Aisha van overspel beticht (vertaalde tekst)

Al-Zuhrī heeft het volgende verhaal van Aisha samengesteld uit overleveringen van Alqama ibn Waqqās, van Sa‘īd ibn Djubayr en van Ubaydallāh ibn Abdallāh. Zij hebben hem allemaal een deel van het verhaal verteld; de een had er meer van onthouden dan de ander, en al-Zuhrī heeft samengevat wat zij hebben meegedeeld.
Ook Yahyā ibn Abbād en Abdallāh ibn abī Bakr vertellen dit, op gezag van Aisha zelf, de eerste via zijn vader, de laatste via Amra bint Abd al-Rahmān. Het verhaal in zijn geheel is dus afkomstig van al deze personen, en allemaal zijn het betrouwbare zegslieden van hetgeen zij uit Aisha’s eigen mond hebben gehoord.
Haar verhaal luidt dan als volgt: Als de profeet een tocht wilde ondernemen lootte hij altijd onder zijn vrouwen welke hij mee zou nemen. Dat deed hij ook bij de expeditie tegen Mustaliq. Het lot viel op mij, dus de profeet nam mij mee. Bij zulke gelegenheden aten de vrouwen maar net genoeg om in leven te blijven en propten zich niet vol met vlees, want dan zouden ze te zwaar worden. Als mijn kameel werd gezadeld zat ik meestal al in mijn draagstoel; dan kwamen de mannen die hem moesten zadelen: ze pakten de draagstoel van onderen vast en tilden hem op, ze zetten hem op de rug van de kameel en bonden hem vast met de touwen. Dan namen ze de kameel bij de teugel en gingen op weg. Welnu, na deze tocht hield de profeet op de terugweg ergens halt, al vrij dicht bij Medina, waar wij een deel van de nacht doorbrachten. Daarna liet hij het sein tot vertrek geven en de reis werd voortgezet. Ik was juist even uitgestapt om mijn behoefte te doen. Om mijn hals had ik een ketting van onyx uit Zafār, en toen ik klaar was, was deze van mijn hals gegleden zonder dat ik er erg in had; teruggekomen bij het kamp voelde ik ernaar, maar hij was er niet meer. Intussen was de troep al aan het opbreken. Ik ging terug naar de plaats waar ik was geweest, om die ketting te zoeken, en daar vond ik hem inderdaad. Maar de mannen die mijn kameel moesten zadelen hadden dat al gedaan; ze hadden de draagstoel gepakt in de veronderstelling dat ik erin zat, als altijd; ze hadden hem opgetild en op de kameel gebonden omdat ze er niet aan twijfelden dat ik erin zat, en vervolgens waren ze vertrokken. Toen ik terugkwam bij het kamp was er geen levende ziel meer te bekennen: iedereen was al weg.
Ik hulde mij dus maar in mijn gewaad en ging liggen op diezelfde plaats, want ik begreep dat ze wel terug zouden komen zodra ik gemist werd. Nauwelijks lag ik daar of Safwān ibn Mu‘attal uit de stam Sulaym kwam voorbij; hij was achtergebleven voor het een of ander en had niet in het kamp overnacht. Hij zag mijn gestalte, kwam dichterbij en bleef vlak bij mij staan. Nu had hij mij vroeger wel gezien, in de tijd dat we ons nog niet hoefden te sluieren, dus toen hij mij daar aantrof riep hij in opperste verbazing: ‘De vrouw van de profeet!’ hoewel ik helemaal in mijn gewaad gehuld lag. Hij vroeg waarom ik was achtergebleven, maar ik sprak niet tegen hem. Daarop haalde hij zijn kameel en zei dat ik daar op moest gaan zitten. Terwijl ik opsteeg hield hij zich op een afstand; hij nam de kameel bij de teugel en ging snel de troep achterna, maar we haalden hen pas ’s ochtends in, en niemand had mij nog gemist. De mannen hadden halt gehouden en terwijl ze aan het rusten waren zagen ze de man verschijnen die mij terugbracht. Toen begonnen de leugenaars al meteen die praatjes te verspreiden, zodat het kamp in rep en roer geraakte, maar daar wist ik volstrekt niets van. Dadelijk na onze terugkeer in Medina werd ik namelijk ernstig ziek, zodat ik niets over de zaak hoorde. Het gerucht was wel tot de profeet en mijn ouders doorgedrongen, maar zij repten er tegen mij met geen woord over. Alleen was de profeet niet zo aardig tegen me; want als ik ziek was had hij altijd zo met mij te doen en was hij heel aardig tegen me, maar deze keer was hij dat niet en dat vond ik wel erg. Als hij op bezoek kwam, vroeg hij alleen maar aan mijn moeder, die mij verzorgde: ‘Hoe is het met haar?’ Dat was alles, en daar tobde ik over. Omdat hij zo bars tegen me deed, vroeg ik of het goed was dat ik naar mijn moeder overgebracht werd, zodat die me kon verplegen. ‘Je doet maar,’ zei hij. Ik werd dus naar mijn moeder overgebracht, en nog steeds wist ik volstrekt niet wat er aan de hand was, tot ik weer beter was, ruim drie weken later. Nu waren wij Arabische mensen, en we hadden niet zulke privaten in onze huizen als buitenlanders hebben; daar hadden wij een grote hekel aan. Wij gingen altijd naar de open plaatsen van Medina; elke avond gingen de vrouwen daar hun behoefte doen. Op een avond ging ik met Umm Misṭaḥ uit het geslacht Abd Manāf, die een tante van mijn vader was. Terwijl ze met mij opliep struikelde ze over haar gewaad en riep uit: ‘Laat Mistah doodvallen!’ Ik zei: ‘Dat is wel lelijk gezegd over een man uit de Emigranten die bij Badr heeft gevochten!’ Ze zei: ‘Heb je het nieuws dan nog niet gehoord?’ en toen ik zei van niet, vertelde ze me welke praatjes de leugenaars rondstrooiden. ‘Dat was het dus!’ riep ik, en ze zei: ‘Ja waarachtig, zo is het.’ Toen kon ik mijn behoefte niet meer doen; ik ging terug en o, wat heb ik gehuild! Ik dacht dat mijn lever zou barsten. Tegen mijn moeder zei ik: ‘God vergeve het u, de mensen roddelen over mij en u vertelt me dat niet eens!’ Zij troostte mij: ‘Kindje, trek het je niet zo aan! Want heus, als een vrouw mooi is en haar man houdt van haar, dan hebben zijn andere vrouwen altijd van alles over haar te vertellen, en de andere mensen net zo goed.’
Intussen had de profeet de mensen toegesproken, buiten mijn weten, en hij had gezegd, na God te hebben geprezen: ‘Waarom vallen sommige mensen mij lastig over mijn gezin en verspreiden praatjes die niet waar zijn? Ik weet werkelijk niets dan goeds van hen, en van de man over wie ze dat zeggen net zo: als hij in een van mijn huizen komt doet hij dat alleen in mijn gezelschap.’
De grootste boosdoeners waren Abdallāh ibn Ubayy, uit Khazradj, en Mistah en Hamna bint Djahsh; deze laatste omdat haar zuster Zaynab met de profeet getrouwd was en de enige van zijn vrouwen was die een echte mededingster voor mij was. Zaynab zelf werd door God beschermd, door haar geloof; zij sprak geen onvertogen woord, maar Hamna strooide allerlei praatjes rond en werkte mij tegen met het oog op haar zuster, en daar had ik veel van te lijden.
Nadat de profeet zo gesproken had zei Usayd ibn Hudayr: ‘profeet, als het mannen van Aws zijn, laten wij u dan van hen afhelpen, en als ze tot onze broeders uit Khazradj behoren hoeft u ons maar te bevelen, want zij moeten zeker onthoofd worden.’ Toen stond Sa‘d ibn Ubāda op, die daarvoor altijd was beschouwd als een fatsoenlijk man, en zei: ‘God almachtig, je liegt! We onthoofden ze niet! Jij zou dat heus niet gezegd hebben als je niet wist dat het Khazradjieten waren; als ze tot jouw stam hadden behoord had je het niet gezegd!’ ‘Je liegt zelf!’ zei Usayd, ‘want jij bent een huichelaar die het opneemt voor de Halfhartigen!’ De mannen namen al een dreigende houding aan en het had niet veel gescheeld of die twee stammen, Aws en Khazradj, waren elkaar aangevlogen.
Daarop kwam de profeet bij mij op bezoek. Hij ontbood Alī en Usāma ibn Zayd en vroeg hen om raad. Usama sprak waarderende woorden over mij, en zei verder: ‘Profeet, het gaat om uw familie en wij weten niets dan goeds van hen. Dit is onzinnige leugenpraat.’ Maar Alī zei: ‘Profeet, er zijn zoveel vrouwen, u kunt gemakkelijk een andere nemen. Vraag het maar eens aan de slavin, die zal de waarheid wel vertellen.’ De profeet riep dus Barīra om haar te ondervragen. ʿAlī gaf haar een paar harde klappen en zei: ‘Vertel de profeet de waarheid!’ ‘Ik heb over Aisha niets kwaads te zeggen,’ zei ze, ‘behalve dat ze, als ik deeg heb gekneed en haar zeg dat ze er even op moet letten, soms in slaap valt; dan komt het schaap en eet het op.’
Daarop kwam de profeet mijn kamer binnen, waar mijn ouders ook waren, en nog een vrouw van de Helpers die met mij zat te huilen. Hij ging zitten en zei, na God te hebben geprezen: ‘Aisha, je weet wat de mensen van je zeggen. Vrees God, en als je een misstap hebt begaan, zoals de mensen zeggen, toon God dan berouw, want hij neemt van de mens berouw aan.’ Zodra hij dat zei voelde ik geen tranen meer. Ik verwachtte dat mijn ouders de profeet antwoord zouden geven, maar zij zeiden niets. Bij God, ik vond mijzelf zo onbelangrijk dat ik er niet eens aan dacht dat God koranverzen over mij zou openbaren, die in de moskeeën gelezen zouden worden en gezegd bij de salāt, maar ik hoopte wel dat de profeet in zijn droom iets zou zien, of dat God hem iets zou laten weten dat mij van de blaam zou zuiveren, want hij wist dat ik onschuldig was; maar een koranvers, nee, daarvoor vond ik mijzelf te min. Ik merkte dat mijn ouders niets zeiden en vroeg waarom ze de profeet geen antwoord wilden geven. Zij zeiden dat ze werkelijk niet wisten wat ze moesten antwoorden. Bij God, ik ken geen huisgezin dat zoveel heeft doorgemaakt als dat van Abū Bakr in die tijd. Toen ze maar zaten te zwijgen voelde ik mijn tranen weer opkomen en zei: ‘Nooit zal ik God hierover berouw tonen. Ik weet, als ik beken wat de mensen van mij zeggen—terwijl God weet dat ik onschuldig ben—dat ik dan iets zeg dat niet waar is, en als ik het ontken geloven jullie me niet.’ Ik probeerde mij de naam van Ya‘qūb te herinneren, maar ik kon er niet op komen; daarom zei ik maar: ‘Ik zal antwoorden zoals de vader van Yūsuf: “Dus mooi geduld oefenen, en God is het wiens hulp wordt ingeroepen tegen jullie gepraat.”’ (k. 12:18)
De profeet was nog niet opgestaan of er kwam een openbaring, op de gewone wijze. Hij werd in zijn gewaad gehuld en onder zijn hoofd werd een leren kussen gelegd. Ik was niet bang en maakte mij helemaal geen zorgen, want ik wist dat ik onschuldig was en dat God mij niet onrechtvaardig zou behandelen, maar mijn ouders, nee werkelijk, zodra de profeet weer tot zichzelf kwam dacht ik dat ze ter plaatse dood zouden blijven, zo bang waren ze dat God die leugen zou bevestigen. De profeet ging overeind zitten; het zweet parelde van zijn gezicht, als regendruppels op een winterdag. Terwijl hij zijn voorhoofd afwiste zei hij: ‘Goed nieuws, Aisha! God heeft je onschuld geopenbaard!’ ‘God zij dank,’ zei ik.
Toen ging hij naar buiten om de mensen toe te spreken en de koranverzen te reciteren die God geopenbaard had, en Mistah ibn Uthātha, Hassān ibn Thābit en Hamna bint Djahsh, die het meest schaamteloos de leugen hadden verbreid, liet hij het voorgeschreven aantal geselslagen geven.
In de koranpassage over de lasteraars die de leugenaars naspraken spreekt God: ‘Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.’ (K 24:11) Daarmee bedoelde God Hassān ibn Thābit en zijn vrienden die die praatjes verkondigden. Voorts sprak hij: ‘Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt.’ (K 24:12–15)
Toen dit werd geopenbaard over Aisha en de lasteraars zei Abū Bakr, die Mistah altijd een toelage gaf, omdat hij een arme verwant van hem was: ‘Nooit zal ik die Mistah meer iets geven, en nooit zal ik hem meer ergens mee helpen, na alles wat hij over Aisha heeft gezegd en wat hij ons heeft aangedaan.’ Daarover heeft God geopenbaard: ‘Zij die het goed en ruim hebben mogen niet zweren dat zij hun verwanten, de armen en de emigranten op de weg Gods, niets meer zullen geven. Zij moeten juist vergeven en door de vingers zien. Wilt u ook niet dat God u vergeeft? God is vergevend en genaderijk.’ (K 24:22)
Daarop zei Abū Bakr: ‘Ja, ik wil dat God mij vergeeft.’ Dus gaf hij Mistah voortaan weer zijn toelage als tevoren en beloofde hem nooit meer te zullen intrekken.
Aisha heeft ook nog gezegd: Er werden vragen gesteld over Ibn Mu‘attal, en men ontdekte dat het een impotente man was, die nooit een vrouw aanraakte. Later vond hij de dood als martelaar.

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 731–9 (verkort); Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 181–6.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, ʿAlqama ibn Waqqāṣ, Saʿīd ibn Djubayr, ʿUbaydallāh ibn ʿAbdallāh, Yaḥyā ibn ʿAbbād, ʿAbdallāh ibn abī Bakr, ʿAmra bint ʿAbd al-Raḥmān, Muṣṭaliq, Ẓafār, Ṣafwān ibn Muʿaṭṭal, Umm Misṭaḥ, ʿAbd Manāf, Misṭaḥ, Ḥamna bint Djaḥsh, Usayd ibn Ḥuḍayr, Saʿd ibn ʿUbāda, ʿAlī, ṣalāt, Yaʿqūb, Ḥassān ibn Thābit

Terug naar Inhoud