Liefde als doodsoorzaak (vertaling)

Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 869-910) was jurist en de zoon van een beroemde, maar nogal omstreden jurist. Het enige boek dat van hem bewaard is gebleven is Kitāb al-Zahra (De bloem). Dit is een bloemlezing uit de Arabische poëzie, waaronder de liefdespoëzie een belangrijke plaats inneemt. Het boek bevat ook theoretische teksten over liefde, daarvan heb ik er een aantal vertaald. Ibn Dāwūd wilde graag weten wat de liefde precies is en hoe zij ontstaat, niet alleen uit algemene belangstelling, maar ook omdat hij de islamitische wet serieus nam. Volgens deze is alleen omgang van een man met maximaal vier wettige echtgenotes of met slavinnen geoorloofd. Wanneer de liefde iets is wat de mens niet zelf gekozen heeft, maar waarmee hij door de natuur, door de stand der sterren of door onvermijdelijke lichamelijke reacties, met andere woorden: door God wordt opgezadeld, dan kan de mens er niets aan doen en is hij niet zondig als hij verliefd wordt. Tobben blijft het in de liefde in ieder geval. Het is een slopende ziekte, die niet zelden tot de dood leidt. De auteur had toegang tot uit het Grieks vertaalde populair-medische teksten die hij op zijn onderwerp toepaste. Vertaalde teksten:

‘Tranen kunnen een leven redden; niet kunnen huilen kan dodelijk zijn.’ Hitte die voortkomt uit droefheid komt uit alle lichaamsdelen samen naar het hart en stijgt dan op naar de hersenen, waar kwade dampen ontstaan. Als de natuur, door zijn aangeboren krachten, daartegen is opgewassen maakt zij deze kwade dampen vloeibaar en laat ze uit het lichaam vloeien in de vorm van tranen. Soms beschadigt de grote tranenvloed de traanklieren en veroorzaakt bloedingen. In dat geval wordt er bloed geweend. Genoemde krachten maken eveneens de dampen vloeibaar, die ontstaan in de hersenen door de latente hitte, vanwege de temperatuurwisselingen die zich aan het hoofd voordoen, en laten ze uit de neus stromen in de vorm van neusvocht. Dan is het gevaar geweken. Maar als zij niet vloeibaar worden en niet via de neus uitgescheiden kunnen worden, worden zij een dikke vloeistof en een substantie die naar de voornaamste lichaamsdelen stroomt; dan treedt de dood in of ontstaat er een ernstige ziekte. Zo is het ook met tranen: als de natuurlijke krachten er niet in slagen de tranen vloeibaar te maken en te zeer bezig zijn met het bestrijden van zaken die voor de ziel nog meer te vrezen zijn, dan gaan deze dampen over in een dikke vloeistof, die een ernstige toestand te weeg brengt. Als deze in de hersenen blijft kan zij deze ofwel geheel aantasten: zij schakelt dan het geheugen uit, tast het verstandelijk denken aan en brengt absurde waanvoorstellingen te weeg. Of soms tast zij slechts één, twee deeltjes van de hersenen aan; dan worden alleen die delen aangetast die in goede toestand waren toen zij nog gezond waren. Soms daalt die vloeistof uit de hersenen af naar het hart en scheurt een of alle membranen. Dan is de afloop onvermijdelijk fataal; maar God weet het het beste. Soms daalt zij af in de lever en remt de eetlust en de dorst. In dat geval treden sterke vermagering op en vermindering van krachten. Soms wordt het uitstromen van tranen verhinderd door factoren van verschillende aard, bij voorbeeld door de excessieve droogte van de hersenen, die de dampen die er samenkomen absorberen, zodat ze alleen in vloeibare vorm uitstromen als er een overweldigende hoeveelheid van is; of door diepe smart, zoals wij eerder hebben vermeld. Liefde heeft kenmerken die duidelijk waarneembaar zijn, in zuchten, gelaatskleur, blikken en gebaren. Wie ernaar zoekt kan ze nauwelijks over het hoofd zien, en wie er niet naar zoekt ziet ze ook, hoewel hij de oorzaak ervan niet kent, in het bijzonder als twee geliefden elkaar ontmoeten. Iemand heeft eens gezegd: ‘Je geheim is je gevangene, en als je het uitspreekt wordt jij zijn gevangene.’ Over het onthullen van het liefdesgeheim door een minnaar aan zijn geliefde hebben we al eerder gezegd dat het soms wel doeltreffend is. Maar dat een minnaar andere mensen op de hoogte brengt van zijn gevoelens voor de geliefde is in meer dan één opzicht verkeerd. Ten eerste wordt daardoor de geliefde blootgesteld aan ongewenste praatjes en verdachtmakingen. Vervolgens wordt de minnaar zelf blootgesteld aan laster en zal men hem in de gaten houden. Wij bevelen hem dringend aan, zijn zaak geheim te houden. Maar iemand aan wie zijn geheim is ontglipt door de toestand waarin hij verkeert, die kan er niets aan doen en hem valt niets te verwijten. Geheimen die de geliefde zijn minnaar heeft toevertrouwd, over tijden voor het rendez-vous, bezoeken, zijn tegemoetkomen aan hem bij wat hij begeert, verwijten over en weer, ja zelfs alle ruzies, dat zijn zaken die zo gevoelig liggen dat niet het openbaar maken daarvan, maar juist het bewaren en verbergen ervan vereist is. Wie dergelijke dingen openbaar maakt staat erg zwak. De noodzaak, zulke dingen te verbergen is zo evident dat wij er niet meer woorden aan vuil hoeven te maken. Iemand die in staat is zijn geheim te bewaren behoort zelfs het enkele feit dat hij van de geliefde houdt niet aan iemand anders dan deze zelf te onthullen. Wie dat niet kan en buiten staat is, zich te beheersen en zijn plicht te doen en het niet op kan brengen, zijn geheim te bewaren, die moet het een ander niet kwalijk nemen als die het verder vertelt. Al is dat op zich zelf inderdaad laakbaar, want het komt een man toe, zelf en uit vrije wil zijn geheim te openbaren, en iemand die een geheim van een ander toevertrouwd heeft gekregen moet dat niet verder vertellen.

‘Wie wanhoopt aan zijn geliefde maar daar niet aan sterft, zal hem na verloop van tijd vergeten.’ De reden daarvan is de volgende: Wanhoop is, dat de ziel de hoop opgeeft die zij als substituut had genomen voor de ongestoorde staat, en met hulp waarvan zij staande was gebleven bij het intreden van de scheiding waaronder zij te lijden kreeg. De eerste verrassingsaanval van de wanhoop treft het hart wanneer het er niet op voorbereid is zich te weer te stellen, en niet gewend zoiets mee te maken, zodat het hart in één klap van de gewone in een ongewone toestand wordt gebracht. De tweede aanval komt nadat de eerste het hart al murw geslagen had. De tweede aanval veroorzaakt de pijn van de herhaling, niet de pijn van het moeten opgeven van een toestand waaraan het gewend is, terwijl de eerste de pijn met zich mee had gebracht van de confrontatie met iets vreselijks en het moeten afzien van de gunsten die men gewend was van de geliefde te verkrijgen. Wanneer nu de eerste aanval niet dodelijk was, hoewel hij twee verschrikkingen behelsde, dan zal de tweede, die er slechts één inhoudt, zeker niet dodelijk zijn. Zo zal iedere aanval van wanhoop die het gevolg is van tobben en terugdenken minder ernstig zijn dan de voorafgaande, omdat die al gewaarschuwd had voor de volgende en de weg ervoor had geëffend, en tenslotte zal iedere hoop geleidelijk verdwijnen uit de ziel. Want deze aanvallen kunnen alleen door blijven gaan doordat vrees en hoop met elkaar strijden. Wanneer de wanhoop intreedt houdt de vrees op, omdat wat gevreesd werd een feit is geworden, en hoop is er ook niet meer, omdat er niets meer is om op te hopen. Als het gemoed niet langer door iets in beweging wordt gehouden, verdwijnt de kwelling van de pijn die het overkomt. Immers, als er water wordt gegoten op iets dat brandt zal het water één plek aantasten en het vuur een andere, zolang beide blijven bestaan. Wanneer beide niet langer bestaan blijven er droge, hete plekken over door de invloed van het vuur en koude, natte door de invloed van het water, die na verloop van tijd alle verdwijnen. De reden dat de eerste aanval van wanhoop fataal kan zijn is dat het hart heet wordt, omdat het door verschrikkingen wordt bedreigd. In zulke gevallen is het de functie van de rest van het lichaam, het hart te hulp te schieten met een overeenkomstige hoeveelheid hitte of koude. Als dat echter te veel wordt, scheurt het septum en treedt de dood in, want geen enkele pijn (met uitzondering van de pijnen door denken) kan het hart bereiken zonder de dood tot gevolg te hebben. De volksmond zegt: ‘Die-en-die zit zo hevig te snikken; ik hoop dat zijn galblaas niet zal barsten!’ Inderdaad, de galblaas kan heet worden, en als hij te heet wordt kan hij barsten en dat is fataal. Maar voor het zover is zou het hart te heet worden en barsten; ja, dat zou helemaal kapot gaan. Vergelijk het hiermee: stel, we hebben een pot die is gemaakt van was en pek, we gieten er water in en steken er een vuur onder aan. Natuurlijk, in dat geval zou het vuur de pek laten smelten, en daardoor zou het water uit de pot stromen. Maar al vóórdat de pek smelt wordt de was vloeibaar en door het vuur vernietigd. Zo is het ook met het hart: het septum scheurt door de hitte, die het bereikt lang voordat de galblaas scheurt. De gewone mensen, maar ook vele intellectuelen, veronderstellen dat het zuchten de doodsoorzaak is, maar dat is niet juist. Integendeel: met Gods hulp kan zuchten een factor zijn die de exitus voorkomt. Want als de hitte teveel wordt voor het hart, zorgen de aangeboren krachten voor een pneuma dat beschadiging voorkomt. Zij brengen dat naar het hart door een luchtstroom van buitenaf. Soms slaagt de luchtstroom er inderdaad in, beschadiging door die hitte af te wenden. Dan treedt er alleen zuchten op en blijft de fatale afloop uit. Maar in andere gevallen is de aangevoerde luchtstroom te zwak en wordt hij heet in de luchtwegen, omdat de hem tegemoet slaande hitte te hevig is. Dan kan de koude van die luchtstroom beschadiging door de hitte rondom het hart niet voorkomen en scheurt het septum door de hitte, wat de dood tot gevolg heeft. Omdat de gewone mensen de dood onmiddellijk na het zuchten zien intreden, denken zij dat hij door dat zuchten veroorzaakt wordt. Maar in werkelijkheid treedt de dood in door precies de tegengestelde oorzaak. De eerste verrassingsaanval van een overweldigende vreugde kan eveneens letaal zijn, door een overmaat van koude, juist zoals de eerste plotselinge confrontatie met droefheid letaal kan zijn door een overmaat van hitte. Want bij het hart komt uit de andere lichaamsdelen een koude samen waarvoor de aangeboren hitte niet voldoende is. Het hartenbloed wordt dikker en de ondergang is een feit, maar in dit geval gaat deze niet gepaard met inademing of uitademing, omdat de adem geen hitte kan aanvoeren van buiten het lichaam zoals het dat kan met koude. De gangbare uitdrukkingen: ‘Moge God uw oog verkwikken (d.w.z. u blij maken),’ of ‘Moge God het oog van die-en-die heet maken (d.w.z. hem laten huilen van droefheid en smart)’ zijn te verklaren uit het feit dat tranen van droefheid heet zijn en vreugdetranen koud. Als hetzij vreugde, hetzij droefheid zich vestigt in de ziel, raakt de ziel er geleidelijk aan gewend en wordt die emotie tenslotte zoiets als haar normale dispositie en permanente natuur.

Vertaling van een tekst van Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra, uitg. A. R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1932, blz. 343–346.

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud