Ibn Hazm en zijn Ring van de duif

Als zoon van een hoge ambtenaar aan het Umayyadenhof in Córdoba bracht Ibn Hazm al-Andalusī (994–1064) zijn jonge jaren in weelde door. Na de dood van zijn vader en de verwoesting van diens paleis bij de plundering van Córdoba door Berbers in 1013 trok hij van stad naar stad, en kreeg te lijden onder ballingschap, gevangenschap en verbranding van zijn boeken. Was hij aanvankelijk vooral literair geïnteresseerd, later wijdde hij zich aan de theologie en het recht. Als rechtstheoreticus was hij onafhankelijk. Zijn juridisch compendium al-Muhallā wordt heden ten dage nog veel gelezen.
.
Zijn Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf (De Ring van de duif. Over minnaars en liefde), een verhandeling over de liefde in theorie en praktijk, is een vroeg werk uit het jaar 1027, dat de auteur schreef voordat hij zich aan de theologie en het recht wijdde. In een systematische verhandeling over de liefde, die echter met vele anekdoten en autobiografische fragmenten is doorspekt, behandelt hij het ontstaan van de liefde, haar verschijningsvormen en bijverschijnselen en de hindernissen die zij op haar weg vindt. De prozadelen zijn verlucht met gedichten, die vrijwel allemaal van de schrijver zelf stammen. Enkele hoofdstukken lijken opvallend kort, wat kan liggen aan het feit dat het werk onvolledig en in slechts één handschrift is bewaard (Leiden Or. 927).

Het eerste hoofdstuk gaat over het wezen der liefde. Volgens Ibn Ḥazm is de liefde in haar zuiverste vorm ‘de vereniging van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie […] in die zin, meen ik, dat de zielenkrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.’ Deze opvatting, die sterk aan Plato en zijn Symposion herinnert, is goed met een islamitische ethiek verenigbaar. De liefde komt van God, maar het is aan de mens, de zonde te vermijden.
Het volgende hoofdstuk beschrijft de tekenen der liefde, zoals de gefixeerdheid op de geliefde, verwarring, slapeloosheid, vermagering, onrust, huilbuien e.a. Hier loopt onmiskenbaar een lijn naar geneeskundigen uit de Oudheid, zoals Galenus. In vijf hoofdstukken wordt vervolgens uiteengezet, hoe de liefde ontstaat. Dat kan in een droom gebeuren, op grond van een beschrijving, op het eerste gezicht of pas geleidelijk. Ook zijn er mensen, die verliefd worden op één eigenschap en daarna geen anderen meer kunnen waarderen. Daarna wordt beschreven wat er zoals bij de liefde komt kijken, bij voorbeeld amoureuze toespelingen, tekens en wenken, briefwisseling, het bewaren resp. rondvertellen van het liefdesgeheim, onderworpenheid en grofheid. Ook die personen, die ondersteunend of verhinderend tussen de beide geliefden treden, worden voorgesteld, zoals de boodschapper die brieven en berichten overbrengt, de albedil, die de affaire ontraadt, en de bespieder, die de geliefde voortdurend in het oog houdt. De lasteraar probeert het paar uit elkaar te brengen of het openlijk aan de kaak te stellen; een goede vriend daarentegen geeft de minnaar een steuntje in de rug en helpt hem waar hij kan. Deze figuren herkent U misschien uit de Europese literaturen; inderdaad schijnt de Andalusische liefdespoëzie onze troubadours en minnezangers beïnvloed te hebben.
Hst. 20 behandelt het hoogtepunt van de liefde: het verenigd zijn van de geliefden. Vanaf dit punt gaat het bergafwaarts met de liefde in het boek; echter niet rechtstreeks, maar zigzag. De volgende hoofdstukken zijn naar tegendelen geordend: tegenover het verenigd zijn staat de koelheid, tegenover trouw staat trouweloosheid, tegenover de scheiding de tevredenheid. Als de scheiding een feit is kan de minnaar ofwel wegkwijnen of proberen de scheiding te vergeten. Als het vergeten en zich troosten hem niet lukt kan hij aan liefde sterven (hst. 28). Was het naar voren halen van die tegenstellingen voor al-Djāhiz (± 776–868) een belangrijk middel van zijn dialectiek geweest, in de tijd van Ibn Hazm was het alleen nog maar een elegant stijlmiddel.
De beide laatste hoofdstukken, ‘De verwerpelijkheid van de zonde’ en ‘De deugd der kuisheid,’ zijn anders dan de andere. Zij bevatten talrijke citaten uit de koran, uitspraken van de profeet en rechtsgeleerde overwegingen. Misschien heeft Ibn Hazm deze hoofdstukken toegevoegd of omgewerkt nadat hij religieus geworden was, of hij heeft bij voorbaat kritiek die hij verwachtte willen ontzenuwen.
Ibn Hazm was niet de eerste die systematisch over de liefde schreef: hij stond in een traditie. Eén voorganger was Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahānī, die hij in de Tawq ook noemt. Deze had omstreeks 900 een bloemlezing uit de poëzie geschreven, waarin hij aan de hand van thematisch geordende poëziecitaten en ook in verzen van eigen hand uitlegt wat de liefde is en hoe zij functioneert; daar tussendoor staan theoretische fragmenten in proza. Bij Ibn Hazm overwegen het proza en de anekdote; de gedichten die hij citeert zijn allemaal van hemzelf en zijn stijl is soepeler. Maar de volgorde van de onderwerpen is in beide boeken vergelijkbaar; ook de hoofdstukindeling naar tegenstellingen was al bij zijn voorganger aanwezig.

Het unieke van Ibn Ḥazms werk is dat het zo persoonlijk is. Anders dan veel andere Arabische auteurs presenteert de auteur niets uit een oude clichétrommel. De ‘verhalen van de Bedoeïenen en de oude Arabieren’ laat hij bewust weg; hij biedt alleen eigen observaties en beschouwingen, of wat hij uit de eerste hand had gehoord. En last, but not least: hij beschrijft ook zijn eigen belevenissen, inclusief die met de slavinnen in zijn welgestelde ouderlijk huis. Zijn verdriet over één van die meisjes beschrijft hij op indrukwekkende wijze.
Ṭawq al-ḥamāma geeft een inzicht in de liefdestheorie en liefdesliteratuur, in het leven van de voorname kringen van het toenmalige Córdoba én in de intiemste roerselen van de auteur.

Uitgaven Arabische tekst:
– Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf, uitg. D. K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914.
– Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf; uitg. H. K. al-Sayrafī, Cairo 1950.

Vertaling:
– Ibn Hazm, De ring van de duif. Een Moorse verhandeling over minnaars en liefde, vert. en inl. Remke Kruk en Jan Just Witkam, met een essay van Camilla Adang, Amsterdam 2008.

Secundaire literatuur:
– De inleiding van Remke Kruk en J.J. Witkam en het essay over leven en werk van Ibn Hazm door Camilla Adang in bovengenoemde vertaling.
– E. García Gómez: Introducción, in: Ibn Hazm: El collar de la paloma, Madrid 1952, 81990.
– L. A. Giffen, ‘Ibn Hazm and the Tawq al-Hamama,’ in: The Legacy of Muslim Spain, uitg. S. K. Jayyusi, Leiden 1994, dl. 1, 420–442.

Diakritische tekens: Ibn Ḥazm, al-Muḥallā, Ṭawq al-ḥamāma, al-Djāḥiẓ, al-Ṣayrafī

Terug naar Inhoud