Lijsten in de sira

Sīrateksten bevatten vrij veel lijsten. Lijsten met namen van personen, bij voorbeeld van de oudste bekeerlingen, van de deelnemers aan de belangrijke veldslagen, van degenen die in de slag gevallen zijn (aan beide kanten), van degenen die een deel van de buit ontvingen, van de emigranten naar Ethiopië en naar Medina, en ook van degenen die uit Ethiopië terugkwamen of die in dat land gestorven waren; verder van degenen die aan bepaalde onderhandelingen hebben deelgenomen en van de leden van bepaalde stammen die zich bij de profeet aansloten. Zulke lijsten kunnen gekopieerd geweest zijn uit registers van de regering, waar zij oorspronkelijk een praktische rol speelden bij het vaststellen van iemands rang en de omvang van de uitkering uit de staatskas waarop hij recht had.1 In de sīra is het doel van de lijsten vergelijkbaar met dat van het genre ‘Verdiensten van de gezellen, namelijk de reputatie van de daarin vermelde profetengezellen te ondersteunen en te vergroten.
Zuiver historiografisch zijn de lijsten van de militaire verrichtingen van de profeet.2
De grootste lijstenmakers waren al-*Wāqidī en *Ibn Sa‘d. De laatstgenoemde heeft zelfs lijsten gemaakt van de kamelen, muildieren, ezels en geiten van de profeet.3

Een bijbelse achtergrond heeft de opsomming van de twaalf Helpers, die in verband worden gebracht met de twaalf discipelen van Jezus.4 De beschrijving van de weg die Mohammed nam bij zijn emigratie van Mekka naar Medina misschien ook. Die route is op zich zelf niet spectaculair;5 waarom zou iemand hem opschrijven? Misschien is hij geïnspireerd door de bijbelse lijst van halteplaatsen tijden Israëls exodus in Numeri 33.

NOTEN
1. Zie A.A. Duri, ‘Dīwān i,’ in EI2; G.-R. Puin, Der Dīwān von ‘Umar ibn al-Khattāb, diss. Bonn 1970.
2. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 972–3; ook Muḥammad ibn Sa‘d, al-Tabaqāt al-kubrā, uitg. H. Sachau et al., 9 dln., Leiden 1905–1940, II, i, 1–2.
3. Ibn Saʿd, o.c. I, ii, 176-9. Het heeft niet veel zin, die als een betrouwbare bron voor geschiedschrijving te beschouwen, zoals H. Eisenstein schijnt te doen in zijn ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131.
4. Ibn Ishāq, o.c., 299.
5. Ibn Ishāq, o.c., 332-3.

Diakritische tekens: ʿUmar ibn al-Ḥaṭṭāb, Ibn Isḥāq, al-Ṭabaqāt

Terug naar Inhoud