Kreupelhout in de koran

Op vier plaatsen komt in de koran het Arabische woord ayka voor, ‘kreupelbos’:

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen. (k. 15:78)
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens. (k. 26:176)
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ); dat waren de partijen  (k. 38:13)
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid (k. 50:14; vertalingen F. Leemhuis)

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-ayka te staan en twee maal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft. Hier hebben we kennelijk met een kleine inconsequentie in de spelling van het koranische Arabisch te maken, zoals die wel vaker voorkomen. In sommige versies van de koran staat zelfs layka zonder die rare apostrofe (glottisslag). Met Layka moet echter een eigennaam, waarschijnlijk een plaatsnaam bedoeld zijn, zoals hier en daar nog aan de naamvalsuitgang is te zien, en zoals bepaalde oude korancommentaren ook nog wisten of aannamen. Wat ligt er dan meer voor de hand dan een kleine emendatie, een tekstwijziging? G.R. Puin stelt voor op alle plaatsen Layka zu lesen. Hij meent zelfs te weten waar dit Layka lag: het is volgens hem het haventje Leukē Komē (Λευκή Kώμη) aan de noordwestkust van Arabië, dat al in de Oudheid bekend was. Puin vermoedt het echter wat zuidelijker dan tot nu toe was aangenomen. De raadselachtige ‘mensen van het kreupelbos’ in de koran kunnen dan door ‘de mensen van Layka’ worden vervangen, wat uitstekend past, want in de context van al die vier verzen is sprake van mensen in Noordwest-Arabië.
Knap filologisch denkwerk, dat hier natuurlijk maar heel kort is samengevat. Puin bespreekt uitvoerig waarom het zo moet zijn; ook zijn plaatsing van het haventje wat meer naar het zuiden beredeneert hij. Pikant is dat het hier een tekstwijziging in de Arabische koran betreft, wat voor vele islamitische boekvereerders een ongelooflijk taboe is, vooral als een ongelovige zich eraan schuldig maakt. Maar welbeschouwd hebben oude islamitische geleerden ook in de tekst veranderd, door stiekem de vocalen te veranderen en overal de eenheidsspelling al-ayka te willen invoeren. De moslims uit de begintijd van de islam deden niet zo moeilijk over zoiets.
Nu zal misschien iemand zeggen: die mensen van het kreupelbos kennen we, daarover wordt toch in korancommentaren en profetenverhalen verteld? Dat zegt niets. De vertellers, de vroegste koranuitleggers ‘weten’ altijd alles. Bij voorbeeld dat het een oud-Arabisch volk in de buurt van Midian was, dat niet naar zijn profeet Shu‘ayb wilde luisteren en daarom ten onder ging in een goddelijk strafgericht. Stel er stond oorspronkelijk Layka en ze hebben dat plaatsje niet (meer) gekend en vonden het woord onbegrijpelijk. Eén geleerde is toen op het idee al-ayka te lezen, een woord dat volgens hem wél zin gaf, en sindsdien bestaan die mensen van het kreupelbos. Ze zijn vrij verzonnen, zoals zo veel in de koranexegese. Als dat kreupelbos er eenmaal is, dan gaat het niet meer weg en ontstaan er natuurlijk fantastische verhalen over mensen in een kreupelbos. Volgens Nawas zijn er minstens vijf.
En toch denk ik dat Puin geen gelijk heeft. Leukē wordt in het Duits als loike uitgesproken, wat niet zover af staat van Layka. Maar in het Grieks uit de tijd van de koran klonk het als lefkí, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Natuurlijk kan men tegenwerpen dat in die plaatsnaam nog de klassiek-Griekse uitspraak van eeuwen geleden was overgeleverd, maar dat moet dan eerst hard worden gemaakt. Nee, al met al, de bewijsvoering voor dat haventje is me toch te dun zo. Ik blijf dus vastzitten in het kreupelhout.

Bibliografie
John Nawas, ‘People of the Thicket,’ in Encyclopaedia of the Qurʾān.
Gerd-R. Puin, ‘Leuke Kome / Layka, die Arser/Ashāb al-Rass und andere vorislamische Namen im Koran: Ein Weg aus dem ‘Dickicht’?’ in Karl-Heinz Ohlig en Gerd-R. Puin (uitg.), Die dunklen Anfänge, Neue Forschungen zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlijn 2005, 317–340.

Diakritische tekens en tags: Aṣhḥāb, Leuke Kome

Terug naar Inhoud