Verfijnde manieren in Bagdad, 900 na Chr.

Al-Washshā’ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitāb al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de hogere standen in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafā’, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Deze verfijnde mensen zullen niet genoeg geld gehad hebben om de grand seigneur uit te hangen, anderzijds zal protserige rijkdom hun werkelijk weerzin hebben ingeboezemd.

Hoofdstuk 35. Eigenschappen van mensen met echte verfijning en het verschil met lieden die doen alsof.
Tot de volmaakte manieren en het goede gedrag van beschaafde, verfijnde mensen en mensen behoort, dat zij geduld oefenen bij alles wat eervol handelen teweeg brengt en zich verre houden van minderwaardig gedrag. Zij hechten aan hoogstaande karaktertrekken en cultiveren aangename zeden.
Zij mengen zich niet in het gesprek van anderen, zij lezen niet mee in het boek dat iemand aan het lezen is, zij onderbreken niemand die aan het woord is, zij luisteren niet mee als iemand een ander een vertrouwelijke mededeling doet. Zij doen geen navraag als iets voor hen geheim is gehouden, zij praten niet over dingen waarvan zij niets begrijpen. Zaken van gewicht doen zij snel af, maar in kleinigheden zijn zij omzichtig. Zij zijn de vorsten van hun salons; door hun toedoen openen zich de moeilijkste sloten; door hen raken de meest tegengestelde karakters met elkaar vertrouwd. Naar hen zien aller ogen op; voor hen buigen zich de weerspannigste nekken. Wie altijd iets heeft aan te merken vind aan hen niets te kritiseren; wie wil vitten krijgt op hun eigenschappen geen vat.
Immers, zij schrapen hun keel niet, spuwen niet, gapen niet, halen hun snot niet op, laten geen boeren en rekken zich niet uit. Onder verfijnde lieden geldt dat als schandelijk, en ook de rechtsgeleerden beschouwen het als afkeurenswaardig. Daarover bestaat een betrouwbare Traditie van de Profeet:

  • Ubayd ibn Sharīk levert over van Ibn abī Maryam, die zich beroept op Yahyā ibn Ayyūb, die overlevert: Ibn Adjlān levert over van Sa‘īd al-Maqburī, en deze van Abū Hurayra: De Profeet heeft gezegd: ‘God houdt van het niezen, maar verfoeit het gapen. Als iemand gapend ‘haah’ zegt lacht de satan in zijn vuistje.’

Verfijnde mensen gapen dus niet en rekken zich niet uit, ze vouwen hun handen niet en slaan die niet in elkaar. Ze zitten niet met uitgestrekte benen, ze krabben zich niet op hun lichaam en zitten niet aan hun neus. Dat geldt in het bijzonder wanneer een van hen zich in gezelschap bevindt van zijn boezemvriend, van een vertrouwde of geliefde, of van iemand voor wie hij zich geneert of die hij respecteert.
Geen van hen gaat ooit naar het privaat als iemand hem ziet, of plast in aanwezigheid van iemand anders. Het behoort niet tot hun manieren bij het zitten achterover te leunen of zich te haasten bij het lopen. Van een weg die zij hebben ingeslagen wijken zij niet meer af, en zij keren niet terug op een weg die zij eenmaal hebben betreden. Zij schudden het stof niet van hun voeten op plaatsen waar juist geveegd is. Zij rusten niet uit op plaatsen waar juist water gesprenkeld is. Zij gaan niet in een gezelschap zitten om dan dadelijk weer op te stappen. Zij drinken geen water uit cisternen, en evenmin in wijnlokalen, in moskeeën en langs de weg; dat geldt onder weldenkende mensen als minderwaardig. Zij betreden geen zaken waar harisa, tarwebrei met gehakt, wordt bereid, of waar gekookte schaapskop of soep wordt aangeboden, en ze eten niets wat op straat gekocht is. Zij eten niet op de openbare weg, in de moskee of op de markt. Ook daarover bestaat een betrouwbare en welbekende Traditie van de Profeet, die mij door Ahmad ibn Haytham al-Mu‘addal is overgeleverd: Sahl ibn Nasr en Ishāq ibn al-Mundhir leveren over: Muhammad ibn al-Furāt heeft mij verteld op gezag van Sa‘īd ibn Luqmān ibn Abd al-Rahmān al-Ansārī, van Abū Hurayra dat de Profeet gezegd heeft: ‘Eten op de markt is ordinair.’
Verfijnde lieden laten hun haar niet knippen in de zaak van een aderlater, en gaan niet zonder lendenschort de badruimte binnen. Ahmad ibn Muhammad ibn Ghālib, de vriend van al-Khalīl, heeft overgeleverd: Ahmad ibn Abdallāh ibn Hāshim vertelt op gezag van Mughīra, en deze van Ibrāhīm: ‘In de spiegel van een aderlater kijken is ordinair.’ En dezelfde heeft mij overgeleverd van Ismā‘īl ibn Muḥammad, van Rashīd ibn Sa‘īd, van ‘Ikrima, die het van zijn meester Ibn Abbās had: ‘Het is weinig mannelijk, in de spiegel van een aderlater te kijken, of rond te kijken in het huis van een wever.’
Het is het meest passend voor een verfijnd man, de badruimte alleen te betreden, zodat niemand zijn schaamdelen kan zien. Hij werpt daar zelf geen blik op iemand anders, hangt zijn kleding niet op een haak en laat zijn voeten niet in het afvoerputje bungelen, want dat doet alleen de lagere standen. Hij schrobt zijn handen niet met een oude lap, zoals dat onder verachtelijke lieden gebruikelijk is, en hij rolt zeker niet over de warme vloer van de badruimte; dat is werkelijk het allerlaagste.
Hij behoort de badruimte te betreden met een lendendoek om en dan apart te gaan zitten, niet op zijn hurken, want dat is een aanfluiting van het gezond verstand. Hij gaat evenmin op zijn zij liggen, maar zit rechtop met gekruiste benen. Als het zweet uitbreekt en van zijn lichaam af druipt, in niet te kleine maar ook nog niet te grote hoeveelheid, droogt hij zich af met een handdoek. Dan roept hij de badman, die hij zijn hoofd met shampoo en de fijnste potas laat wassen. Wanneer hij echter uitgesproken mannelijk of welgesteld is, of stamt uit een van de aanzienlijke families of grote huizen, die men van geen enkele onbetamelijkheid kan betichten, dan begint hij met de badruimte binnen te gaan zonder een woord te zeggen en drie slokken warm water te drinken. Hij gaat op een leren mat zitten om te zweten, en wanneer het zweet hem uitbreekt epileert hij zijn lichaam, verzamelt het zweet en weegt het. Maar dit geldt alleen voor welgestelden, edelen of goed opgevoede filosofen. Van anderen wordt zulk gedrag dwaas gevonden.
Een verfijnd man mag niet zonder broek rondlopen of alleen een handdoek als lendendoek gebruiken. Zijn lendendoek mag niet open of los hangen. Hij dingt niet af als hij iets koopt, rijdt niet op een huurezel, stijgt niet af bij een ruïne waar wijn geschonken wordt, houdt een geleend boek niet te lang, stelt een handwerksman geen voorwaarden, verkeert niet met plebejers, scheldt een vriend niet uit, belastert niemand, spreekt geen kwaad over een vriend, geeft een hem toevertrouwd geheim niet prijs, maakt een vertrouwelijke zaak niet openbaar, verbreekt geen afspraak, schendt geen belofte, zaait geen tweedracht tussen mensen, brengt geen twee vrienden uit elkaar, geeft niemand aan bij de overheid, verklikt niemand, onteert geen vrouw, pleegt geen diefstal, pronkt niet met andermans veren, stelt zich niet bloot aan verdenkingen, beticht niemand van ontucht, verkoopt geen obscene praatjes en verleidt niet de vrouw van een goede vriend of buurman.
Het beste wat daarover is gezegd is van al-Ahwas ibn Muhammad al-Ansārī:

  • Ik zei: ‘Van mijn liefde moet je afzien,
    al zou ik graag met je verkeren.’
    ‘Bemin dan maar mijn man!’ zei zij, waarop ik sprak:
    ‘Voor ontrouw ben ik niet te vinden.
    Twee vrouwen zal ik nooit onteren:
    mijn vriend zijn bruid, mijn buurmans vrouw.
    Mijn beste vriend bedrieg ik niet,
    mijn buur heeft God de Heer mij toevertrouwd.’

Tot de volmaakte elegantie behoort dat een man goed gekleed en geparfumeerd is, dat hij zich ver houdt van vuil en dat zijn lichaam steeds schoon is. Geen van zijn kledingstukken heeft vlekken, geen zak is vuil, geen zoom gescheurd; geen geer zit scheef, zijn broek vertoont geen enkel gat. Hij laat zijn nagels niet groeien, heeft niet te lang haar, zijn oksels ruiken niet onfris, zijn huid is niet vettig, hij heeft geen loopneus, zijn handen laat hij niet zwart worden. Hij heeft geen kloofjes in zijn huid, hij sproeit geen speeksel als hij spreekt. In zijn ooghoeken zitten geen restjes oogvocht, op zijn mondhoeken heeft hij geen schuim.In hun omgang met geliefden en intieme vrienden hoort het tot de goede toon dat zij zich aan afspraken houden, hun beloften nakomen en weinig geneigd zijn tot onheus gedrag. Jegens geliefden en intimi gedragen zij zich vriendelijk en behulpzaam. Zij verheugen zich als zij hen ontmoeten en missen hen als zij er niet zijn. Zij staan hen bij met lijf en goed. De zorgen van hun vrienden proberen zij te verlichten en hun buren zijn zij niet tot last. Wie hun kwaad doet, die vergeven zij; wie hun goed doet, die betalen zij met gelijke munt. De kleine man bejegenen zij vriendelijk; de groten bewijzen zij de verschuldigde eer.
Muhammad ibn Yūnus al-Qaysī heeft mij overgeleverd van Yazīd ibn Bayān: Abū al-Ridjāl bericht op gezag van Anas ibn Malik: De Profeet heeft gezegd: ‘God heeft bepaald dat elke jongeman die een man van hoge leeftijd in ere houdt, geëerd zal worden als hij zelf oud geworden is.’
Degenen die mannelijk gedrag cultiveren hebben zich aan hetzelfde te houden als verfijnde, ridderlijke en beschaafde mensen. Ook zij zijn geen zoetekauwen en veelvraten, zij pralen niet en beroemen zich niet op hun voorgeslacht, maar hebben zich te houden aan de regels van volmaakt mannelijk gedrag en beschaving. Een ridderlijke jongeman is te herkennen aan zijn mannelijk gedrag. Eens kwam bij een geleerde het gesprek op ridderlijkheid. Hij zei daarover: ‘Ridderlijkheid is niet een zondige levenswandel vol uitspattingen, maar dat men zijn tafel openstelt voor gasten en armen, dat men anderen geen schade toebrengt, dat men mensen royaal ondersteunt, zijn naaste accepteert, bekend staat als kuis, lelijk gedrag vermijdt, dat men zijn beschaving toont, een zuiver karakter heeft en het gezelschap van slechte mensen mijdt, dat men streeft naar de hogere dingen, kwaad met goed vergeldt, het goede eveneens met goed vergeldt en de behoeften van de mensen probeert te vervullen.’
Dit zijn, kort samengevat, hun manieren en hun goede eigenschappen, dit alles wordt gewaardeerd in hun gedragingen. Daarnaast hebben zij een verfijnd naturel, zijn ze altijd hoffelijk, weten te kalmeren en glad te strijken, handelen bedachtzaam en zijn sympathiek. Vandaar hun gezegde: ‘Wie liefheeft brengt genezing;’ dat wil zeggen: sympathiek zijn en kalmeren. Een arts wordt ook om dezelfde reden arts genoemd. De bedoeienen zeggen: ‘Hij is een arts in alle dingen;’ dat wil zeggen: hij weet overal van en is erbij betrokken.
‘Umar ibn abi Rabī‘a heeft gedicht:

  • Een wijze dokteres kwam haar bezoeken,
    die ernst te mengen wist met spel.
    Als zíj zwak was sprak deze luide,
    maar zacht wanneer zij woedend was.

Zij zijn bedachtzaam bij wat zij nastreven, en hebben subtiele strategieën om hun doelen te bereiken, zij zijn onnadrukkelijk beleefd als zij een wens naar voren brengen, hun geheime wensen houden zij stil en hun intiemste gedachten geven zij niet prijs. Op delicate wijze weten zij hun wensen op het juiste ogenblik ter sprake te brengen of er juist van af te leiden.
Bepaalde geschenken, betuigingen van trouw of vriendelijkheid waarderen zij, evenals correspondentie en geschenken die anderen gering achten. Zo schenken zij dikwijls een enkele citroen, of één appel, een heerlijke meloen, een delicate suikermeloen, een takje basilicum, een bosje narcissen, een kruik wijn, een stuk aloëhout, een flesje parfum, een kleine attentie of een aardigheidje. Dergelijke kleine, onbeduidende dingen, die voor nuchter denkende mensen geen waarde hebben, worden onder de verfijnden hoog geschat. Het zijn subtiele geschenken die men graag ontvangt, waar men blij mee is en die men origineel vindt. Het verlangen dat andere mensen hebben naar kostbare voorwerpen en vorstelijke geschenken, naar chique nouveautés en prestigieuze cadeaux is verfijnde mensen vreemd; zij stellen zich tevreden met elegante niemendalletjes of eenvoudige attenties.
Daartoe behoren ook hun voorkomende, attente brieven en de welgekozen bewoordingen waarmee zij trachten harten te winnen, feilen te verhullen, misstappen te corrigeren en ongelukjes weer goed te maken. Zij doen dit door draden te trekken uit de fijnste Chinese zijde, de mooiste halfzijde uit Nīsāpūr, stevig Egyptisch linnen, tākhtadj en stoffen uit Kūhistān. Dan dompelen zij de daarmee gevormde schrifttekens in goud, muskus, saffraan en viooltjesolie. Zij nemen de dunste zakdoeken en de allerbeste gordels en parfumeren die met muskus en geurig poeder en beschrijven ze met subtiele spreuken en curieuze uitspraken, doen er bij wijze van zegellak een parfummengsel op en stempelen daar nogmaals de verrukkelijkste woorden in.
De teksten zelf zijn in kunstzinnige schrijfstijl geschreven en bevatten excentrieke verwijten, fraai verwoorde verzoeken en dubbelzinnige hofmakerij, waarmee zij iemand die afstand had gezocht tot toenadering bewegen en ernstige conflicten van hun scherpe kanten weten te ontdoen.
Ik heb dit in een ander werk uitvoerig uiteengezet en verlucht met zeer bijzondere voorbeelden. Daar heb ik beschreven met wat voor brieven zij zich bij mensen toegang verschaffen en welke aparte schrijftaal en unieke bewoordingen zij in hun correspondentie gebruiken. Dat boek heb ik De verkwikking der ziel genoemd, en ik hoop dat het de lezer vreugde zal verschaffen. Ik hoef dit hoofdstuk dus niet te lang te maken en zal wat in dat boek staat hier niet herhalen.

Zie van al-Washshā’ ook: Eten en drinken, Beschaafde correspondentie

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 146–151. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 372–377.          Tag: al-Washsha

Diakritische Zeichen: ẓurafā’, ẓarīf, ʿUbayd, Yaḥyā, Aḥmad, al-Muʿaddal, Sahl ibn Naṣr, Isḥāq, Muḥammad, Saʿīd, ʿAbd al-Raḥmān al-Anṣārī, Ismāʿīl, ʿIkrima, al-Aḥwaṣ ibn Muḥammad al-Anṣārī, ʿUmar ibn abi Rabīʿa

Terug naar Inhoud