Mimouni, Straf voor het leven (bespr.)

Rachid Mimouni, Straf voor het leven. Roman. Vertaald door Jelle Noorman, Bussum 1992  (Une peine à vivre, Paris 1991).

Vlak voor het sterven, zo wil de overlevering, zie je je hele leven nog eens in een flits voorbij trekken. Deze roman van de Algerijn Mimouni (1945) tracht zo’n flits in woorden te vatten. De hoofdpersoon bevindt zich namelijk met zijn rug tegen een muur en zal over enkele minuten door een executiepeleton worden doodgeschoten.
Net goed, want het slachtoffer is een ellendige dictator, de Generalissimus van een zonnig, autocratisch geregeerd land. Een wees van zigeunerafkomst, die als kind al stelend en vechtend zijn kostje bij elkaar moest scharrelen, die met bedrog de militaire academie doorliep en vervolgens over lijken opklom via de inlichtingendienst tot hoofd Staatsveiligheid en tenslotte een bloedige coup pleegde tegen de vorige Generalissimus. Wat hem zelf de kop gaat kosten is niet een complot, maar een innerlijke zwakheid, die zich eerst uit in onverklaarbare slapeloosheid, vervolgens in de fixatie op de architectuurstudente met wie hij ooit een beetje gelukkig is geweest. Hij laat haar door zijn diensten ontvoeren en zet haar min of meer gevangen in zijn paleis. Als zij hem afwijst is hij heel verbaasd, en voortaan doet hij alles waarvan hij denkt dat zij het prettig vindt: hij laat politieke gevangenen vrij, geeft bevel een zekere persvrijheid in te voeren en instituten voor architectuurstudie te openen. Om zijn aanbedene te winnen roept hij tenslotte de democratie uit en treedt hij af.
De vrouw is echter niet onder de indruk, en het land is ‘niet toe aan democratie’: iedereen die een beetje zou kunnen regeren is allang om zeep gebracht en te veel mensen hebben belang bij de corrupte chaos. De enige vertrouweling van de Generalissimus, bevreesd voor anarchie, ziet zich gedwongen alsnog een coup te plegen, die hem op het schavot brengt.
Dit vrolijk-schrijnende, zeer onderhoudende boek roept diverse associaties op. Het eerst moest ik denken aan Ibn Khaldūn, de veertiende-eeuwse Noordafrikaanse historicus en socioloog die de regelmaat ontdekte in opkomst en verval van de staatjes in dat gebied. Telkens veroverde een stam van geharde nomaden vanuit de woestijn een stad, stichtte daar een bewind en viel vervolgens ten prooi aan verdeeldheid en de genietingen van macht en weelde. Als hun staat afbrokkelde kwam er een nieuwe bende uit de woestijn en begon de geschiedenis opnieuw. De dictator in de staat van Mimouni is maar één man, maar hij vertegenwoordigt wel die woestijn. De cyclus van elkaar opvolgende dictatoren is met het politieke landschap gegeven en gaat eindeloos door, omdat het land niet anders gewend is of kan willen.
Ik heb van dit boek ook genoten zoals van Yes Minister, de televisieserie van de BBC, die de dagelijkse gang en het taalgebruik in het hoofdkwartier van een democratie zo schitterend blootlegde. Mimouni’s boek kan worden opgevat als het equivalent daarvan over een moderne dictatuur. Het heeft eenzelfde brille en minstens zo veel vaart. Eén reden om dit boek snel uit te lezen is nieuwsgierigheid naar de volgende slimme zet die de dictator zal doen om complotten te verijdelen of te ensceneren, of anderszins zijn potentiële vijanden tegen elkaar uit te spelen.
Wat Mimouni niet toelaat is een bezorgd medeleven met de bewoners van zo’n achterlijk derdewereldland. De lezer wordt gedwongen alles te zien door de ogen van de heerser, en in diens ogen zijn die burgerluitjes maar slappelingen die het in hun broek doen. Als er al iets van medeleven opkomt is het met de dictator zelf. Mimouni speelt het klaar, ons zo bij diens lotgevallen en gedachtenleven te betrekken dat we inderdaad met hem te doen hebben als hij ’s nachts niet kan slapen, in één van zijn veertig identieke, zwaarbewaakte slaapvertrekken. Zou hij soms gekweld worden door zijn geweten, om al die gemartelde en vermoorde onderdanen?
Ach welnee, zoiets heeft hij niet eens. Het innerlijk leven van de dictator is uiterst schraal, en dat is wat dit boek vooral wil laten zien. Hij heeft zijn biografie grotendeels gemeen met Ceauşescu of Saddam Husein. Maar het is aandoenlijk om te zien hoe achter dat keiharde machopantser, als in een loze noot, een rudimentair, rimpelig zieltje schuilt, dat zelfs nog wat kan groeien, al moet het vrijwel bij nul beginnen. Het kind heeft nooit een koesterende moederhand gevoeld, nooit een prijzend woord gehoord, nooit met vriendjes gespeeld, nooit gevliegerd, nooit genoten van een ijsje. De jongeman heeft nooit een meisje bloemen gegeven; hij is zelfs verbaasd dat mensen daar blij mee kunnen zijn. Seks is nooit iets anders geweest dan een uitdrukking van macht. ’s Mans hele leven is een willekeurige, sterk uitvergrote wraakoefening voor de verschrikkingen van zijn jeugd. Zijn ademhalingsmoeilijkheden bij voorbeeld schrijft hij toe aan de tabakspluk waarin hij als jongen heeft gewerkt. Ten onrechte, zoals en passant blijkt, maar voor een oerfascist móet nu eenmaal alle ellende een oorzaak buiten hemzelf hebben, en hij kent geen andere genoegdoening dan vertienvoudiging van de tabaksaccijns.
Als hij het meisje eenmaal gevangen heeft krijgt hij toch nog enige menselijke trekjes, al maakt hij haar bespottelijk totalitair het hof. Zijn ontwikkeling gaat echter te langzaam, en de monsterlijke instellingen waarvan hij zowel het product als de instandhouder is, vernietigen hem voor hij verder komt.
Er zijn misschien maar dertig van zulke staatshoofden in de wereld. Maar Mimouni’s mengsel van doorzicht, spot en een beetje deernis kan tegen iedere dictatuur, ook op huiselijker schaal, een geducht wapen zijn.

Verschenen in NRC-Handelsblad 17.7.1992            Terug naar Inhoud