Mohammeds bijzondere dood

Wanneer er een geliefde of vereerde persoon sterft is er vaak eerst een reactie van ongeloof: Nee, het is niet waar! Zo’n ongeloof aan de dood van de profeet Mohammed, die na een onduidelijke ziekte gestorven was, wordt in de sīra-literatuur in de mond van ʿUmar gelegd en door Abū Bakr gecorrigeerd:

  • Al-Zuhrī hoorde van Sa‘īd ibn Musayyab, die het had van Abū Hurayra: Toen de profeet was gestorven stond ‘Umar op en nam het woord: ‘Sommige Halfhartigen beweren dat de profeet is gestorven. Maar hij is niet gestorven: hij is naar zijn Heer gegaan, zoals Mūsa, die veertig dagen is weggebleven van zijn volk en daarna is teruggekeerd, nadat men al gezegd had dat hij gestorven was. Bij God, de profeet zal terugkeren zoals Mūsa en zal degenen die beweren dat hij is gestorven de handen en voeten laten afhakken.’
    Toen Abū Bakr hoorde dat ‘Umar een toespraak hield begaf hij zich naar de poort van de moskee, en zonder ergens acht op te slaan liep hij door naar het huis van Aisha, waar de profeet lag opgebaard onder een mantel van Jemenitische stof. Hij lichtte de mantel op, kuste zijn gezicht en zei: ‘U die mij dierbaarder bent dan mijn vader en moeder, u hebt de dood gesmaakt die God voor u heeft beschikt, en een tweede dood zal u niet treffen.’ Daarop legde hij de mantel terug en ging naar buiten, waar ‘Umar nog steeds de mensen toesprak. ‘Stil ‘Umar, houd je mond,’ zei hij. Maar ʿUmar praatte gewoon door. Toen richtte Abū Bakr zelf het woord tot de gelovigen, en zodra ze zijn woorden hoorden liepen ze bij ʿUmar weg en kwamen naar hem luisteren. Na de lofprijzing zei hij: ‘Mensen, als iemand Mohammed aanbidt: Mohammed is dood, maar als iemand God aanbidt: God leeft en zal niet sterven.’ Vervolgens droeg hij het koranvers voor: “Mohammed is slechts een gezant; gezanten vóór hem zijn heengegaan. Als hij sterft of gedood wordt, zult u dan op uw schreden terugkeren? Wie op zijn schreden terugkeert, die zal aan God geen schade doen. Maar de dankbaren zal God belonen.” [k. 3:44]
    Bij God, het was alsof de gelovigen niet wisten dat dit vers was geopenbaard tot Abū Bakr het hun op die dag voordroeg. Zij namen het vers van hem over en het was op ieders lip. ʿUmar zei later: ‘Bij God, nauwelijks had ik Abū Bakr dit vers horen voordragen of ik raakte volkomen in de war, mijn benen konden mij niet meer dragen en ik viel op de grond. Nu wist ik dat de profeet werkelijk gestorven was.’ 1

Het geciteerde koranvers dringt aan op nuchterheid: het leven gaat verder. Mohammed was ‘slechts’ een gezant, een gewoon mens en dus sterfelijk. Ook de rest van de koran is daar duidelijk over. Daardoor was voor de vertellers de mogelijkheid afgesneden hem te laten voortleven of zijn verblijf op aarde zo te laten eindigen als dat van vroegere profeten. Van Henoch wordt in de bijbel verteld dat hij werd ‘weggenomen’ (Genesis 5:24), Elia is ‘in een stormwind meegevoerd naar de hemel’ (2 Koningen 2:11) en Jezus is zelfs twee maal ten hemel opgenomen. Een verteller vond een alternatief: Mohammed is voor de keus is gesteld: sterven of langer leven, en hij heeft de dood gekozen. Zo moest zijn heengaan voor zijn volgelingen draaglijker worden.

  • ‘Abdallāh ibn ʿUmar heeft gehoord van ‘Ubayd ibn Djubayr, en deze van ‘Abdallāh ibn ʿAmr, die het had van Abū Muwayhiba, een vrijgelatene van de profeet: De profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden, en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: ‘Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden van duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.’ Daarop wendde hij zich tot mij en zei: ‘Abū Muwayhiba, mij is de keus gegeven tussen de sleutels van de schatkamers van deze wereld, een lang leven hier en daarna het paradijs, óf nu al mijn Heer te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan.’ Ik bezwoer hem dat hij het eerste zou kiezen, maar hij zei dat hij had gekozen, zijn Heer reeds nu te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan. Toen bad hij om vergeving voor de doden, en nadat hij de begraafplaats had verlaten begon de ziekte waardoor God hem tot zich nam.2

Volgens een hadith gebeurde het inderdaad zo:

  • Een bericht van Aisha, tot mij gekomen via ‘Urwa, al-Zuhrī en Ya‘qūb ibn ‘Utba, luidt als volgt: Die dag kwam de profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenborstel3 in zijn hand had. Uit de manier waarop de profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben, en ik vroeg hem of hij die wilde hebben. ‘Ja,’ zei hij, dus ik gaf hem de tandenborstel, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde, en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. ‘Ja,’ zei hij nog, ‘de hoogste vriendenschaar in het paradijs!’4 Ik zei: ‘Bij Hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.’ Toen gaf hij de geest.5

Zo was de dood van Mohammed ook iets bijzonders geworden, maar toch anders dan bij die andere profeten. Het bijbelse motief van de ‘wegneming’ was hier eenvoudig niet bruikbaar, omdat de koran te expliciet is over de gewoonheid en sterfelijkheid van de profeet. De hadith-literatuur ontkent vervolgens eenvoudig het verschil: álle profeten zouden zijn gestorven zoals Mohammed:

  • Al-Zuhrī vernam van ‘Ubayd ibn Abdallāh ibn ‘Utba, die het had gehoord van Aisha: Ik heb de profeet dikwijls horen zeggen: ‘God neemt geen profeet tot zich zonder hem de keus te geven.’ Toen de profeet op sterven lag was het laatste dat ik hem hoorde zeggen: ‘Nee, liever de hoogste vriendenschaar in het paradijs.’ Dan kiest hij ons dus niet, dacht ik, en toen begreep ik pas wat die woorden betekenden: dat een profeet niet sterft zonder dat hem de keus is gegeven.6
  • Mālik heeft vernomen dat Aisha heeft gezegd: Geen profeet sterft zonder dat hem de keus is gegeven. Ik heb hem horen zeggen: ‘O God, de hoogste vriendenschaar!’ en toen begreep ik dat hij zou heengaan.7

Ik denk niet dat dit het laatste woord is over het onderwerp. Bij gelegenheid zal ik eens kijken of Ginzbergs The Legends of the Jews hierover nog wat heeft; dat boek is gewoon online in te zien. Komt dus nog.

NOTEN
1. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 1012–13; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 250–251.
2. Ibn Ishāq o. c., 1000; vert. 244.
3. Een twijg van de arāk-boom (Salvadora persica), die gekauwd en in de mond heen en weer bewogen wordt zoals bij ons zoethout. Hierover heb ik een engelstalig artikel geschreven.
4. al-rafīq al-a‘lā, vgl. koran 4:69.
5. Ibn Ishāq o. c., 1011; vert. 250.
6. Ibn Ishāq o. c., 1008; vert. 247.
7. Mālik, Djanā’iz 46

Terug naar Inhoud