‘Tafel‘manieren in Bagdad, 900 na Chr.

Al-Washshāʾ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitāb al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de hogere standen in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafā’, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Deze verfijnde mensen zullen niet genoeg geld gehad hebben om de grand seigneur uit te hangen, anderzijds zal protserige rijkdom hun werkelijk weerzin hebben ingeboezemd. Een paar teksten over de manieren bij het eten en drinken geven een indruk. Het woord ‘tafelmanieren’ kan niet zonder aanhalingstekens worden gebruikt, want in die tijd at men niet aan tafels.

Hoofdstuk 29. De manieren van verfijnde lieden bij het eten, en waarmee zij zich van het gemene volk onderscheiden.
Onder verfijnde lieden is een hoofdregel bij het eten, kleine hapjes te nemen en zich niet gulzig en schrokkend op het voedsel te storten, of alleen de malse middenstukken en de lekkerste hapjes te eten. Zeen, spieren, aderen, nieren, pens, maag, milt en longen eten zij niet; evenmin gedroogd en gezouten vlees en geen pap van brood en vlees. Soepgroente wordt in de pan achtergelaten.
Zij slurpen niet wanneer zij soep eten, zitten niet achter de vette stukken aan en maken hun handen niet vet. Zij strooien niet met veel zout, dat geldt onder hen als weerzinwekkend, en ze nemen ook geen plens azijn. Op groenten zijn zij niet dol; met name de bloemschede van de palm wordt niet gegeten, omdat de geur daarvan doet denken aan afwaswater. Zij zuigen niet het merg uit de grote botten, maar hoogstens voorzichtig uit de fijne, kleine botjes. Botjes die moeilijk uit te zuigen zijn pakken ze vast met hun vingertoppen en werpen ze na afloop weg. De broden die voor hen liggen maken zij niet vet; ze reiken niet naar iets wat ver van hun plaats ligt, likken hun vingers niet af en stoppen hun mond niet zo vol dat de lippen er vet van worden of het vet over hun handen druipt. Zij schrokken niet en kauwen niet met beide wangen tegelijk. Ook nemen zij geen twee verschillende spijzen in de mond. Kruimels die zijn gevallen worden genegeerd.
Zij eten geen spijzen die lang hebben gestaan, of opgewarmde gerechten. Zij soppen het brood niet in de saus en een aangebeten stuk leggen zij niet weer neer. Zij eten volstrekt geen gezouten visjes of visgehakt, geen ansjovis of sprotjes, geen ingelegde vruchten of ingezouten groente. Zulke dingen te eten geldt bij hen als een schande. Alleen pretentieuze zangslavinnen en hofdames doen soms alsof het verfijnd is, ingezouten groente en gezouten voedsel te eten ten huize van hun minnaars of in de woningen van hun vaste vrienden. Maar hun enige bedoeling daarmee is een goedkope maaltijd te krijgen en weinig geld uit te geven.
Verfijnde lieden eten ook geen sprinkhanen en garnalen, omdat die het meest lijken op de meest afstotelijke delen van levende wezens. Zij eten geen peulvruchten, daar deze knorrende ingewanden en winderigheid veroorzaken. Per dag nemen zij niet meer dan één maaltijd tot zich. Op hun samenkomsten blijven zij veelal staan. Er wordt weinig gelachen en gesproken wanneer de onderleggers en lakens met de spijzen verschijnen. Men begeeft zich pas naar het kleed als het volledig uitgespreid en van alles voorzien is, en maakt geen aanstalten ernaar toe te lopen voordat alles gereed is. Als zij na het eten hun handen willen wassen verwijderen zij eerst het vuil en afval van hun handen en vragen dan pas om waswater. Zij wassen hun handen grondig, zodat er geen geur van vlees op achter blijft, en het afdrogen gebeurt al even zorgvuldig.
Het dessert van zuidvruchten zetten zij naast hun onderlegger en laten hun bedienden ervan proeven. Ze nemen er niet te veel van, en eten zeker niet alles op. Er wordt altijd iets overheen gestrooid, bij voorbeeld een beetje munt, maar andijvie en klaver worden gemeden omdat zij koud zijn, radijs en tuinkers omdat die stinken, prei en uien vanwege hun penetrante geur, en rupsklaver en honingklaver omdat die grof zijn, en ook omdat zij de tanden en het tandvlees groen kleuren en slechte adem veroorzaken. Knoflook wordt in geen enkel gerecht verwerkt, dat zou dadelijk geproefd worden, en ook uien zouden dadelijk opvallen.
Het woord ‘dragon’ nemen zij niet in de mond omdat het begin van het woord omineus is en afschuwelijk klinkt; men noemt het daarom liever ‘munt’. Sommigen spreken van ‘hongerlijderskruid’, anderen van ‘hartkamfer’, waarmee zij allen toch slangenkruid of dragon bedoelen. Van sla houden zij zich verre, omdat die blind maakt; komkommer eten zij niet omdat die koud is. Wortelen raken zij niet aan en keuren zij geen blik waardig, laat staan dat zij ze eten; hetzelfde geldt voor slangkomkommers en asperges. Met het oog op de pit wensen zij ook geen olijven te eten. Zomer- en wintervruchten met pit eten zij evenmin, zoals harde, droge dadels, onrijpe dadels, gespleten dadels, ja alle soorten droge of verse dadels; abrikozen, rode en gewone lotusvruchten, perziken, pruimen en mirabellen. In hun ogen is dat voedsel voor het gemene volk, niet voor de elite. Ook de granaatappel en de vijg verschijnen bij hen niet op de dis en staan laag aangeschreven, evenals de watermeloen, vooral als de granaatappel gebarsten is of de meloen gespleten.
Of een noot, amandel, vijg of banaan: niemand van hen biedt een ander slechts één roos, één lotusvrucht of één amandel aan. Dat zou buitengewoon ordinair zijn, met het oog op de symbolische betekenis ervan. Ook zal nooit een deftige dame tegen een andere zeggen: ‘Dit is jouw roos, of ‘jouw amandel’, ‘jouw lotusvrucht’, ‘jouw granaatappel’, of ‘jouw vijg’. Dat is onder hen een enormiteit die een huivering te weeg brengt, iets buitengewoon pijnlijks dat men tot het uiterste tracht te vermijden.
Evenmin zegt de ene dame tegen de andere: ‘Til je been eens op,’ of ‘Til de zoom van je jurk eens op,’ of zoiets als: ‘Ga erop zitten,’ ‘Stop hem erin,’ ‘Haal hem eruit,’ ‘Trek hem omhoog,’ ‘Laat hem maar komen,’ ‘Blaas hem op!,’ ‘Laat maar gaan!,’ ‘Haal hem eruit!,’ ‘Haal hem weg!’ of ‘Trek je terug,’ ‘Doe het!’ of ‘Je hebt het gedaan’. Deze en dergelijke uitdrukkingen, die veel gehoord worden in de omgangstaal van de lagere standen, vermijden zij; ze krijgen ze nauwelijks over hun lippen en in hun conversatie zijn zij volstrekt taboe. Als iemand zo’n uitdrukking toch gebruikt nemen zij het die persoon erg kwalijk en gaan hem zij voortaan uit de weg.

Hoofdstuk 30. De manieren van verfijnde lieden bij het drinken, die verstandige mensen zich graag eigen maken.
Verfijnde mensen en mannen van eer en beschaving drinken geen donkerrode wijn. Alleen de allerbeste wijnen zijn goed genoeg voor hen, zoals zonnewijn, rozijnenwijn, honingwijn, ingekookte, ingedikte en goed gemengde wijn. Wijnen die onzuiver zijn door bezinksel of troebelheid raken zij niet aan; zij drinken alleen de klaarste soorten. Wijn gemaakt uit dadelstroop achten zij beneden hun waardigheid. Dat is immers de drank van de gewone man en het straatvolk, het bocht van voerlui en voetknechten.
Bij het drinken eten zij geen minderwaardige dingen, zoals paardenbonen, eikels, geroosterde onrijpe dadels en zelfs geen dadels van eerste kwaliteit, geen gepofte tarwekorrels, geen rode lotusvruchtjes, kastanjes, johannesbrood en dergelijke hapjes meer. Nee, wat verfijnde mensen dikwijls gebruiken bij het drinken, en waar opscheppers zich lelijk mee kunnen vergissen, dat zijn gezouten hazelnoten, gepelde pistaches, naar aardolie geurend zout, Indische aloë, eetbare klei uit Khurāsān, zout uit Sanaa, kweeperen uit Balkh en appels uit Syrië. Bij het drinken gebruiken zij het edelste vaatwerk en het beste en helderste glas.

Zie van al-Washshāʾ ook: Baden e.a., Beschaafde correspondentie

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 129–132. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 370–372.          Tag: al-Washsha

Diakritische Zeichen: ẓurafāʾ, ẓarīf, Ṣanʿāʾ,

Terug naar Inhoud