De dadjdjaal op het eiland (vertaalde hadith)

[…] van Fātima bint Qays, de zuster van al-Dahhāk ibn Qays, een vrouw van de eerste Emigranten: […] Ik hoorde de roeper van de profeet omroepen dat het tijd was voor het gezamenlijk gebed. Dus ging ik naar de moskee en verrichtte het gebed met de profeet, in de eerste vrouwenrij achter de mannen. Toen de profeet zijn gebed had beëindigd ging hij lachend op de preekstoel zitten en zei: Laat iedereen nog op zijn plek blijven zitten! Vervolgens zei hij:
– Weten jullie waarom ik jullie bijeen heb gehouden?
– Dat weten God en zijn gezant het beste, zeiden ze.
– Ik heb jullie niet hier gehouden, zei hij, om jullie te vermanen of schrik aan te jagen, maar omdat Tamīm al-Dārī, een christen die moslim is geworden, mij iets heeft verteld dat overeenstemt met wat ik jullie verteld heb over de masīh al-dadjdjāl.1
.
Hij vertelde dat hij zich met dertig man uit de Banū Lakhm en de Banū Djudhām had ingescheept en zij een maand lang op zee een speelbal van de golven waren. Toen waren ze voor anker gegaan op een eiland in de richting waar de zon ondergaat, en ze waren met een sloep op dat eiland aan wal gegaan. Daar kwamen ze een harig beest tegen, zo zwaar behaard dat ze zijn voorkant niet van de achterkant konden onderscheiden.
– O wee, wat ben jij voor iets? vroegen ze.
– Ik ben de djassāsa, antwoordde het dier, waarop zij vroegen wat dat was.
– Mensen, zei het beest, jullie moeten naar die man in het klooster gaan, want hij verlangt er erg naar, bepaalde zaken van jullie te horen.
Toen hij een van ons bij name noemde werden we bang dat het een duivelin was. We haasten ons dus naar dat klooster en vonden daar de grootste man die we ooit gezien hadden, met zijn handen geboeid in zijn nek en ijzeren boeien tussen zijn onderbenen tot aan zijn enkels.
– O wee, wie bent u?
– Van mij zouden jullie vlug genoeg gehoord hebben, maar vertel eens, wie zijn jullie?
– Wij zijn Arabieren, wij zijn aan boord van een schip gegaan, maar wij troffen een zeer onstuimige zee en bleven een maand lang een speelbal van de golven. Toen wierpen wij het anker bij uw eiland, we gingen in de sloep en gingen op het eiland aan wal, waar wij een harig beest ontmoetten, met zo veel haar dat de voorkant niet van de achterkant te onderscheiden was.
– O wee, wat ben jij voor iets? vroegen we.
– Ik ben de djassāsa, zei het beest, waarop wij vroegen wat dat was.
– Jullie moeten je naar die man in het klooster begeven, zei het, want hij verlangt er erg naar, bepaalde zaken van jullie te horen.
We haastten ons dus naar u toe want we waren bang voor dat beest en waren niet zeker dat het geen duivelin was.
[De geboeide man] zei:
– Vertel me over de dadelpalmen van Baysān.
– Wat wilt u precies weten?
– Ik vraag jullie of die bomen vrucht dragen of niet.
– Ja, zeiden we. Daarop vroeg hij:
– Ik denk dat ze binnenkort geen vrucht meer zullen dragen. Vervolgens zei hij:
-Vertel me over het meer van Tiberias.
– Wat wilt u precies weten?
– Staat er water in?
– Er staat heel veel water in. Daarop zei hij:
– Weldra zal het droogvallen. Vervolgens zei hij:
– Vertel me over de bron Zughar.
– Wat wilt u precies weten?
– Staat er water in, waarmee de bewoners hun land bevloeien?
– Ja, zeiden we, er staat veel water in en de bewoners bevloeien daarmee hun land. Vervolgens zei hij:
– Vertel me over de profeet der heidenen;2 wat heeft hij gedaan?
– Hij heeft Mekka verlaten en heeft zich in Yathrib [=Medina] gevestigd.
– Hebben de Arabieren hem bevochten?
– Ja.
– Wat heeft hij met hen gedaan?
Daarop vertelden wij hem, dat hij over de aangrenzende Arabieren de overwinning had behaald en zij hem gehoorzaamden.
– Is dat echt [al] gebeurd?
– Ja.
– Dat is beter voor hen, dat zij hem gehoorzamen. Nu zal ik iets over mijzelf vertellen. Ik ben de Messias (masīh);1 mij zal weldra worden toegestaan uit te breken, dus ik zal uitbreken en door het land reizen, en er zal geen stad zijn waar ik niet veertig dagen vertoef, behalve Mekka en Ṭayba, want die beide zijn mij verboden. Telkens als ik een van die twee wil betreden, komt een engel mij met getrokken zwaard tegemoet en verspert mij de weg; iedere andere doorgang wordt door engelen bewaakt.
.
Toen zei de profeet, terwijl hij met zijn stok op de preekstoel sloeg: Het is Ṭayba, het is Ṭayba, het is Ṭayba—dat wil zeggen Medina—had ik het jullie niet verteld?
– Ja, zeiden de mensen.
– Mij bevalt het verhaal van Tamīm, vervolgde de profeet, omdat het overeenstemt met wat ik jullie over [de dadjdjāl] en over Mekka en Medina verteld heb. Kijk, hij is in de Syrische Zee of in de Jemenitische Zee.3 Nee, toch niet: hij is in het Oosten, in het Oosten, in het Oosten! en hij gebaarde in de richting van het Oosten.
.
[Fātima bint Qays] zei: Dit verhaal heb ik van de profeet onthouden.4

—————————–
Tot zover de vertaling van dit wonderlijke verhaal. Weggelaten heb ik een groot stuk vooraf, waar de overleveraarster Fātima bint Qays over haar persoonlijke zaken spreekt. Op dit moment kan ik niet overzien in hoeverre dat invloed zou hebben op de interpretatie. Er zijn overigens ook tekstvarianten die meteen ter zake komen.
De stammen Lakhm en Djudhām zijn christelijke stammen; ook de verteller Tamīm was tot voor kort nog christen; bovendien is er sprake van een klooster. Maar verwantschap met wat voor christelijk verhaal dan ook is nog niet ontdekt.
De vraag wat de djassāsa is blijft in het verhaal nadrukkelijk onbeantwoord. Ook ik heb geen antwoord gevonden; een blik in het Syrische woordenboek heeft niets opgeleverd. Natuurlijk kunnen we aan het apokalyptische beest denken, dat volgens de christelijke overlevering uit de zee opkomt,5 en volgens de islamitische overlevering uit de aarde.6 Maar dat beest geldt niet als bijzonder behaard.
De zeevarenden zouden de dadjdjāl hebben ontmoet kort nadat de profeet zich in Medina had gevestigd. Zeer binnenkort zou hij uit zijn boeien bevrijd worden en op de wereld losgelaten worden. De komst van de dadjdjāl is dus ophanden; christelijke theologen spreken in zo’n geval van Näheerwartung. Het einde der tijden wordt niet in een verre toekomst verwacht, maar nu, binnenkort.
David Cook wijst erop dat de plaatsen waarnaar de dadjdjāl informeert (Baysān, Tiberias en Zughar) alle in Noord-Palestina resp. Zuid-Syrië liggen, en dat de vragen betrekking hebben op de waterstand. Cook vermoedt daarom, dat het verhaal ontstaan kan zijn na een rampzalige droogte in dat gebied, zoals er bij voorbeeld een was in het jaar 747. Dat bij het ontstaan van de voorspellende vertelling de voorspelde droogte al achter de rug was heeft men niet storend gevonden. Apocalyptische voorspellingen zijn immers altijd recyclebaar. Denkt u maar aan de mensen die op grond van de Maya-kalender geloofden dat op 21 december 2012 de wereld zou vergaan. Als de wereld dan toch niet vergaat wordt er doodleuk een nieuwe datum geprikt of ‘gevonden’. Echte apocalyptici laten zich niet tegenhouden.

NOTEN
1. Het woord dadjdjāl is ontleend aan de Syrische vertaling van de Bijbel, Matthaeus 24:24: mesīḥē daggālē, ‘valse messiassen’. Ook in het Arabisch komt de woordcombinatie al-masīh al-dadjdjāl vaak voor.
Er zijn drie dadjdjāl-overleveringen te onderscheiden: de ‘klassieke’ dadjdjāl, de op een eiland in het Westen vastgebonden daddjāl, die hier wordt behandeld, en Ibn Ṣayyād.
Over alle dadjdjāl-varianten zie David Cook, Studies in Muslim Apocalyptic, Princeton (NJ) 2002; over de onderhavige zie aldaar 117–120.
Over Ibn Sayyād zie ook Wim Raven, ‘Ibn Sayyād as an Islamic “Antichrist”. A reappraisal of the texts,’ in Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder (uitg.), Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, Berlin 2008, blz. 261–291; hier te downloaden.
2. Traditionele moslims zullen waarschijnlijk willen vertalen: ‘de profeet der ongeletterden’, maar dat betekent niet zo veel. Hier is ummī misschien nog ἐθνικός, gentilis, niet-joods; dus ‘de profeet der heidenen,’ zoals Paulus de apostel der heidenen was.
3. De Middellandse Zee resp. de Rode Zee.
4. Muslim, Sahīh, Fitan 119 (2942):

حدثنا عبد الوارث بن عبد الصمد بن عبد الوارث وحجاج بن الشاعر كلاهما عن عبد الصمد (واللفظ لعبد الوارث بن عبد الصمد) حدثنا أبي عن جدي عن الحسين بن ذكوان حدثنا ابن بريدة حدثني عامر بن شراحيل الشعبي شعب همدان أنه سأل فاطمة بنت قيس أخت الضحاك بن قيس وكانت من المهاجرات الأول […] سمعت نداء المنادي منادي رسول الله ص ينادي الصلاة جامعة. فخرجت إلى المسجد فصليت مع رسول الله ص فكنت في صف النساء التي تلي ظهور القوم. فلما قضى رسول الله ص صلاته جلس على المنبر وهو يضحك فقال ليلزم كل إنسان مصلاه. ثم قال أتدرون لم جمعتكم قالوا الله ورسوله أعلم قال إني والله ما جمعتكم لرغبة ولا لرهبة ولكن جمعتكم لأن تميما الداري كان رجلا نصرانيا فجاء فبايع وأسلم وحدثني حديثا وافق الذي كنت أحدثكم عن مسيح الدجال حدثني أنه ركب في سفينة بحرية مع ثلاثين رجلا من لخم وجذام فلعب بهم الموج شهرا في البحر. ثم أرفئوا إلى جزيرة في البحر حتى مغرب الشمس فجلسوا في أقرب السفينة فدخلوا الجزيرة فلقيتهم دابة أهلب كثير الشعر لا يدرون ما قبله من دبره من كثرة الشعر. فقالوا ويلك ما أنت فقالت أنا الجساسة قالوا وما الجساسة قالت: ”أيها القوم انطلقوا إلى هذا الرجل في الدير فإنه إلى خبركم بالأشواق. قال لما سمت لنا رجلا فرقنا منها أن تكون شيطانة. قال فانطلقنا سراعا حتى دخلنا الدير فإذا فيه أعظم إنسان رأيناه قط خلقا وأشده وثاقا مجموعة يداه إلى عنقه ما بين ركبتيه إلى كعبيه بالحديد. قلنا ويلك ما أنت قال قد قدرتم على خبري فأخبروني ما أنتم قالوا نحن أناس من العرب ركبنا في سفينة بحرية فصادفنا البحر حين اغتلم فلعب بنا الموج شهرا ثم أرفأنا إلى جزيرتك هذه فجلسنا في أقربها فدخلنا الجزيرة فلقيتنا دابة أهلب كثير الشعر لا يدرى ما قبله من دبره من كثرة الشعر فقلنا ويلك ما أنت. فقالت أنا الجساسة قلنا وما الجساسة قالت اعمدوا إلى هذا الرجل في الدير فإنه إلى خبركم بالأشواق فأقبلنا إليك سراعا وفزعنا منها ولم نأمن أن تكون شيطانة. فقال أخبِروني عن نخل بيسان. قلنا عن أي شأنها تستخبر قال أسألكم عن نخلها هل يثمر؟ قلنا له: نعم قال أما إنه يوشك أن لا تثمر. قال: أخبِروني عن بحيرة الطبرية. قلنا عن أي شأنها تستخبر قال هل فيها ماء؟ قالوا هي كثيرة الماء قال أما إن ماءها يوشك أن يذهب. قال أخبروني عن عين زُغَرَ. قالوا عن أي شأنها تستخبر؟ قال هل في العين ماء وهل يزرع أهلها بماء العين؟ قلنا له: نعم هي كثيرة الماء وأهلها يزرعون من مائها قال أخبروني عن نبي الأميين ما فعل قالوا قد خرج من مكة ونزل يثرب قال: أَقاتله العرب؟ قلنا: نعم. قال كيف صنع بهم فأخبرناه أنه قد ظهر على من يليه من العرب وأطاعوه قال لهم قد كان ذلك قلنا نعم قال أما إن ذاك خير لهم أن يطيعوه وإني مخبركم عني إني أنا المسيح وإني أوشك أن يؤذن لي في الخروج فأخرج فأسير في الأرض فلا أدع قرية إلا هبطتها في أربعين ليلة غير مكة وطيبة فهما محرمتان علي كلتاهما كلما أردت أن أدخل واحدة أو واحدا منهما استقبلني ملك بيده السيف صلتا يصدني عنها وإن على كل نقب منها ملائكة يحرسونها قالت قال رسول الله ص وطعن بمخصرته في المنبر هذه طيبة هذه طيبة هذه طيبة يعني المدينة ألا هل كنت حدثتكم ذلك. فقال الناس: نعم. فإنه أعجبني حديث تميم أنه وافق الذي كنت أُحدّثكم عنه وعن المدينة ومكة أَلاَ إنه في بحر الشأم أو بحر اليمن، لا بل من قِبل المشرق، ما هو من قبل المشرق ما هو من قبل المشرق ما هو وأومأ بيده إلى المشرق.
قالت: فحفِظت هذا من رسول الله ص.

5. Bijbel, Openbaring 13:1.
6. Koran 27:82: دابة من الأرض .

Diacritische tekens en tags: Tamim al-Dari Tamim ad-Dari Dajjal  ad-dajjal  Deccal Djassasa Jassasa Masīḥ, al masih al dajjal, Faṭima, al-Ḍaḥḥāk, Ṭayba, mesīḥē daggālē, Ibn Ṣayyād, Ṣaḥīḥ

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud