De ‘duivelsverzen’

Heeft Mohammed echt geprobeerd verzen van eigen makelij, de zogenaamde ‘duivelsverzen’ (ook genoemd ‘satanische verzen’, Engl.: ‘Satanic Verses’) in de koran binnen te smokkelen? Nog afgezien van het feit dat we heel weinig met zekerheid over Mohammed weten, is deze vraag met een beslist nee te beantwoorden.

Eerst was er de koran. Naar aanleiding van koranteksten zijn verhalen ontstaan: interpreterende en aanvullende verhalen, speelse verhalen rondom een vers, ongeveer zoals de joodse midrasj, en ook verhalen waarin de aanleiding tot de openbaring van een bepaald vers wordt uiteengezet.
Welnu, eerst was er koran 22:52: ‘Wij hebben vóór jou geen gezant of Profeet gezonden zonder dat de Satan, als hij iets wenste, hem iets naar zijn wens in de mond legde. Maar God schaft af wat Satan ingeeft; dan stelt God Zijn verzen vast. God is wetend en wijs’. Op grond van deze tekst is een verhaal ontstaan dat er invulling aan geeft: de satanische influistering zou zijn geweest, de nog heidense Qurayshieten te paaien door hun godinnen te erkennen in twee duivelse koranverzen,1 welk idee kort daarop door goddelijk ingrijpen ongedaan werd gemaakt. Fictie op grond van een koranvers dus. De biografie van de profeet (sira) bestaat voor een aanzienlijk deel uit dit soort verhalen.

Dit is natuurlijk een ongelovige kijk op de zaak. Het verschil met de gelovige visie ligt in de omgekeerde volgorde.
De gelovige zegt: eerst deed zich, in de werkelijkheid van Mohammeds optreden, een verleiding voor die goddelijk ingrijpen nodig maakte – het uitwissen van de duivelsverzen -, en daarna volgde, ter verduidelijking van een en ander, de openbaring van vers 22:52.
De ongelovige (déze ongelovige) zegt: De ‘werkelijkheid van Mohammeds leven’ kunnen we vergeten; die is toch niet te kennen. Eerst was er nu eenmaal koran 22:52; daarna werd het verhaal eromheen bedacht dat daaraan invulling gaf. Soera 53 was heel geschikt om de tekst in te voegen. Die soera zegt immers in vers 3 met zoveel woorden dat de profeet ‘niet naar eigen lust spreekt’. Bovendien vormt de vermelding van de heidense godinnen in 53:19–20 een prachtige kapstok om de nieuwe, ‘foute’ tekst aan op te hangen.

In dit specifieke geval zijn er ook nog gelovigen die de gelovige versie van het verhaal niet accepteren. Volgens sommigen is dat omdat het niet in de meest gezaghebbende bron over Mohammeds leven is bewaard.2 Maar in wezen komt het omdat men niet een verhaal voor waar wil houden waarin de profeet zo diep valt! Toch zijn er wel meer van dat soort teksten, bij voorbeeld dat waarin de profeet, onder de indruk van de eerste openbaring, overweegt zelfmoord te plegen. Uit respect voor de profeet wil men zoiets niet accepteren. Dat is onbegrip voor hoe verhalen werken, maar ook gebrek aan geloofsfantasie. Mohammed is immers volgens de koran een gewoon mens; hij kan dus vallen, en wat is mooier dan een val, of een bijna-val, zodat daarna de goddelijke genade des te krachtiger kan werken? Bovendien biedt dit verhaal de gelovigen zekerheid: er staan geen willekeurige teksten in de koran, daarvoor heeft God gezorgd.
De oude moslims waren bekwame theologen, en helemaal niet bang voor verhalen.

[NASCHRIFT: Dit heb ik in 1996 geschreven. Evenals U zie ik de zwakheden in deze tekst. Hij staat op de lijst voor herziening.]

NOTEN
1. Na koran 53:20: ‘Ziet u al-Lāt en al-‘Uzzā, en Manāt, de derde, de andere,’ waarin de drie Mekkaanse godinnen vermeld worden zou de volgende tekst zijn ingevoegd:تلك الغرانيق العلى وإن شفاعتهنّ لَتُرتجى ‘Dit zijn de verheven kraanvogels(?), op hun voorspraak kan worden gehoopt.’ Er bestaan overigens tekstvarianten.
2. Ze bedoelen: niet in de meest gangbare editie van de sīra van Ibn Ishāq door Ibn Hishām. Dat is juist; Ibn Hishām heeft het verhaal niet opgenomen; het was hem blijkbaar te weinig godvruchtig. Maar de veel oudere Ibn Ishāq had het wél; het wordt in al-Tabarī’s geschiedwerk van hem overgeleverd (Ta’rīkh i, 1192–5). Volledige vertaling hier.

Op basis van mijn bijdrage in Maarten Asscher (uitg.), Het woordenboek van de Duivelsverzen, Amsterdam, 1996, 29–31.

Terug naar Inhoud