De geile jongen en de aap (vertaalde tekst; 10e eeuw)

Er zijn nog andere grappige verhalen over apen. Ik hoorde van een bereisde oude man uit Isfahan dat hij eens naar Bagdad was gegaan met een grote karavaan. Daar was ook een jongeman bij, die hitsig en potent was als een muildier. De oude man bleef ’s nachts wakker om zijn bezittingen te bewaken en sliep alleen gedurende de reis op zijn kameel. Op een avond toen hij als gewoonlijk wakker lag zag hij de jongeman die op een kameeldrijver afging en hem van achteren wilde nemen. De kameeldrijver werd wakker, werd woedend en roste hem af zoals een leerlooier op het leer inslaat. De jongeman ging terug naar zijn plek, wankelend van de klappen en stompen die had hij gekregen. Daar bleef hij een poosje, maar toen de kameeldrijver weer in slaap was gevallen kwam hij bij en ging weer op hem af. Toen hij wakker werd tuigde hij hem nog harder af dan de eerste keer en de jongen ging meer dood dan levend terug. Toch ging hij na even te zijn uitgerust voor de derde keer terug naar de kameeldrijver. Die ging nu als een razende tekeer, sleurde hem van links naar rechts over de grond, en riep uit:
– Bij God, als jij hier nog één keer terugkomt steek ik je overhoop!
Nadat ik daar een aantal malen getuige van was geweest en de bedreiging door de kameeldrijver had gehoord kon ik hem goed begrijpen, maar ik had het toch akelig gevonden als zo’n jongen gedood zou worden. Dus toen hij een beetje bij was gekomen riep ik hem bij me en zei:
– Jongen, hoe heb je dat kunnen doen, wat ik vannacht van je gezien heb!? Je bent er nog levend vanaf gekomen, maar de volgende keer maakt hij je af, dus houd je een beetje in!
– Oompje, antwoordde hij, ik heb tegenwoordig nachten dat ik helemaal niet kan slapen van geilheid en hitsigheid, en als ik zo opgewonden ben is wat hij me aandoet een kleinigheid vergeleken bij wat ik verder te doorstaan heb.
– Jongen, zei ik, we zijn nog maar twee dagen verwijderd van de Stad van de Vrede; weldra trekken we een stad binnen waar je zult vinden wat je hitsigheid zal kalmeren.
De rest van de reis bleef ik uit medelijden maar met hem praten om hem te kalmeren. Toen we in Bagdad waren aangekomen maakte ik me grote zorgen om hem en dacht: Het is een vreemdeling, hij is nog jong en nooit eerder in Bagdad geweest. Wie weet of hij niet iemand uit de omgeving van de kalief of de ministers zal zien die hij net zo lastig valt als hij de kameeldrijver heeft gedaan. Dat zou zijn dood zijn!
Ik liet hem dus niet uit het oog. Toen ik een logies gevonden had nam ik hem bij me en zodra hij onze bagage in veiligheid had gebracht was het eerste wat me te doen stond hem mee te nemen naar een koppelaarster om voor hem naar een vrouw uit te kijken die zijn nood kon lenigen. Nauwelijks liep ik met hem door een van de stegen, daar stond hij al stil en zei tegen me:
– Oompje, ik zie net in dat venster een gezicht zo mooi als de zon; die moet ik hebben.
Ik wilde hem ervan afhouden, maar hij ging op de grond zitten en zei:
– Dan wil ik hier sterven!
Ik dacht: Ik heb op hem gepast in de woestijn, zal ik hem dan hier in Bagdad, de stad der verleidingen, aan zijn lot overlaten? Toen ik hem niet kon ompraten keek ik de steeg in en zag daar een huis dat eruit zag of er arme sloebers in woonden. Ik klopte aan en er verscheen een oude vrouw, die ik vroeg naar het huis waar de jongeman die vrouw had gezien. Ze zei:
– Dat is het huis van minister zo-en-zo, en de vrouw die hij gezien heeft is zijn echtgenote.
Toen zei ik tegen de jongen:
– Mijn jongen, zie ervan af en ga met mij mee, dan zal ik je de meisjes van Baghdad laten zien, want je zult mooiere vinden dan deze.
– Bij God, deze wil ik, of de dood!
– Jongeman, zei toen de oude vrouw, als ik je in contact breng, wat betaal je me dan?
De jongeman haalde prompt zijn beurs te voorschijn die hij om zijn middel droeg en telde haar tien gouden dinars uit. De oude vrouw was opgetogen, trok iets aan en kwam naar buiten. Ze klopte aan bij het huis van de minister, waar een eunuch haar opendeed. Weldra kwam ze weer naar buiten en zei tegen de jongen:
– Ik heb geregeld wat je wilde, op bepaalde voorwaarden.
– En welke zijn dat?
– Vijftig mithqals voor haar, zei ze, vijf voor de locatie en vijf voor de eunuch.
Hij betaalde haar de zestig mithqals.
– Ga nu gauw naar het badhuis, hernam de oude, en trek schone kleren aan. Tussen het late middaggebed en het avondgebed moet je hier bij mijn deur komen staan tot je binnengelaten wordt.
De jongeman ging naar het badhuis, knapte zich piekfijn op en ging op de afgesproken tijd bij de deur van de oude vrouw staan. De eunuch kwam naar buiten en nam hem mee. Hij kwam in een grote, prachtig ingerichte salon en hem werd heerlijk eten en drinken aangeboden, waarvan hij zich bediende. Daarop begaf hij zich naar het bed en de dame evenzo. Maar toen zij zich uitgekleed hadden verscheen er ineens een aap van achter een gordijn, krabde de jongen en verwondde hem aan zijn dijen en zijn ballen tot bloedens toe. Hij trok zijn kleren weer aan, maar de drank had hem lodderig gemaakt en hij viel gekleed en wel in slaap. De volgende morgen wekte de eunuch hem en zei tegen hem:
– Nu moet je weggaan, voordat het zo licht is dat de gezichten te onderscheiden zijn.
Dat deed hij, treurig en bekommerd.
Die ochtend dacht de grijsaard: ik ga eens kijken hoe het met die jongen is; misschien is zijn wens in vervulling gegaan en is het goed afgelopen. Hij vond hem zittend bij de deur van die vrouw, zijn hoofd verstopt in zijn halsdoek. Toen hij hem vroeg hem hoe het gegaan was vertelde hij wat hem was overkomen. De man ging bij de oude vrouw naar binnen en vertelde haar wat er aan de hand was; zij ging naar de dame toe om te vragen hoe dat zo gekomen was. Zij zei:
– Je moet weten, we zijn een ding vergeten, namelijk het zakje voor de aap van de huisheer, de vergoeding waar hij recht op heeft: een zakje met een pond suikergoed. Maar als de jongeheer nog eens wil komen vragen wij maar de helft van wat we gisterenavond hebben berekend.
Hij gaf de oude vrouw dus dertig dinar en kreeg de opdracht die avond een zakje suikergoed van een pond mee te brengen voor de aap van de huisheer. In plaats van één zakje nam hij er verscheidene mee. Hij werd weer binnengelaten en kreeg te eten en te drinken. Toen hij naar de dame wilde gaan sprong de aap op hem af. Hij gooide hem het zakje met zoetigheid toe, de aap nam het aan en ging terug naar zijn plaats. Na zijn lust te hebben gekoeld wilde de jongeman nog een keer, maar daar kwam de aap weer. Hij gooide hem een tweede zakje snoep toe, waarop de aap zich terugtrok. Zo ging het een aantal malen, en toen de jongeman moe geworden was en de drank hem slaperig had gemaakt kwam de aap zelfs naar hem toe om hem wakker te maken. Hij nam hem bij de hand en bracht hem naar de vrouw en bewoog zijn eigen vinger in zijn eigen hand op en neer.
De moraal van dit verhaal is dat het geven van geschenken aan bediendes tot de gewenste resultaten leidt, ondanks de hoge heren.
Met dat gebaar van zijn vinger bedoelde de aap: Doe maar zo! Hij liet de jongen niet slapen, maar spoorde hem aan zich uit te leven met de dame tot het ochtendgloren. Toen ging de jongen zijns weegs.

Bron: Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling), 79-85.

Terug naar Inhoud