Mohammeds afscheidsbedevaart (vertaling)

In het begin van de maand dhū al-qa‘da in het jaar 10 [632] trof de profeet voorbereidingen voor de bedevaart naar Mekka en droeg de gelovigen op hetzelfde te doen.
‘Abd al-Rahmān ibn Qāsim vernam via zijn vader een bericht van Aisha, de vrouw van de profeet: De profeet ging op bedevaart op de vijfentwintigste dzoe al-ka‘da. Noch hij, noch iemand anders sprak over iets anders dan de bedevaart. De profeet en sommige edelen hadden een slachtdier meegenomen. In Sarif aangekomen zei hij dat degenen die geen slachtdier hadden de gewijde staat moesten afleggen en zich moesten beperken tot een tempelbezoek. Die dag werd ik ongesteld. Ik zat een beetje te huilen; de profeet kwam binnen, vroeg wat er aan de hand was en ried wat het was. Ik zuchtte: ‘Ja, ik wou dat ik dit jaar niet was meegegaan.’ Maar hij zei: ‘Dat moet je niet zeggen, want je kunt de hele bedevaart meemaken, behalve de ommegang rondom de Ka‘ba.’
Toen de profeet Mekka betrad legden allen die geen slachtdier bij zich hadden de gewijde staat af, en zo ook de vrouwen. Op slachtdag werd mij een heleboel rundvlees bezorgd, dat werd neergelegd in mijn huis. Toen ik vroeg wat dat was, werd er gezegd dat de profeet koeien had geslacht voor zijn vrouwen. In de nacht van het steenwerpen stuurde de profeet mij met mijn broer ‘Abd ar-Rahmān naar Tan‘īm en liet mij vandaar uit alsnog het tempelbezoek afleggen, in plaats van het bezoek dat ik gemist had.
Daarop vervolgde de profeet zijn bedevaart en onderwees de gelovigen de ceremoniën daarvan. Hij hield een toespraak waarin hij vele dingen uiteenzette. Na de lofprijzing te hebben uitgesproken zei hij: ‘Mensen, luistert naar mijn woorden, want ik weet niet of ik u na dit jaar ooit nog op deze plaats zal ontmoeten. Uw bloed en uw bezit zijn heilig tot u uw Heer zult ontmoeten, zoals deze dag en deze maand heilig zijn. Uw Heer zult u zeker ontmoeten, hij zal u vragen naar uw werken; dat heb ik u al gezegd. Wie een onderpand heeft, laat die het teruggeven aan degene die het hem heeft toevertrouwd. Alle woeker is afgeschaft, maar uw kapitaal is van u. Doet geen onrecht en u zal geen onrecht worden aangedaan. God heeft beschikt dat er geen woeker is; al de woeker van ‘Abbās ibn ‘Abd al-Muttalib is afgeschaft. Iedere bloedschuld uit de heidentijd is vervallen. De eerste bloedschuld die ik afschaf is die van Ibn Rabī‘a ibn Hārith ibn ‘Abd al-Muttalib. Voorts: de Satan heeft geen hoop meer, in dit land ooit nog aanbeden te worden, maar hij is al tevreden als hij gehoorzaamd wordt in andere zaken die u misschien onbeduidend acht. Hoedt u dus voor hem in uw godsdienst! Het instellen van een schrikkelmaand is een overmaat aan ongeloof. Daardoor worden degenen die ongelovig zijn misleid. Zij verklaren hem het ene jaar ongewijd en het andere jaar gewijd, om gelijk te komen met het aantal dat God gewijd heeft verklaard. Zo verklaren zij ongewijd wat God gewijd heeft verklaard, [koran 9:37] en gewijd wat God niet gewijd heeft verklaard. De tijd heeft zijn cyclus voltooid en is als op de dag dat God de hemelen en de aarde heeft geschapen. Het aantal maanden is bij God twaalf, […] daarvan zijn er vier gewijd. [koran 9:36]. Het zijn drie opeenvolgende maanden en radjab zoals die bij de stam Mudar is, tussen djumādā en sha‘bān. Voorts: u en uw vrouwen hebt rechten en plichten jegens elkaar. U hebt het recht dat zij uw bed niet onteren met een ander en zich niet overgeven aan kennelijke ontucht. Als zij dat toch doen staat God u toe, haar bed te mijden en haar te slaan,1 maar niet te hard. Doen zij echter zulke dingen niet, dan hebben zij recht op onderhoud en kleding in redelijkheid [koran 2:233]. Hebt het goede met hen voor, want zij zijn gevangenen bij u, die niets van zichzelf bezitten. U hebt hen ontvangen van God, als een toevertrouwd goed, en hun geslachtsdelen zijn geoorloofd voor u krachtens de woorden Gods. Slaat acht op mijn woorden, mensen, want ik heb het u gezegd. Ik laat u iets na waardoor u nooit zult afdwalen, wanneer u daaraan vasthoudt: een duidelijke opdracht, het Boek Gods en het gebruik (soenna) van zijn profeet. Mensen, luistert naar mijn woorden en slaat er acht op: weet dat de ene moslim een broeder is voor de andere, ja dat de moslims broeders zijn. Een man mag van zijn broeder slechts nemen wat deze hem willens geeft. Dus doet u zelf geen onrecht. O God, heb ik het gezegd?’
‘O God, ja!’ zouden de mensen toen geroepen hebben, en de profeet besloot met de woorden: ‘O God, wees getuige!’
‘Abdallāh ibn abī Nadjīh heeft mij meegedeeld dat de profeet tijdens het ‘staan’ te ‘Arafa heeft gezegd: ‘Dit is de statie, met inbegrip van de berg erboven; heel ‘Arafa is statie.’
En toen hij op de Quzah stond, op de ochtend van Muzdalifa, zei hij: ‘Dit is de statie; heel Muzdalifa is statie.’
Vervolgens zei hij, nadat hij had geslacht op de slachtplaats in Minā: ‘Dit is de slachtplaats; heel Minā is slachtplaats.’
De profeet voltooide zijn bedevaart; hij toonde de moslims de ceremoniën en bracht hen op de hoogte van Gods voorschriften betreffende de bedevaart: het ‘staan’, het steentjes werpen, de ommegang en wat hij hun toegestaan en verboden had. Het was de bedevaart van de onderrichting en tevens de afscheidsbedevaart, omdat de profeet daarna geen bedevaart meer heeft gemaakt.

NOOT
1. Vgl. koran 4:34.

Bron: Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 966–970 (verkort); vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 240–242.

Diacritische tekens: ʿAbd al-Raḥmān, Abd al-Muṭṭalib, Ḥārith, Muḍar, Quzaḥ, Nadjīḥ, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud