Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 1

Wat oude Arabische poëzie wil ik hier ook kwijt. Het Arabisch heeft een bijzonder rijke poëzie die voor mij niet de reden was om met Arabisch te beginnen, maar vanaf zeker moment wel om ermee door te gaan.
Mijn probleem is dat ik wel proza kan vertalen, maar geen poëzie. Ik ga het dus ook maar niet proberen en geef alleen nuchtere zinnen die de betekenis van het gelezene moeten weergeven, plus een commentaar die ze nog moeten verduidelijken. Er kan zo geen poëtische leeservaring tot stand komen, maar misschien heeft toch iemand er iets aan, om een indruk te krijgen.
Er bestaan Nederlandse vertalingen van Arabisch poëzie door twee personen: Geert Jan van Gelder en Hafez Bouazza.1 Daar vindt U iets  beters te lezen.

Een gedicht van ‘Umar ibn abī Rabī‘a,2 die omstreeks 700 leefde. Hij behoorde tot een voorname familie uit de stam Quraysh. In Mekka boomde in die tijd het pelgrimswezen. Na jaren waarin de stad door het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr was afgesneden van Syrië, toenmaals het centrum van het rijk, was nu de eenheid hersteld en sjokten de karavanen uit Damascus af en aan. Als zovele bedevaartsoorden was Mekka een ontmoetingsplaats waar je kon flirten en een partner kon vinden. ‘Umars poëzie heeft vaak Mekka als locatie; we zien de voorname dames uit het noorden uit hun draagstoelen stappen. Het lyrische ik geeft zijn ogen goed de kost, flirt en laat het allicht niet bij kijken alleen. In hoeverre de gedichten pure fantasie zijn blijft onduidelijk.

  • Ach, had Hind haar belofte maar vervuld, en onze ziel van haar lijden genezen!
    Had ze maar één maal haar eigen zin gedaan! (Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen)
    Ze zeggen dat ze onze buurvrouwen vroeg, toen zij zich eens ontbloot had om zich te verfrissen:
    ‘Zien jullie mij zoals hij me beschreven heeft, toe zeg het me! Of overdrijft hij?’
    Toen lachten ze onder elkaar en zeiden tegen haar: ‘Schoonheid in elk oog is wat het bemint.’
    Zo spraken zij uit jaloezie op haar, waarvan zij vol waren. (Vanouds was er onder de mensen nijd.)
    ‘Een rank jong ding is het; als zij haar tanden bloot lacht zie je kamille of hagelstenen.
    In haar ogen wisselt diep zwart zich af met wit; rankheid is haar hals.
    Zacht is zij: koel in de zomer, als de hittegloed al ’s morgens oplaait,
    en warm in de winter: een deken voor de jongeling in de nacht, wanneer de bittere kou hem bedekt.’
    Ik weet nog goed dat ik tegen haar zei, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden:
    ‘Wie ben jij?’ vroeg ik. ‘O,’ zei ze, ‘iemand verteerd door passie, uitgeteerd door kommer.
    Wij als mensen uit al-Khayf, behorend tot het volk van Mina — voor wie wij doden is er geen vergelding.’
    Ik zei: ‘Welkom, jij bent wat wij begeren; zeg nu hoe je heet!’ ‘Ik ben Hind,’ zei ze,
    ‘mijn hart is tot waanzin gebracht, want het is vol van een fijn geklede jongeman, kaarsrecht als een lans.
    Jouw mensen zijn inderdaad onze buren; wij en zij zijn één en hetzelfde.’
    Ze hebben me verteld dat zij me behekst heeft – maar wat een heerlijke hekserij!
    Telkens als ik vroeg: ‘Wanneer is onze afspraak?’ lachte Hind en zei: ‘Overmorgen!’

haar eigen zin: een fatsoenlijke vrouw kan zich natuurlijk niet van haar begeleiders losmaken voor een afspraakje met zomaar een jongeman. De naieve dichterpersona gaat ervan uit, dat Hind natuurlijk wel zin gehád had in een afspraakje met hem.
onze ziel genezen van haar lijden: de ik spreekt hier in het dichterlijke bescheidenheidsmeervoud; verderop niet meer. In Arabische poëzie kunnen ‘wij’ en ‘ik’ elkaar snel af wisselen.
De verliefde man lijdt: dat is standaard in de liefdespoëzie van na de opkomst van de islam. De geliefde is daarentegen koud en wreed en speelt spelletjes met hem.
Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen, en Vanouds was er onder de mensen nijd: in Arabische gedichten komen dikwijls zulke algemene ‘wijsheden’ voor; ook wel in de vorm van spreekwoorden. Het gedicht wordt ter afwisseling als het ware even stil gezet voor een algemene beschouwing waarmee de hoorders kunnen instemmen.
Schoonheid in elk oog is wat het bemint is ook zo’n wijsheid; hier elegant in de mond van de buurvrouwen gelegd.
Een rank jong ding ]…] kou hem bedekt. De suggestie wordt gewekt dat dit de verzen zijn die de dichter op de mooie vrouw had gecomponeerd.3 Maar er is niets individueels aan de beschrijving van haar schoonheid; het zijn precies de cliché’s die werden verwacht. Cliché’s horen thuis in deze poëzie; de dichter toont zijn kunnen door daarop knap te variëren.
In de volgende dialoog betoont het lyrische ik zich nogal een sul, terwijl Hind geraffineerd en wreed is. Zij beweert verteerd door passie, uitgeteerd door kommer te zijn. Dat is een brutale rolwisseling! Zij zou verliefd zijn? Normaal worden dit soort woorden door de verliefde man in het gedicht gesproken. Hind is natuurlijk helemaal niet verliefd maar gaat hem om haar vinger winden.
al-Khayf […] Mina; voor wie wij doden is er geen vergelding. Mina, waar de pelgrims verblijven, behoort tot het heiligdom van Mekka. Daar is bloedvergieten niet geoorloofd, en bloedwraak dus ook niet. Vandaar dat Hind ongestraft haar prooi zal kunnen doden; ze waarschuwt maar vast. Het doden is in overdrachtelijke zin: de vrouw wordt vaak voorgesteld als iemand die pijlen afschiet uit haar ogen en daarmee de smachtende minnaar doodt. Een ‘liefde op het eerste gezicht’ leidt vaak tot de liefdesdood, althans in de literatuur. Al die sluiers zijn er niet voor niets: ze voorkomen dodelijke ongelukken.
Mijn hart […] als een lans: Nogmaals doet Hind alsof zíj degene is die door liefde tot waanzin wordt gedreven. De fijn geklede, kaarsrechte jongeman, eveneens een vleiend cliché, is natuurlijk het lyrische ik.
Ze hebben me verteld : vrienden van de ikfiguur, personen die traditioneel de lijdende minnaar proberen te redden, wat hier wel niet zal lukken.
behekst: de vrouw is hoe dan ook schuld aan de jammerlijke toestand waarin de ik zich bevindt.
Met het woord overmorgen laat Hind tenslotte nog weten dat er nooit een rendez-vous met het lyrische ik plaats zal hebben. Dat hadden alle hoorders van het gedicht al begrepen; alleen hij zelf niet. Na het laatste vers begint zijn verzuchting als het ware weer van voren af aan.

NOTEN
1. Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie. Ingeleid, gekozen, uit het Arabisch vertaald en geannoteerd door Geert Jan van Gelder, Amsterdam/Leuven, z.j.
Hafez Bouazza, Schoon in elk oog is wat het bemint (herziene, uitgebreide versie), Prometheus 2005. Bouazza heeft ook elders nog poëzie vertaald. De titel van zijn bundel doet vermoeden dat hij ook het bovenstaande gedicht vertaald en misschien besproken heeft. Ik kan dat nu niet nagaan; in mijn buitenlandse woonomgeving heb ik zijn boek niet ter beschikking.
2.

لَيْتَ هِنْدًا أَنْجَزَتْنَا مَا تَعِدْ * وَشَفَتْ أَنْفُسَنَا مِمَّا تَجِدْ
وَاسْتَبَدَّتْ مَرَّةَ وَاحِدَةً * إنَّمَا العَاجِزُ مَنْ لاَ يَسْتَبِدْ
زَعَمُوهَا سَأَلَتْ جَارَاتِنَا * وَتَعَرَّتْ ذَاتَ يَوْمٍ تَبْتَرِدْ
أَكَمَا يَنْعَتُنِي تُبْصِرْنَنِي * عَمْرَكُنَّ اللهَ أَم لاَ يقْتَصِدْ
فَتَضَاحَكْنَ وَقَدْ قُلْنَ لَهَا * حَسَنٌ فِي كُلِّ عَيْنٍ مَنْ تَوَدْ
حَسَدًا حُمِّلْنَه مِنْ أَجْلِهَا * وَقَدِيمًا كَانَ فِي النَّاسِِ الحَسَدْ
غَادَةٌ يَفْتَرُّ عَنْ أَشْنَبِهَا * حِينَ تَجْلُوهُ إَقَاحٍ أَوْ بَرَدْ
وَلَهَا عَيْنَانِ فِي طَرْفَيْهِمَا * حَوَرٌ مِنْهَا وَفِي الجِيدِ غَيَدْ
طَفْلَةٍ بَارِدَةُ القَيْظِ إذَا * مَعْمَعَان الصَيْفِ أَضْحَى يَتَْقِدْ
سُخْنَةُ المَشْتَى لِحَافٌ لِلْفَتَى * تَحْتَ لَيْلٍ حِينَ يَغْشَاهُ الصَّرَدْ
وَلَقَدْ أَذْكُرُ إذْ قُلْتُ لَهَا * وَدُمُوعي فَوْقَ خَدِّي تَطَّرِدْ
قُلْتُ مَنْ أَنْتَ فَقَالَتْ أَنَا مَنْ * شَفَّهُ الوَجْدُ وَأبْلاَهُ الكَمَدْ
نَحْنُ أَهْلَ الخَيْفِ مِنْ أَهْلُ مِنًى * مَا لِمَقْتُولٍ قَتَلْنَاهُ قَوَدْ
قُلْتُ أَهْلاً أَنْتُمُ بُغْيَتُنَا * فَتَسَمَّيْنَ فَقَالَتْ أَنَا هِنْدْ
إنَّمَا خُبِّلَ قَلْبِي فَاحْتَوَى * صَعْدَةً فِي سَابِرِيٍّ تَطَّرِدْ
إنَّمَا أَهْلُكَ جِيرَانٌ لَنَا * إنَّمَا نَحْنُ وَهُمْ شَيْءٌ أَحَدْ
حَدَّثُونِي أَنَّهَا لِي نَفَثَتْ * عُقَدًا يَا حَبَّذَا تِلْكَ العُقَدْ
كُلَّمَا قُلْتُ مَتَى مِيعَادُنَا * ضَحِكَتْ هِنْدٌ وَقَالَتْ بَعْدَ غَدْ

3. Te vergelijken misschien met de piropos in Spanje.

Terug naar Inhoud