De ‘Verdiensten van de Gezellen’

Onder ‘gezellen van de profeet’ (ashāb al-nabī) verstaan moslims die tijdgenoten van de profeet die moslim geworden waren en de profeet persoonlijk gezien of gekend hadden.1

De sira-literatuur is niet alleen geïnteresseerd in de profeet, maar ook in zijn gezellen, die de eerste islamitische gemeenschap vormden. Behalve dat zij een archief is van genealogieën en lijsten van de namen van de gezellen, bevat de sira ook veel verhalen over hun daden. Door zulke verhalen probeerden de mensen het verleden levend te houden zoals zij dat altijd hadden gedaan. Latere generaties probeerden hun voorouders in een zo gunstig mogelijk voor te stellen, over hun daden te vertellen die goedgekeurd of geprezen werden door de profeet en de ‘Verdiensten van de Gezellen’ (fadā’il al-ashāb, manāqib) voor de beginnende islam te benadrukken, zo nodig door ze af te zetten tegen de negatieve eigenschappen (mathālib) van anderen. Er was ook een praktische reden om dat te doen. De plaats van een gezel op de lijst van ontvangers van een overheidsuitkering (‘aṭā’) was gebaseerd op de berichten die er over hem bestonden. Bovendien, voordat de soenna van de profeet zijn centrale plaats kreeg in het islamitische recht waren de geleerden evenzeer geïnteresseerd in de ‘handelwijze’ (sira of soenna) van de vroegste kaliefen, die immers ook gezellen waren, als middel om het juiste gedrag vast te stellen. Vandaar dat sommige sirawerken ook de periode na de dood van de profeet behandelden.

Een specifiek soort teksten over ‘Verdiensten’ is dat van de awāʾil, berichten over wie iets voor het eerst had gedaan.2 ‘De eerste man die in de profeet geloofde was ‘Alī.’ 3 ‘‘Abdallāh ibn Mas‘ūd was de eerste na de profeet die de koran openlijk reciteerde in Mekka.’ 4 De eerste die de vrijdags-salāt verrichte in Medina was Mus‘ab ibn ‘Umayr.’ 5 Het zal grotendeels vanzelfsprekend zijn geweest dat de gemeenschap meer respect had voor de vroegste bekeerlingen dan voor latere. De eerste Emigranten uit Mekka, en de eerste Helpers in Medina genoten ook als groep een bijzonder groot aanzien.

Hoe het genre ‘Verdiensten der Gezellen’ functioneert kan misschien het best gedemonstreerd worden aan de hand van één persoon. Sa‘d ibn Abī Waqqās (gest. na 40/660)6 was één van de eerste moslims. Hij was de leider van verscheidene militaire expedities, nam deel aan alle belangrijke veldslagen en werd een succesvol generaal. Maar toen hij het leger aanvoerde dat de Perzen versloeg bij Qādisīya (± 636), was hij niet persoonlijk bij de slag aanwezig; naar verluidde om gezondheidsredenen. Sommige auteurs kritiseren hem om deze afwezigheid. In een sira-verhaal wordt deze kritiek nog extra nadruk verleend door Sa‘ds gedrag terug te projecteren tot de tijd van de profeet. Daar wordt verteld dat Sa‘d om een of andere onbenullige reden verhinderd was aan een bepaalde krijgstocht deel te nemen zoals de profeet hem had opgedragen.In contrast daarmee benadrukken andere teksten dat Sa‘d de eerste was die bloed vergoot voor de islam8 en de eerste die een pijl afschoot voor de zaak van de islam.9 Zijn dit gewone loftuitingen over Sa‘d of pogingen om de schandvlek op zijn reputatie uit te wissen? Hoe dan ook, het voorbeeld laat zien hoe een gezel in sira-teksten een goede of een slechte ‘pers’ kon krijgen.

De houdingen ten opzichte van de belangrijkste gezellen, de eerste kaliefen, variëren sterk in de sira. Zowel hun volgelingen als hun tegenstanders proberen te scoren in verschillende verhalen, bij voorbeeld in dat over het sterfbed van de profeet, waar de kwestie van zijn opvolging aan de orde werd gesteld.

Een speciaal geval is ‘Abbās ibn ‘Abd al-Muttalib.10  Hij was Mohammeds oom, maar geen ‘gezel’, omdat hij nooit moslim geworden is. De Abbāsidische heersers claimden hem (ten onrechte) als een prestigieuze voorvader, die zij nodig hadden voor hun legitimatie. Zo leken zij ook een beetje familie van de profeet. Vandaar dat we bij Ibn Isḥāq, die voor het ‘Abbāsidische hof werkte, positieve verhalen over hem vinden,11 terwijl Wahb ibn Munabbih negatief over hem is.12 Mūsā ibn ‘Uqba wil ons doen geloven dat hij verwant was met de Helpers van Medina.13

Verdiensten hebben hun tegenhanger in tekortkomingen (mathālib). Deze worden niet altijd zo subtiel gepresenteerd als in het geval van Sa‘d. In het verhaal over de moslim emigranten naar Ethiopië en het bezoek dat heidense Mekkanen brengen aan de Negus (nadjāshī) van dat land14 zijn de goede karakters allemaal vroege moslims met een vlekkeloze staat van dienst, terwijl de schurken bekend stonden als late en mogelijk opportunistische bekeerlingen.

Er is weinig koranmateriaal in de ‘Verdiensten’, tenzij men denkt aan de vermelding van bepaalde bevoorrechte groepen in koran 9:100; 56:10-11 en 59:9-10. Wel zijn er veel verzen over de Huichelaars, die ook in de sira uitvoerig aan de orde komen. Een bijbelse achtergrond is er niet, tenzij men denkt aan vage thematische parallellen  zoal het verhaal van de bekering van ‘Umar, een geducht vijand van de islam die in een vurig verdediger veranderde, zoals het met Paulus was gegaan in het beginnende christendom.15

De verrichtingen van de gezellen kwamen ook in hadithverzamelingen terecht, in hoofdstukken getiteld fadāʾil of manāqib al-ashāb en, sinds Ibn Sa‘d’s Tabaqāt en later, in werken die speciaal aan hen waren gewijd.16

De sira heeft niet alleen belangstelling voor individuen, maar biedt ook stukjes stammengeschiedenis, bij voorbeeld verslagen over de delegaties van stammen naar de profeet en hun verdragen met hem, of over conflicten tussen stammen. Ook de rivaliteit tussen Emigranten en Helpers komt tot uitdrukking in de sīra.

Zie nu ook het artikel over Abū Bakr.

NOTEN
1. M. Muranyi, Die Prophetengenossen in der frühislamischen Geschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1973; idem, ‘Ṣaḥāba’ in EI2; L. L. Kern, ‘Companions’ in EQ.
2. F. Rosenthal, ‘Awāʾil’ in EI2; Ibn abī Shayba, Al-kitāb al-muṣannaf fī al-aḥādīth wal-āthār, uitg. ʿAbd al-Khāliq al-Afghānī, 15 dln., Hyderabad/Bombay 1979–83, xiv, 68-147.
3. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60, 158-61; vertaling: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, 114-15.
4. Ibn Isḥāq, o.c., 202; vert. 141.
5. Mūsā b. ‘Uqba: E. Sachau, ‘Das Berliner Fragment des Mûsâ Ibn ‘Uḳba. Ein Beitrag zur Kenntniss der ältesten arabischen Geschichtsliteratur,’ in Sitzungsberichte der Königlich Preussischen Akademie der Wissenschaften (1904), 445–70, Fragm. 2.
6. G. Hawting, ‘Saʿd ibn Abī Waqqāṣ’ in EI2.
7. Ibn Isḥāq, o.c., 424; vert. 287; al-Ṭabarī, [Taʾrīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 dln., Leiden 1879–1901, i, 1274, 1277; cf. W. M. Watt, Muḥammad at Medina, Oxford 1956, 6.
8. Ibn Isḥāq, o.c., 166; vert. 118.
9. Ibn Isḥāq, o.c., 416; vert. 281; al-Ṭabarī, o.c. i, 1267.
10. W.M. Watt, ‘ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib’ in EI2.
11. Ibn Isḥāq, o.c., 296, 1007; vert. 203, 680.
12. Wahb b. Munabbih: Raif Georges Khoury, ——. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. 1. Leben und Werk des Dichters. 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972,  126 [uitgave, duitse vertaling en studie].
13. Mūsā b. ‘Uqba, o.c., Fragment no. 6.
14. Ibn Isḥāq, o.c., 217-22; vert. 150-3, hier down te loaden; W. Raven, ‘Some early Islamic texts on the negus of Abyssinia,’ in JSS 33 (1988), 200-1. Download hier.
15. Ibn Isḥāq, o.c., 224-7; vert. 155-7; Bijbel, Handelingen van de Apostelen 9:1–29; zie verder hier.
16. L. L. Kern, ‘Companions’ in EQ, Bibliography, primary.

Diacritische tekens: aṣḥāb, faḍāʾil, Muṣʿab, Waqqāṣ, ʿAbd al-Muṭṭalib, Ṭabaqāt

Terug naar Inhoud