Raar mannetje sloopt de Ka‘ba

In de Eindtijd, kort voor de Jongste Dag dus, zullen er zowel volgens christelijke als islamitische overleveringen onaangename creaturen verschijnen die de mensheid het leven schier ondraaglijk maken en weedom verbreiden over het aardrijk. Bij de christenen is de hoofdfiguur de Antichrist, bij de moslims de dadjdjāl, ook een soort Antichrist.1 Maar moslims kennen ook nog andere eindtijdfiguren: de Qahtānī, de Sufyānī en Dhū al-Suwayqatayn. Bovendien breken er twee gewelddadige volken los: Gog en Magog (Arabisch: Yādjūdj en Mādjūdj), en een beest uit de aarde, en er doen zich rampzalige natuurverschijnselen voor. Volgens beide religies wordt aan alle ellende een eind gemaakt door de wederkomende, triomferende Jezus, en in de islam ook nog door de Mahdī. Oude voorzeggingen, die in perioden van rust en welvaart niemand interesseren, maar in moeilijke tijden steeds weer mensen meeslepen.
De minst bekende islamitische eindtijdfiguur is misschien Dhū al-Suwayqatayn, ‘de man met de korte beentjes,’ die de Ka‘ba zal vernielen. Ik geef enkele—niet alle—hadithen, sommige met oude commentaren:

  • … dat de profeet gezegd heeft: ‘Het is alsof ik hem voor me zie: zwart, met zijn hielen ver uit elkaar, hij breekt haar steen voor steen af.’2
  • De profeet heeft gezegd: De Ka‘ba wordt vernietigd door Dhū al-Suwayqatayn uit Ethiopië,3
  • … van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Ik heb de profeet horen zeggen: De Ka‘ba wordt vernietigd door Dhū al-Suwayqatayn uit Ethiopië, die haar van haar sieraad (hilya)4 berooft en het kleed (kiswa) eraf trekt. Het is alsof ik hem voor mij zie: een kaalhoofdig, krombenig mannetje; hij slaat erop met zijn schop en zijn pikhouweel.5
  • …  in de hadith van Hudhayfa [ibn al-Yaman]: Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode onderbenen en blauwe ogen, met een platgedrukte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Kaʿba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.6

Gelukkig is het een Afrikaan; anders zouden er vast weer mensen een vetzuchtige Amerikaan of Europeaan in hem herkennen. Een raar mannetje blijft het: rode benen en blauwe ogen waren vanouds in Ethiopië zeldzaam en dikke buiken ook. Een platte neus zou nog zin hebben wanneer we niet aan Ethiopiërs denken, maar aan bepaalde volkeren verderop uit Afrika. Maar Ethiopisch staat in de hadith meestal voor ‘christelijk’.7 Het gevaar voor de Kaʿba komt dus uit christelijke hoek. Ooit in de voorgeschiedenis hebben volgens de overlevering Ethiopiërs geprobeerd Mekka te veroveren. Dat is door goddelijk ingrijpen mislukt, maar aan het einde der tijden krijgen zij de kans om te doen wat zij blijkbaar altijd al wilden: de Ka‘ba slopen.

Wat hieronder volgt is vooral bedoeld voor arabisten en voor die twee studenten in Nederland en drie in Vlaanderen die nog grondig Klassiek-Arabisch studeren. Ik wil U met deze teksten niet voorbereiden op het nabije Einde, maar laten zien dat het verkeerd is, te snel te denken dat U een oude tekst begrijpt. Bovendien zijn de teksten aanleiding om U te attenderen op een mooi wetenschappelijk boek over Oudarabische kleuren.

Hoe zit dat met die beentjes? Suwayqatān/-­ayn betekent ‘kleine onderbenen’. Een aantal Arabieren die ik het woord heb voorgelegd dacht daarbij spontaan wat ik zelf ook dacht: ‘korte beentjes’. De commentator al-Nawawī is echter van mening dat het dunne benen betreft. Hij voegt eraan toe: ‘Van de zwarten is bekend dat zij dunne benen hebben’. Dat kunnen we beamen, voor zover het de oorspronkelijke bewoners van Noordoost-­Afrika betreft, die inderdaad vaak lang en rank van gestalte zijn. Toch denk ik dat al-Nawawī het juist daarom bij het verkeerde eind heeft. Hij heeft niet het woord zelf laten spreken, maar zich een doorsnee Ethiopiër voor de geest gehaald en die beschreven willen zien. De teksten willen het mannetje echter beschrijven in zijn opvallende, niet in zijn normale eigenschappen.

Verder wemelen de bovenstaande hadithen van de adjectieven van het patroon aFʿaLu, of zo u wilt aC1C2aC3u (waarbij C staat voor consonant), dat is gereserveerd voor adjectieven die kleuren of vormen, vaak onveranderlijke lichamelijke eigenschappen aanduiden. In het oude Arabië was dat één categorie. Bij voorbeeld aṣfaru, ‘geel’, aṭrashu, ‘doof,’ akhzaru ‘met varkensoogjes’ en vele, vele meer.
Over dit type woord heeft Wolfdietrich Fischer in 1965 een geleerd boek8 in de beste Duitse traditie geschreven, met een berg bewijsplaatsen uit de oude Arabische poëzie, waarin de wereld heel anders werd bekeken dan wij gewend zijn. Bij de lectuur blijkt al spoedig dat ons spectrum vergeleken bij dat van de oude Arabieren nogal simpel is. Hadithen heeft Fischer in zijn boek niet verwerkt; vandaar dat sommige aFʿaLu-woorden uit onze teksten bij hem niet te vinden zijn. In dat geval moeten we ons behelpen met de woordenboeken, die heel wat armzaliger zijn dan Fischers boek.

In de bovenstaande hadithen en commentaren, plus nog een aantal tekstvarianten, komen de volgende aFʿaLu-woorden voor:

aswadu ‘zwart’, zeker gebruikt van de huidskleur van Afrikanen. Maar van mensen betekent het ook: ‘met een laag of laf karakter, met een laaghartige gezindheid’ en dat zal hier meeklinken. Ons slopertje is een Ethiopiër, maar ook een duistere gestalte.

afḥadju, niet in Fischer. Lane: having the fore parts of the feet together and the heels wide apart. De Biberstein Kazimirski: ‘qui marche les talons écartés et le devant des pieds rapproché’. Iemand met een gebrek en een raar loopje dus.

uṣayliʿ. Maar dat is toch geen aFʿaLu-woord? Nee, maar het is een verkleinwoord van het aFʿaLu-woord aṣlaʿu, wat ‘kaalhoofdig’ betekent, maar ook ‘penis’. Het verkleinwoord betekent dus ‘kaalkoppie’, maar is ook in gebruik voor ‘eikel, glans penis’.

ufaydiʿ, een verkleinwoord van afdaʿu, en dat is volgens Lane iemand die last heeft van fadaʿ, i.e deflection and distortion of the wrist or of the ankle-joint, so that the hand or the foot becomes turned towards the inner side, or a colliding of the [inner] ankle bones, and a wide separation of the feet, to the right and the left. Een verdraaiing in de pols of enkel: betekent het verkleinwoord dus zoiets als ‘krompootje’? Door die verkleinwoorden wordt in ieder geval de indruk versterkt dat we hier niet met een lange man met dunne benen te maken hebben, maar met een klein kereltje.

aḥmaru is ‘rood,’ dat weet iedereen, dus dat hoeven we niet op te zoeken? Het is de kleur van bloed bij voorbeeld, en het kan ook wat donkerder zijn, zoals bij rode wijn. Toch maar even bij Fischer kijken: het is ook het roodbruine van paardenbenen, maar kijk eens aan: het betekent ook ‘blank’ van huid. Inderdaad is de huid van blanke mensen welbeschouwd niet wit. Afgezien daarvan was het Oudarabische woord abyaḍu ‘wit’ niet als kleuraanduiding voor mensen te gebruiken, omdat het woord al bezet was: abyaḍu is ook ‘opvallend, in het oog lopend’ en vandaar van mensen: ‘voornaam, edel’. Het tegendeel van aswadu.
Is hij voor de helft een blanke dan, die Dhū as-Suwayqatayn? Een halve Ethiopiër met blanke beentjes? Die Ethiopische christenen zijn sowieso halve Grieken; zit dat er soms achter? Nee, deze gedachtengang voert niet verder.
Maar misschien zijn die benen helemaal niet aḥmaru, misschien deugt de tekst gewoon niet. Het woord komt maar in één versie voor; op de plaats van dit woord komen de meeste varianten voor. Het boven reeds genoemde afḥadju en ook aṣlaʿu, maar ook nog twee andere woorden, te weten aṣʿalu, ‘smal van hoofd’ en aṣmaʿu, ‘whose ear is like that of the gazelle, whose ear is little, and cleaving to the head’ (Lane) en zelfs afadjdju ‘having his legs wide apart‘ (Lane).
Kortom, de overleveraars waren op deze plek kennelijk in verlegenheid en hebben maar wat aangerommeld.

azraqu is ‘blauw,’ dat kennen we ook. Fout! Over dit woord is bij Fischer (blz. 47–55) het meeste op te steken. Die ogen zijn helemaal niet blauw, dat wordt al spoedig duidelijk. In het oude Arabisch betekende azraqu zoiets als ‘van kleur wisselend, glinsterend, changeant’. Denkt u aan de flikkerende ogen van een roofdier. Dat is dan ook van toepassing in Koran 20:102:   وَنَحْشُر الْمُجْرمينَ يَوْمئذٍ زُرْقًا . Niet zoals Kramers vertaalt: ‘ en waarop Wij bijeendrijven de boosgezinden blauwogig.’

afṭasu ‘platgedrukt’, dat is onproblematisch.

Het mannetje heeft dus geen rode maar blanke beentjes, of er is nog iets heel anders met die beentjes aan de hand. De blauwe ogen zijn niet blauw, maar flikkerend, dreigend.

NOTEN
1. Ontleend aan Bijbel, Matthaeus 24:24. In de Syrische vertaling: mesīḥē daggālē, ‘valse messiassen’. Ook in het Arabisch komt de woordkombinatie al-masīḥ al-dadjdjāl vaak voor. Te onderscheiden zijn: de ‘gewone’ dadjdjāl, de op een eiland in het Westen vastgebonden daddjāl, en Ibn Ṣayyād. Over de laatste zie Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist”. A reappraisal of the texts,’ in Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder (uitg.), Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, Berlin 2008, blz. 261–291; hier te downloaden. Over andere dadjdjāl-varianten zie David Cook, Studies in Muslim Apocalyptic, Princeton (NJ) 2002.
2. Al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Ḥadjdj 49. De parallelplaatsen komen nog@:

حدثنا عمرو بن علي حدثنا يحيى بن سعيد حدثنا عبيد الله بن الأخنس حدثني ابن أبي مليكة عن ابن عباس عن النبي ص قال كأني به أسود أفحج يقلعها حجرا حجرا.

3. Al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Ḥadjdj 49:

حدثنا يحيى بن بكير حدثنا الليث عن يونس عن ابن شهاب عن سعيد بن المسيب أن أبا هريرة رضي الله عنه قال: قال رسول الله ص يخرب الكعبة ذو السويقتين من الحبشة.

4. Tekstvariant: ‘haar schat (kanz)’. Wat daaronder te verstaan is blijft onduidelijk.
5. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 220:

حدثنا عبد الله حدثني‮ ‬أبي‮ ‬ثنا أحمد بن عبد الملك وهو الحراني‮ ‬ثنا محمد بن سلمة عم محمد بن إسحق عن ابن أبي‮ ‬نجيح عن مجاهد عن عبد الله‮ ‬بن عمر،‮ ‬وقال سمعت‮ ‬رسول الله ص يقول‭:‬‮ ‬يخرب الكعبة ذو السويقتين من الحبشة‮ ‬ويسلبها حليتها،‮ ‬ويجرّدها من كسوتها،‮ ‬ولكأني‮ ‬أنظر إليه أصيلع أفيدع‮ ‬يضرب عليها بمسحاته ومعوله‮.‬

6. Tegen mijn gewoonte heb ik hier nog geen behoorlijke bronvermelding. De tekst is uit een commentaar op een hadith-collectie; ik ben de herkomst even kwijt. Komt wel weer.

كأني‮ ‬أنظر إلى حبشي‮ ‬أحمر الساقين‮ ‬،‮ ‬أزرق العينين،‮ ‬أفطس الأنف،‮ ‬كبير البطن‮ ‬،‮ ‬وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له‮ ‬ينقضونها حجرا حجرا‮ ‬ويتداولونها حتى‮ ‬يطرحوها في‮ ‬البحر‮.‬

7. Zie Wim Raven, ‘Some early Islamic texts on the negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218, vooral blz. 216–18; hier te downloaden.
8. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965.

Diakritische tekens: Qaḥtānī, ḥilya, Ḥudhayfa

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud