Mimouni, De bastaarden; De vloek (bespr.)

Rachid Mimouni, De bastaarden van de Profeet. De gevaren van het Islamitisch fundamentalisme. Vertaling en voorwoord Lambiek Berends en Jacqueline Wesselius, Bussum 1992.

Rachid Mimouni, De vloek. Roman. Vertaald door Peggy van der Leeuw en Jelle Noorman. Bussum 1994 (La malédiction).

————-

Tot de landen die bezig zijn zich zelf te vernietigen behoort ook Algerije. Dertig jaar na de onafhankelijkheid wordt een verlopen dictatoriaal regime, oorspronkelijk naar Sovjet-model, fel bestreden door een volksbeweging die zich bedient van de banier van de islam. De vermeende moslims vermoorden enkele overheidsdienaren en intellectuelen per dag en snijden ook buitenlanders de keel af. Een land met honderden Salman Rushdies is het daar geworden: vrijwillig huisarrest voor geletterden, en vaak wisselen van onderduikadres.
Eén van de beste schrijvers uit dit rampgebied is Rachid Mimouni (1945). In 1991 schreef hij Straf voor het leven, een roman die vaag iets met het land te maken heeft, maar toch bovenal een universeel meesterwerk is. Zijn twee nieuwste boeken, een groot uitgevallen pamflet en een roman, gaan uitdrukkelijk over de toestand in Algerije. Afstand nemen kan hij niet meer.
Mimouni is behalve schrijver ook hoogleraar ontwikkelingeconomie aan de universiteit van Algiers. Te doceren valt er daar voor hem niets meer, en te schrijven evenmin. Hij is intellectueel, areligieus, kritisch en Franstalig; even zovele redenen waarom de extremisten hem hoog op hun dodenlijst geplaatst hebben. Hij kan niet meer naar huis en is, als zovelen, aan de zwerf gegaan. Nu eens zit hij in Tunesië, dan weer in Marokko, soms ook in Frankrijk.
De bastaarden van de Profeet is een groot uitgevallen pamflet. Het vertelt over de vernietiging van Algerije, en waarschuwt voor het overslaan van de islamitische revolutie naar de rest van Noord-Afrika, en de gevolgen daarvan voor Europa. Mimouni laat overduidelijk zien hoe het Islamitisch Heilsfront zijn archaïscherende ideaal probeert door te drukken, met als eerste slachtoffers de vrouw, de kunst en de cultuur. Ook verklaart hij hoe deze onstuitbaar schijnende ideologie zo goed wortel kon schieten: Algerije is na dertig jaar wanbestuur volkomen uitgewoond; het lijdt onder schaarste, woningnood, een uitgeholde publieke moraal, het onderwijs is een ramp en de intellectuelen zijn altijd bange jaknikkers geweest. Dit alles wordt voortdurend geïllustreerd aan voorbeelden uit het dagelijks leven.
In Algerije is de scheidslijn die van de taal: wie ontwikkeld, gearriveerd en modern is spreekt en leest Frans; wie het niet gehaald heeft bedient zich van het Arabisch en kan vaak helemaal niet lezen. Al heeft Mimouni veel succes in het buitenland, het moet frustrerend voor hem zijn dat hij, door in het Frans te schrijven, alleen mensen bereikt die het toch al met hem eens zijn. Ik weet niet of hij in het Arabisch had kúnnen schrijven; in ieder geval had zijn werk in die taal nooit gepubliceerd kunnen worden. Hij weet veel van Algerije, maar niet van de islam en hij is daar ook niet in geïnteresseerd. Bijna Europees-afstandelijk spreekt hij over ‘de moslims’ tot wie hij zich zelf blijkbaar niet rekent. Dat is zijn goed recht, maar tragisch is het wel. Als de tegenstelling in Algerije er een was tussen ‘gewone’ en extremistische moslims, dan was er nog hoop. Maar de kloof is dieper: intellectuelen als Mimouni voelen zich beter thuis bij de Franse literatuur of filosfie dan bij de islam.
Voor ons is De bastaarden intussen zeer lezenswaardig. Het biedt de gelegenheid snel iets te leren over een land waarover nooit iemand iets wilde weten, maar dat opeens erg dichtbij ligt. Zwak is alleen het hoofdstukje over ‘het Westen’. De islamisten zien daarin de bron van alle kwaad; de schrijver zelf is teleurgesteld en verwijt het Westen gebrek aan belangstelling en struisvogelpolitiek. Waarom wordt er toch zoveel verwacht van dat onmachtige Westen?
In De vloek zijn de stof en de boodschap van De bastaarden nog eens op literaire wijze verwoord. Er wordt een aantal losse personen geïntroduceerd––sommigen zó weggelopen uit het pamflet––die iets met elkaar te maken blijken te hebben en elkaar treffen rond de belangrijkste gebeurtenis: de opstand van moslim-extremisten in 1991. Centraal staat de kraamafdeling van een ziekenhuis, dat door de extremisten enige dagen bezet wordt gehouden. Het ziekenhuis is een metafoor voor het zieke Algerije en hoe dat eruit zal zien na een ‘islamitische’ machtsovername. De toestand waarin het aanvankelijk verkeert herinnert aan de Sovjet-Unie: tekort aan alles; cynische, laffe en corrupte artsen en morsige verpleegsters, die de injectienaald al even flodderig hanteren als hun lippenstift. Wanneer de gelovige analfabeten het bewind overnemen blijken deze supporters van de zich barmhartig noemende Allah behalve onbekwaam ook volstrekt meedogenloos te zijn. Niet zonder reden is de afdeling verloskunde als locatie gekozen: deze is het kwetsbaarst in het nieuwe paradijs, omdat zij  te maken heeft met de positie van de vrouw, volgens Mimouni het centrale leerstuk van de puriteinen. Patiënten die onzedelijk geleefd hebben (doordat zij verkracht zijn bij voorbeeld) sterven omdat hun zorg wordt onthouden. Ongehuwde moeders die moeten bevallen worden zonder pardon op straat gezet. Barmhartigheid treft men alleen aan bij dokter Kader, maar hem wordt de toegang tot de patiënten ontzegd. De goede Kader wordt tenslotte berecht voor een geïmproviseerd tribunaal in een garage, dat zich zonder twijfel voor islamitisch houdt. Beschuldigd van het verduisteren van patiëntendossiers, en van overspel met de vrouw van de rechter, die zijn eigen dood gewaande broer blijkt te zijn wordt hij ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt later voltrokken op het strand, door de broer persoonlijk.
Dat van die broer is al te dik aangezet, en er is meer mis in deze roman. Het doet bij voorbeeld onwerkelijk aan om Palsec, een vijftienjarig straatjoch dat is opgegroeid in staatsinrichtingen voor bastaarden en daaruit veelvuldig is ontsnapt, te zien overlopen van mensenliefde en wijze beschouwingen in keurig Frans te horen houden. Al te veel plaats wordt ingeruimd voor de herinneringen van Si Morice, een oude vrijheidsstrijder die nu alleen nog leeft in het verleden en een roes van alcohol. Zijn herinneringen en die van anderen heeft de schrijver nodig om ons ‘de vloek’ aan te praten. Het gaat namelijk mis met Algerije omdat er van meet af aan een vloek rustte op de onafhankelijkheid. De jarenlang geïdealiseerde vrijheidsstrijd was in werkelijkheid vol willekeur, onrecht, nodeloos geweld en persoonlijke wraakoefeningen, en dus allerminst heroïsch. Is er dan van de nakomelingen van deze strijders, ‘de kinderen van de haat,’ beter gedrag te verwachten? Deze gedachtengang, die op zich aanvaardbaar is, wordt de lezers wel uitgelegd, maar het boek is er niet echt van doortrokken. Uitleg is in een roman niet voldoende.
De schrijver zij echter veel vergeven. Dat hij kan schrijven wisten we al, en dat hij in de huidige omstandigheden minder in vorm is, is volkomen begrijpelijk. Het is al een wonder dat hij nog schrijft, en dapper is het ook. Maar gelukkig hoeven we De vloek niet alleen uit sympathie te lezen. Al is de opzet van het geheel niet overtuigend, er zijn vele passages die, op zich zelf beschouwd, de aanschaf van dit boek rechtvaardigen. Zeer krachtig wordt getoond waarom en hoe mensen zich de nieuwe vorm van de islam aansluiten. Onvergetelijk zijn de bladzijden bij voorbeeld over het intieme leven in een kamer waarin vier volwassenen moeten slapen, en ook die over de dagelijkse gang in een ziekenhuis. Bepaalde personen blijven je bij. De sukkel die met alle revoluties meedoet en zich nu ijlings de Koran laat onderwijzen; een jurist die vrachtautochauffeur geworden is, omdat er toch geen recht is; een kreng van een vrouwelijke vrouwenarts, gesluierd en haatdragend; een burgermeisje dat besloten heeft verpleegster te worden maar haar weerzin voor vuile werkjes nauwelijks kan onderdrukken, allen tonen zij dat Mimouni’s meesterschap nog intact is. De kracht ligt bij deze beide boeken voornamelijk in het documentaire, en daarin heeft de roman nog een dimensie meer dan het pamflet.

Verschenen in NRC-Handelsblad 4.2.1994          Terug naar Inhoud