De hidjra van de profeet volgens Ibn Ishaq (vertaalde tekst)

““Na het vertrek van zijn gezellen wachtte de profeet in Mekka op Gods toestemming om ook zelf te emigreren. Behalve ‘Alī en Abū Bakr bleef geen van de Emigranten in Mekka achter, met uitzondering van hen die gevangen zaten en degenen die tot afval waren gedwongen. Abū Bakr vroeg de profeet meermalen of hij al mocht emigreren, maar dan kreeg hij ten antwoord: ‘Haast je niet; misschien zal God je een reisgenoot geven.’ Dan hoopte Abū Bakr dat het de profeet zelf zou zijn.

Toen de Qurayshieten merkten dat de profeet aanhangers en vrienden buiten hun stam en buiten hun gebied had en dat zijn gezellen daarheen vertrokken waren, begrepen ze dat zij daar een woonplaats en beschermers hadden gevonden. Nu werden ze bang dat ook de profeet zich bij hen zou voegen, want zij wisten dat hij had besloten oorlog tegen hen te voeren. Daarom kwamen ze bij elkaar in de raadszaal—dat was het huis van Quṣayy ibn Kilāb, waar alle belangrijke besluiten van Quraysh werden genomen—om te beraadslagen wat ze moesten doen met de profeet, nu ze hem te duchten hadden.

Een van onze vrienden, een betrouwbare man, heeft ons bericht van ‘Abdallāh ibn abi Nadjīḥ, die zich beriep op Mudjāhid, en nog een ander onverdacht persoon die ‘Abdallāh ibn ‘Abbās aanhaalde, heeft eveneens verteld: Toen zij daartoe hadden besloten en hadden afgesproken dat ze in de raadszaal zouden vergaderen over de profeet, kwam op de ochtend van de vastgestelde dag—die de dag der Menigte (al-zaḥma) genoemd wordt—de duivel bij hen, in de gedaante van een waardige grijsaard, die was gekleed in een ruige mantel. Toen zij hem bij de deur zagen staan vroegen zij wie hij was. Hij antwoordde dat hij uit de Nadjd kwam, dat hij van hun afspraak had gehoord en was gekomen om zijn oor te luisteren te leggen en hun wellicht goede raad te geven. Hij werd binnengelaten en daar trof hij de edelen van Quraysh in vergadering bijeen. […] Zij stelden vast dat zij, nu Mohammed aanhangers had buiten hun stam, niet langer veilig waren voor een onverhoedse aanval en dat er dus iets ondernomen moest worden. Tijdens de beraadslaging zei iemand: ‘Sla hem in ijzeren boeien, doe de deur op slot en wacht rustig af tot hij dezelfde dood sterft als de dichters Zuhayr en Nābigha en anderen van zijn slag.’ ‘Nee, dat is geen goed plan,’ zei de oude man uit de Nadjd. ‘Als jullie hem gevangen zetten, dan lekt dat uit: zijn gezellen zullen ervan horen en zullen waarschijnlijk onmiddellijk aanvallen en hem bevrijden; dan zal hun aantal zo toenemen dat zij jullie de baas worden. Nee, dat is geen goed plan; jullie moeten iets anders bedenken.’ Toen zei iemand: ‘Laten we hem wegjagen uit ons gebied. Als hij hier eenmaal vandaan is kan het ons niet schelen waar hij heen gaat en waar hij terechtkomt. Als we eerst maar van hem af zijn, dan kunnen wij onze oude eendracht herstellen.’ ‘Ook dit is geen goed plan,’ zei de oude man, ‘zien jullie niet met wat voor mooie verhalen hij komt, hoe goed hij spreekt en hoe hij de mensen in zijn ban houdt met zijn boodschap? Als jullie dat doen zal hij misschien neerstrijken bij een bedoeïenenstam en hen met mooie woorden overhalen naar zijn kant. Dan trekt hij met hen op en verslaat jullie in je eigen gebied; dan krijgt hij hier de macht in handen en zijn jullie aan zijn genade overgeleverd. Nee, bedenk liever een ander plan.’ Toen zei Abū Djahl ibn Hishām dat hij een idee had waar nog niemand op was gekomen: ‘We nemen uit iedere stam een aanzienlijke, sterke jonge man en geven hem een scherp zwaard. Die gaan met hun allen op hem af en doden hem met één klap; dan zijn wij van hem af, want zo wordt de bloedschuld verdeeld over alle stammen; het geslacht ‘Abd Manāf kan het nooit opnemen tegen hen allen, zodat ze genoegen moeten nemen met een bloedgeld, en dat betalen we dan.’ ‘Dat is het!’ zei de oude man uit de Nadjd, ‘er is geen beter plan dan dit.’ Met dit besluit gingen ze uiteen.

Intussen kwam Djibrīl bij de profeet en zei tegen hem, dat hij die nacht niet in zijn eigen bed moest gaan slapen. Nadat er een deel van de nacht verstreken was verzamelden die mannen zich bij de deur van Mohammeds huis om te kijken of hij al sliep; dan zouden ze hem overvallen. Maar de profeet zag hen en zei tegen ‘Alī: ‘Ga jij in mijn bed slapen en hul je in deze groene Hadramitische mantel, want jou zullen ze niets doen.’ Dat was de mantel waarin de profeet gewoonlijk sliep. De rest van het verhaal geef ik in de overlevering van Muḥammad ibn Kaʿb de Qurayẓiet, zoals Yazīd ibn Ziyād mij die heeft doorgegeven: Toen zij zich allemaal bij de deur hadden verzameld zei Abū Djahl tegen hen: ‘Mohammed beweert dat je, als je hem volgt, koning over Arabieren en Perzen wordt, en dat je na je dood wordt opgewekt en dat je een tuin krijgt zo mooi als de tuinen van de Jordaan, maar dat je afgeslacht wordt als je hem niet volgt en dat je dan na je dood zal branden in het hellevuur.’ Hierop kwam de profeet naar buiten, met in zijn handen wat stof, en zei: ‘Zo is het, en dat geldt ook voor jou.’ God had hun gezichtsvermogen weggenomen, zodat ze hem niet konden zien, en hij begon dat stof uit te strooien over hun hoofden, terwijl hij uit soera ‘Yā’ Sīn’ reciteerde: „Yā’ Sīn. Bij de wijze koran. Jij bent werkelijk een van de gezondenen, op een rechte weg. De openbaring van de Geweldige, de Barmhartige […]“, tot de woorden: […] „en Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet kunnen zien.“ [36:1–9] Nadat hij deze verzen had gereciteerd, had hij bij iedereen stof op het hoofd gelegd en ging ongehinderd weg. Er kwam iemand langs die niet bij die mannen behoorde; deze vroeg waarop ze stonden te wachten. Toen ze zeiden dat ze Mohammed opwachtten zei hij: ‘Maar jullie plan is verijdeld! Mohammed is net naar buiten gekomen, heeft stof op jullie hoofd gelegd en is weggegaan. Zien jullie dan niet hoe je eraan toe bent?’ Nu grepen ze naar hun hoofd en voelden het stof. Ze gingen op onderzoek uit en zagen ‘Alī op het bed liggen, gehuld in de mantel van de profeet, en ze zeiden: ‘Maar daar ligt Mohammed toch te slapen onder zijn mantel?’ Dus bleven ze daar tot de ochtend, en toen het ‘Alī bleek te zijn die uit het bed stapte zeiden ze: ‘God allemachtig, dan had die man toch gelijk!’ Over deze dag en over dat besluit van hen heeft God onder andere geopenbaard: ‘En toen degenen die ongelovig zijn een aanslag tegen jou beraamden, om je vast te zetten of te doden of te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’ [8:30] en: ‘Of zij zeggen: ‘Een dichter; wij zullen afwachten wat het wisselvallige noodlot met hem zal doen. Zeg: ‘Wacht maar af; Ik wacht met u mee.’’ [52:30]

Toen gaf God zijn profeet toestemming tot de hidjra. Abū Bakr, die een vermogend man was, had met het oog op de hoopgevende uitlatingen van de profeet alvast twee rijdieren gekocht, ze op zijn binnenplaats opgesloten en ze goed gevoederd. Een man die ik vertrouw heeft van ‘Urwa ibn Zubayr vernomen dat Aisha heeft gezegd: De profeet kwam altijd naar het huis van Abū Bakr in de vroege ochtend of in de avond. Maar op de dag dat hij toestemming kreeg tot de hidjra uit Mekka, kwam hij ’s middags bij ons, op een ongebruikelijk uur. Zodra Abū Bakr hem zag begreep hij dat er iets aan de hand was. De profeet kwam binnen en mijn vader bood hem zijn zitplaats aan. Alleen mijn zuster Asmāʾ en ik waren erbij, en de profeet vroeg aan mijn vader ons weg te sturen. ‘Maar waarom? Dit zijn mijn twee dochters,’ zei Abū Bakr. Toen deelde de profeet mee dat hij toestemming had gekregen om te vertrekken. ‘Samen?’ vroeg Abū Bakr. ‘Ja, samen,’ antwoordde hij. Ik had nog nooit iemand van vreugde zien huilen, totdat ik mijn vader zag huilen op die dag. Hij vertelde over de twee kamelen die hij klaar hield. Zij huurden ‘Abdallāh ibn Arkaṭ, die toen nog heiden was, als gids en gaven hem de beide kamelen om ze te verzorgen tot het afgesproken tijdstip. Naar verluidt wist niemand van het vertrek van de profeet, behalve ‘Alī en Abū Bakr en diens gezin. ‘Alī was door de profeet op de hoogte gebracht en had opdracht gekregen, in Mekka achter te blijven om namens hem de mensen hun waardevolle voorwerpen terug te geven die ze bij hem in bewaring hadden gegeven. Want iedereen in Mekka die iets bezat waarom hij zich zorgen maakte deponeerde dat bij de profeet, omdat die bekend stond als eerlijk en betrouwbaar.

Toen de profeet besloot te vertrekken ging hij naar Abū Bakr. Door een raampje aan de achterkant van Abū Bakrs huis verdwenen ze. Zij begaven zich naar een grot in de Thawr, een berg beneden Mekka, waar zij zich verborgen. Abū Bakr droeg zijn zoon ‘Abdallāh op om overdag te gaan afluisteren wat de mensen over hen zeiden en ’s avonds het nieuws van die dag te komen melden. Zijn vrijgelaten slaaf “Āmir ibn Fuhayra gaf hij opdracht, overdag zijn kudde te hoeden en die ’s avonds bij hen in de grot te brengen. Zijn dochter Asmāʾ bracht hun ’s avonds het nodige voedsel. De profeet bleef drie dagen in de grot, met Abū Bakr. De mannen van Quraysh loofden intussen honderd kamelen uit voor degene die hun de profeet in handen zou spelen. ’s Avonds bracht ‘Abdallāh verslag uit van wat ze in Mekka bespraken en beraamden, en ‘Āmir kwam met het vee van Abū Bakr, dat hij samen met de herders van de Mekkanen had geweid, naar de grot, waar ze het molken en er een beest van slachtten. Als ‘Abdallāh ’s morgens naar Mekka ging volgde ‘Āmir hem met de kudde om zijn sporen uit te wissen. Toen er zo drie dagen voorbij waren gegaan en de aandacht van Quraysh verslapte, kwam de man die zij hadden gehuurd met hun kamelen en nog een kameel voor zich zelf, terwijl Asmā’ hun voedsel kwam brengen voor onderweg; zij had echter vergeten een touw mee te brengen, zodat zij de zak niet op de kameel kon binden. Toen maakte zij haar gordel los en gebruikte die als touw. Daarom kreeg zij de bijnaam: ‘zij van de gordel’. Abū Bakr toonde de profeet de beide dieren en bood hem het beste aan om te berijden. Maar de profeet weigerde een kameel te berijden die niet van hem was. Toen Abū Bakr hem het dier wilde schenken weigerde hij dat ook, en vroeg voor hoeveel hij het gekocht had; voor die prijs nam hij het over. Ze gingen op weg, en Abū Bakr nam zijn vrijgelatene ‘Āmir ibn Fuhayra achterop, zodat die hen onderweg kon bedienen.

Niet af; hier hoort nog een groot tussenstuk.@@

Hun gids, ‘Abdallāh ibn Arkaṭ,@ leidde hen onder Mekka, langs de kust, onder ‘Usfān voorbij. Vervolgens ging het langs Amadj en verder langs Koedaid@. Daarna vermeed hij de weg en voerde hen via Kharrār en de Marra-pas naar Liqf. Vandaar langs de waterput van Liqf, omlaag naar die van Mahādj; toen naar Mardjiḥ Mahādj, en omlaag naar Mardjih in Dhū al-Ghadwayn, door het dal van Dhū Kashr, over Djadādjid, Adjrad, Dhū Salam in het dal A‘dā’, de waterput van Ta‘hin, over ‘Abābīd; toen via Fāddja. Toen leidde de gids hen van ‘Ardj naar de ‘Ā’ir-pas, rechts van Rakūba tot in het dal van Riʾm, en ten slotte bereikten zij Qubāʾ, bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf op maandag 12 rabīʾ al-awwal, precies op het middaguur.

Muḥammad ibn Dja‘far ibn Zubayr doet het volgende verhaal van ‘Urwa ibn Zubayr dat deze heeft vernomen van ‘Abdallāh ibn ‘Uwaymir ibn Sā‘ida, dat gezellen van de profeet uit zijn stam hem hebben verteld: Zodra wij hadden gehoord van Mohammeds vertrek uit Mekka verlangden wij vurig naar zijn aankomst. Na het ochtendgebed gingen wij altijd naar het lavaveld buiten Medina om hem op te wachten; wij bleven daar tot er helemaal geen schaduw meer was en wij wel moesten terugkeren, want het was in het hete jaargetijde. Ook op de dag dat de profeet aankwam waren wij daar geweest, maar toen hij eraan kwam waren wij al teruggegaan om binnen in de schaduw te gaan zitten. De eerste die hem zag was een jood. Deze had gezien hoe wij dagelijks de komst van de profeet verwachtten. Hij riep zo hard hij kon: ‘Mannen van Qayla, jullie geluk is gekomen!’ Toen kwamen wij naar buiten en troffen de profeet aan in de schaduw van een palm, met naast zich Abū Bakr, die van dezelfde leeftijd was. De meesten van ons hadden de profeet nog nooit gezien, en toen onze mensen samendromden rondom hen, wisten ze niet wie van de twee het was. Pas toen hij in de volle zon kwam te zitten en Abū Bakr opstond om hem schaduw te bieden met zijn bovenkleed begrepen wij het. Naar verluidt nam de profeet zijn intrek bij Kulthūm ibn Hidm, een broeder van de stam ‘Amr ibn Awf, iemand uit het geslacht ‘Ubayd; maar volgens anderen bij Sa‘d ibn Khaythama. Degenen die menen dat het bij Kulthūm was, zeggen dat de profeet het huis van ʿalleen heeft bezocht, en wel omdat deze ongetrouwd was en geen gezin had en hij de ongehuwde Emigranten herbergde, en dat zo het gerucht is ontstaan dat de profeet bij Sa‘d inwoonde. Diens huis wordt ook wel genoemd: het vrijgezellenhuis. Maar God weet het best hoe het gegaan is. Abū Bakr ging in Sunḥ wonen, bij Khubayb ibn Isāf, van het geslacht Ḥārith ibn Khazradj; volgens anderen bij Kharidja ibn Zayd. ‘Alī was nog drie dagen in Mekka gebleven om namens de profeet alle in bewaring genomen voorwerpen terug te geven; daarna voegde hij zich bij de profeet en woonde met hem bij Kulthūm. De profeet bleef bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf te Qubāʾ van maandag tot donderdag en legde daar de hoeksteen voor een moskee. Op vrijdag liet God hem vandaar vertrekken (al beweren de mensen van ‘Amr dat hij langer bij hen bleef; maar God weet het het beste). Het vrijdagsgebed verrichtte hij bij het geslacht Sālim ibn ‘Awf. Hij verrichtte het in de moskee in het diepst van het rivierdal Ranūnāʾ. Dat was het eerste vrijdagsgebed die hij in Medina verrichtte. Toen hij verder trok kwamen er telkens vertegenwoordigers van de verschillende clans naar hem toe die hem vroegen of hij bij hen wilde blijven en hun bezit en bescherming wilde aanvaarden, maar hij antwoordde: ‘Laat mijn kameel gaan, want hij staat onder Gods bevel!’ Zo trok de kameel verder, van de ene woonstee naar de andere, tot hij bij het geslacht Mālik ibn Nadjdjār kwam, waar hij neerknielde bij de poort van de moskee. Destijds was dat een plaats waar dadels gedroogd werden, die toebehoorde aan twee wezen uit de stam Nadjdjār, die onder voogdij stonden van Mu‘ādh ibn ‘Afrā’, namelijk Sahl en Suhayl ibn ‘Amr. Daar de profeet echter niet afsteeg, stond de kameel weer op en liep een eindje verder, waarbij de profeet de teugel vrij liet en hem niet leidde. Maar de kameel keerde om, ging terug naar diezelfde plek en knielde neer. Hij wilde weer overeind komen, maar kon het niet en bleef liggen met zijn voorlijf op de grond. Toen steeg de profeet af. Abū Ayyūb Khālid ibn Zayd droeg zijn bagage zijn huis binnen en de profeet nam bij hem zijn intrek. Hij informeerde naar de droogvloer en Mu‘ādh vertelde hem dat die toebehoorde aan die twee wezen, maar dat hij hem als moskee in gebruik kon nemen en dat hij de beide jongens schadeloos zou stellen. De profeet gaf opdracht, daar een moskee te bouwen en bleef bij Abū Ayyūb tot de moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. De profeet nam zelf ook deel aan de arbeid, om de moslims aan te moedigen. Zowel de Emigranten uit Mekka als de Helpers uit Medina werkten er onvermoeibaar aan. De profeet bleef in Medina van de maand rabīʾ al-awwal tot de maand ṣafar van het volgende jaar, toen zijn moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. Deze stam der Helpers nam in zijn geheel de islam aan, en er was geen huis waarvan de bewoners zich niet bekeerden. Alleen Khaṭma, Waqif, Wā’il en Umayya, die samen de Aws Allāh vormen, een deel van de stam Aws, volhardden in hun heidendom’’’’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 323–329; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 100–106.

Ga naar De hidjra in de koran      De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

Terug naar Inhoud