Broodje aap: de schaamhaarkapper

De Syrische ridder Usāma ibn Munqidh leefde van 1085–1188 en heeft dus de kruisvaarders in Palestina en delen van Syrië meegemaakt. Hij heeft er in de door hen ingerichte staten ook een aantal persoonlijk leren kennen. Veel waardering heeft hij niet voor hen: hun moed is weliswaar  te bewonderen, maar hun cultuur staat op een primitief niveau. Geen wonder: in die tijd was de Arabisch-islamitische beschaving overduidelijk superieur aan de West-Europese. Ook de zedelijkheid van de Europeanen stelde in zijn ogen niets voor. Mannen vonden het bij voorbeeld helemaal niet erg als hun vrouwen ook met andere mannen omgingen. Uiteraard hadden zij ook geen flauw benul van badhuisetiquette. Om hun barbaarsheid te illustreren vertelt Usāma in zijn Memoires een anecdote, die hij van een badmeester genaamd Sālim zou hebben gehoord. Deze vertelt:

  • Ik had een badhuis geopend in al-Ma‘arra om zo in mijn levensonderhoud te voorzien. Op zekere dag kwam daar een ridder van de Franken binnen. Nu moet u weten dat zij er een hekel aan hebben als iemand zijn ceintuur om zijn middel vastgeknoopt houdt in een badhuis. De ridder pakte de ceintuur die om mijn middel zat en trok deze los. Hij keek naar mij en zag dat ik kort geleden mijn schaamhaar had afgeschoren. Hij zei: ‘Sālim!’ Ik kwam dichterbij en hij stak de hand uit, voelde over mijn schaambeen en zei: ‘Sālim, goed! Bij de waarheid van mijn godsdienst, doe dat ook bij mij.’ Hij ging op zijn rug liggen. Het leek precies zijn baard wat hij had op die plaats. Ik schoor hem en hij streek er met zijn hand over en voelde dat het zacht was. Toen zei hij: ‘Sālim, bij de waarheid van mijn godsdienst, doe hetzelfde bij madame.’ ‘Madame’ is in hun taal het woord voor mevrouw, dat wil zeggen, zijn echtgenote. Tegen een bediende van hem zei hij: ‘Zeg tegen madame dat zij hier komt.’ De bediende kwam terug met de vrouw van de ridder en bracht haar in het badhuis. Zij ging op haar rug liggen en de ridder zei: ‘Doe hetzelfde als wat je bij mij hebt gedaan.’ Daarop schoor ik het haar af, terwijl haar echtgenoot erbij zat en naar mij keek. Toen ik klaar was, bedankte hij mij en gaf mij een goede beloning voor mijn diensten.’1

Zeven eeuwen later, in het jaar 1801, schreef ‘Abd al-Rahmān al-Djabartī (1754–1826) een dagboek over de bezetting van Egypte door Napoleon. Al-Djabartī had een veel hogere pet op van de Europeanen dan Usāma indertijd had gehad. Hij was onder de indruk van de Franse militaire discipline en efficiëntie, en hij bewonderde de activiteiten van de wetenschappers en kunstenaars die Napoleon had meegenomen. Ook dat was geen wonder: in zijn tijd had Europa zich immers ontwikkeld, terwijl Egypte een periode van stagnatie doormaakte. Kritiek had hij echter op de moraal van de Fransen, vooral die van de Franse vrouwen:

  • Hun vrouwen bedekken zich niet en kennen geen zedigheid. Het kan hun niet schelen of zij hun schaamdelen ontbloten […] Soms gaat een van hun vrouwen bij een kapper naar binnen en vraagt hem, haar schaamhaar te scheren. Als hij dat wil kan hij zijn beloning in natura ontvangen.2

De meeste kruisvaarders zullen geen verfijnde lieden zijn geweest, en de vrouwen die ze bij zich hadden waren dat zeker niet. Voor de soldaten van Napoleon en hun ‘dames’ geldt hetzelfde. Toch begrijpen we meteen dat naakte vrouwen die worden geschoren door de schaamhaarkapper door geen van beide schrijvers of hun tijdgenoten met eigen ogen zijn gezien. We hebben hier te doen met een verhaal van het type ‘broodje aap’, een urban legend die zich zeven eeuwen heeft kunnen handhaven en bij al-Djabarti nog aanzienlijk pikanter is geworden.

NOTEN
1. Usāma ibn Munqidh, Kitāb al-i‘tibār, vert.: Wat anders dan vechten en jagen? Memoires van een Syrisch edelman, vert. J.J. Witkam, Amsterdam 1986, p. 164–165.

ومن ذلك انه كان عندنا رجل حمامي يقال له سالم من أهل المعرة في حمام لوالدي رحمه الله. قال: فتحت حماماً في المعرة أتعيش فيا، فدخل إليها فارس منهم وهم ينكرون على من يشد في وسطه الأزر في الحمام، فمد يده وجذب مئزري من وسطي رماه، فرآني وأنا قريب عهد بحلق عانتي، فقال سالم: فتقربت منه، فمد يده على عانتي وقال: سالم جيد! وحق ديني أعمل لي كذا! واستلقى على ظهره وله مثل لحيته في ذلك الموضع، فحلقته فمر يده عليه فستوطأه فقال: سالم بحق دينك، اعمل للدام! والدام بلسانهم الست يعني امرأته. وقال لغلام له: قل للداما تجيء. فمضى الغلام أحضرها وأدخلها، فاستلقت على ظهرها وقال: اعمل كما عملت لي، فحلقت ذلك الشعر وزوجها قاعد ينظرني، فشكرني ووهبني حق خدمتي.

2. ʿAbd al-Raḥmān al-Djabartī: Tarīkh muddat al-faransīs bi-Miṣr. Al-Jabartī’s chronicle of the first seven months of the French occupation of Egypt, ed.  and transl. S. Moreh, Leiden 1975, 12:

ونساؤهم لا يستترون ولا يحتشمون ولا يبالون بكشف العورات […] وربما دخلت المرأة منهن الى حانوت الحلاق ودعته لحلق عانتها، وإن شاء أخذ أجرته منه.

Terug naar Inhoud