Vroegrijpe profeten

Een zeer korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59, maakt al duidelijk dat vele oude ‘profeten’ op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij wat menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.1

Over de profeet Mohammed is verteld dat hij bij zijn voedster

  • ‘… opgroeide als geen andere jongen en vast voedsel kon eten voordat hij twee jaar oud was.’ 2

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en hij toen hij zes maanden oud was kon hij vast voedsel eten.’ 3

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben gehoed achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 4

Eveneens daar werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de *splijting van de buik.5 Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.6

Meer is er te vinden in de hadithen over Ibn Sayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij was geen profeet, maar wordt wel voorgesteld als iemand die graag deed alsof. In zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Sayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand, of zelfs twee maanden. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.7

Dit laat zien dat het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ in de vroege islam bekend en gangbaar was. Geen wonder: het Arabische rijk der Umayyaden was nog geheel doordrenkt met christelijke en joodse literaturen.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus ongeveer dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Een banaal leven leiden? Zondigen misschien? De vertellers proberen de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge roeping waardig te maken.

NOTEN
1. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apopryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, 353–57. Engelse vertalingen hier.
2. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 105. Normaal bleef een zuigeling twee tot twee en een half jaar aan de moederborst.
3. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277.
4. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
6. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108.
7. Wim Raven, “Ibn Ṣayyād as an Islamic ‘Antichrist’. A reappraisal of the texts,” in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. Het artikel kunt U hier downloaden.

Terug naar Inhoud