen. In die cel had sinds jaar en dag een monnik gehuisd, die daar, naar het heet, kennis opdeed uit een boek dat er lag en dat ze van geslacht op geslacht aan elkaar doorgaven. De karavaan was daar al dikwijls langs gekomen en nooit had hij iets tegen hen gezegd of zich zelfs maar vertoond. Maar toen ze dit jaar halt maakten dicht bij zijn cel richtte hij een grote maaltijd aan, en wel om een visioen dat hij gehad zou hebben in zijn cel. Men zegt namelijk dat hij in zijn cel de profeet had gezien, te midden van de naderende karavaan, met boven zijn hoofd een wolk die alleen hém overschaduwde. Welnu, toen ze halt hadden gemaakt onder een boom dicht bij hem, zag hij hoe er een wolk boven die boom ging hangen en de takken zich over de profeet heen bogen, zodat hij daaronder schaduw vond.
Toen Bahīrā dat gezien had kwam hij uit zijn cel en stuurde hun de boodschap:
‘Mannen van Quraysh, ik heb een maaltijd klaargemaakt en ik wil dat jullie allemaal aanwezig zullen zijn, oud en jong, slaven en vrijen.’
Iemand zei: ‘Wel Baḥīrā, dat is iets bijzonders; dat is ons nog nooit overkomen, terwijl we al zo dikwijls langs zijn gekomen; wat heb je vandaag?’
Bahīrā antwoordde: ‘Je hebt gelijk, het is zoals je zegt, maar vandaag zijn jullie mijn gasten; ik wil jullie eren en een maaltijd aanbieden en jullie moeten er allemaal van eten!’
Iedereen kwam, behalve de profeet, die achterbleef bij de bagage onder de boom, omdat hij nog zo jong was. Toen Bahīrā de mannen eens opnam zag hij niemand die voldeed aan de beschrijving die hij kende, en hij zei: ‘Mannen van Quraysh, laat niemand ontbreken aan deze maaltijd.’ Ze zeiden: ‘Nee Bahīrā, niemand die had moeten komen is achtergebleven, alleen een jongen, de jongste van ons; die is achtergebleven bij de bagage.’
‘Dat is niet goed,’ zei hij, ‘ga hem roepen en laat hem ook aanwezig zijn bij deze maaltijd.’
Een van de Qurayshieten zei: ‘Bij Lāt en ‘Uzzā, we hadden de zoon van ‘Abdallāh niet mogen achterlaten.’
Hij ging hem halen, drukte hem aan zijn borst en liet hem plaats nemen bij de anderen. Zodra Bahīrā Mohammed gewaarwerd begon hij hem scherp aan te kijken en te zoeken naar bepaalde lichaamskenmerken die hij had gevonden in de beschrijving die hij had. Toen iedereen klaar was met eten en weer terugging liep Bahīrā naar hem toe en zei:
‘Jongen, ik bezweer je bij Lāt en ‘Uzzā, antwoord mij op wat ik je ga vragen.’
Dat zei Bahīrā alleen maar omdat hij zijn stamgenoten bij die godinnen had horen zweren. Welnu, de profeet zou toen hebben geantwoord:
‘Vraag mij niet bij Lāt en ‘Uzzā, want bij God, niets haat ik zo als die twee!’
Toen zei Bahīrā: ‘Bij God dan, antwoord mij op wat ik ga vragen.’
Hij antwoordde: ‘Vraag mij wat u wilt!’
Daarop begon hij hem vragen te stellen over hoe het was als hij sliep, en over zijn lichaam en zijn toestand in het algemeen, en wat de profeet aan Bahīrā vertelde kwam overeen met de beschrijving die deze van hem had. Ook keek hij op zijn rug en daar zag hij het zegel van het profeetschap, tussen zijn schouders, precies op de plaats die hem beschreven was. Daarna benaderde hij zijn oom Abū Tālib  en vroeg hem in welke relatie hij stond tot de jongen. ‘Het is mijn zoon,’ zei hij, maar Bahīrā ontkende dat, want het kon niet zijn dat zijn vader nog in leven was. ‘Het is mijn neef,’ zei hij toen, en toen Bahīrā hem vroeg wat er van zijn vader geworden was, vertelde hij hem dat die nog tijdens de zwangerschap van zijn moeder gestorven was.
‘Zo is het,’ zei hij, ‘neem je neef mee terug naar zijn land en pas op voor de joden, want bij God, als zij hem zien en over hem te weten komen wat ik weet, dan zullen zij hem kwaad willen doen. Je neef wacht een grootse toekomst, dus breng hem snel naar huis.’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 115–117; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 34–36.

Diakritische tekens: Abū Ṭālib, Buṣrā, Baḥīrā

Terug naar Inhoud