Ibrahim, de zoon van de profeet

Had Mohammed een zoon? Behalve mensen met ‘geloofskennis’ weet niemand dat; er staat zo weinig vast over de profeet dat zulke vragen niet te beantwoorden zijn. Er wordt van hem gezegd dat hij verscheidene vrouwen heeft gehad. Als dat klopt zal hij allicht ook kinderen gehad hebben, waaronder zonen. Over drie van hen berichten hadithen: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm. Alle drie zouden ze al als zuigeling gestorven zijn. De laatstgenoemde zou vernoemd zijn naar de profeet Ibrāhīm (Abraham). Enkele  hadithen over hem volgen hier:   

  • [… van Anas:] De profeet zei: ‘Vannacht heb ik een zoon gekregen; ik noem hem naar mijn vader Ibrāhīm.’ Hij gaf hem over aan de [voedster] Umm Sayf, de vrouw van een smid die Abū Sayf heette. Op een dag ging hij hem bezoeken; ik kwam mee en toen we bij Abū Sayf aankwamen was die met de blaasblag in het smidsvuur aan het blazen; het hele huis was vol rook. Ik snelde vooruit en zei: Hou op, Abū Sayf, de profeet is er! Hij hield op en de profeet riep om Ibrāhīm, knuffelde hem en praatte van alles tegen hem. Anas zei: Ik heb hem ook gezien toen [het kind] in zijn bijzijn op sterven lag. Hij huilde een zei: ‘De ogen wenen en het hart is bedroefd, maar wij zeggen alleen wat God tevreden stelt. Bij God, Ibrāhīm, we zijn wél bedroefd om je.’ 1
  • Ten tijde van de profeet was er een zonsverduistering op de dag dat Ibrāhīm stierf. De profeet zei: ‘De zon en de maan zijn [niet meer dan] twee van Gods tekenen; zij worden niet verduisterd vanwege iemands dood en evenmin vanwege zijn leven. Als jullie een [zons- of maansverduistering] zien, bidt dan tot God en verricht gebeden tot zij voorbij is.’ 2
  • Toen Ibrāhīm, de zoon van de profeet stierf, zei deze tegen de mensen: ‘Wikkel hem niet in het doodskleed voordat ik hem nog heb gezien.’ Toen liep hij op hem toe, boog zich over hem heen en huilde.3

Oude Arabische geschiedschrijvers weten nog te vertellen dat hij in het jaar 7 (= 629) werd geboren, dat zijn moeder de Koptische slavin Māriya was, en dat hij binnen twee jaar is gestorven. Wie hadith als geschiedbron serieus neemt zou op grond van de eerste tekst hierboven aan rookvergiftiging als doodsoorzaak kunnen denken. Veel is het niet, wat we over het ventje te horen krijgen. Dat is niet verbazend: over een zuigeling is nu eenmaal niet veel te vertellen. Maar ook de weinige harde feiten die we lijken te hebben zijn niet hard. Zijn moeder alleen al, de Koptische Māriya, is rijkelijk fictief. Zij zou deel uitgemaakt hebben van een geschenkzending die de Muqawqis, een raadselachtige heerser in Alexandrië, in het jaar 7 na de hidjra aan de profeet zou hebben gestuurd. De zending behelsde twee prachtige, zonder twijfel maagdelijke slavinnen: Māriya en haar zuster Sīrīn, een hoop goud en textiel, de muilezelin Duldul en de ezel ‘Ufayr of Ya‘fūr.4 Maar de beide vrouwennamen zijn uit een heel ander verhaal komen aanwaaien. Reeds de Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) zou zijn Perzische collega Khosro (Chosroës) II Parwīz (reg. 590–628) zijn geliefde dochter Maryam (Maria) tot vrouw hebben gegeven.5 En deze Khosro had al een christelijke vrouw, die Shīrīn heette; zij is in de literatuur tamelijk bekend geworden. De naam Shirin past beter in Perzië dan in Egypte. (Over  de Koptische Māriya staat hier een apart artikeltje.)

De drie hadithen hierboven gaan bij nader inzien niet over Ibrāhīm, maar willen de genegenheid van de profeet jegens hem en vooral zijn gedrag bij diens overlijden laten zien, dat als voorbeeld diende voor het gedrag van de moslims bij sterfgevallen. Rouw, tranen, natuurlijk; maar met mate! Ook een zonsverduistering moet niet te belangrijk worden gevonden; nuchterheid is geboden. In geen geval wordt zo’n natuurverschijnsel, zoals sommige mensen meenden, veroorzaakt door het heengaan van een persoon, hoe belangrijk deze ook was. In deze op het eerste gezicht biografische teksten domineren dus zoals dikwijls de doelstellingen van shariageleerden; niet de biografische impuls. Het ging erom, paal en perk te stellen aan de overdreven rouwgebruiken van moslims van Perzische afkomst.6 Voor moslims volstaat een gepaste, maar niet overdreven rouw; van begrafenissen moet niet te veel werk gemaakt worden. Zoals altijd moest ook bij het onderwerp rouwbeklag (al-niyāha ‘alā al-mayyit) de profeet het voorbeeld gegeven hebben, en daartoe kon de verteller goed iemand gebruiken, die de profeet heel erg zou missen: een gestorven zoontje. Naar mijn overtuiging is Ibrāhīm vooral in het leven geroepen met het doel hem snel te laten sterven, zodat de profeet hem voorbeeldig en met mate kon bewenen. Daarenboven maakte zijn geboorte de slavin die zijn moeder was tot een umm walad, dat is een slavin die haar meester een kind schenkt en daarom na diens dood van rechtswege vrij wordt. Twee maal dient Ibrāhīm als precedent voor sharia-regels.

Of Mohammed in het werkelijke leven een zoon had of niet, in zijn vita zou er geen passen. Godsdienststichters hebben doorgaans geen afstammeling. Mozes, Jezus en de Boeddha hadden er ook geen. Tenminste niet een, die in de verhalen een rol speelt, of die na hun dood als opvolger had kunnen optreden; dat zou de mythen van oorsprong ernstig hebben verstoord. De hadithliteratuur schijnt zich daarvan enigszins bewust te zijn:

  • [Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.7

Veel interessanter is eigenlijk het verhaal van Zayd (ibn Hāritha), die als volwassene vijftien à twintig jaar Mohammeds aangenomen zoon is geweest. Die adoptie was via de koran ongedaan gemaakt; bovendien was Zayd al vóór de profeet gestorven. Gelukkig maar, want aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 8 Daarover een volgende keer.

NOTEN
1. Muslim, Fadā’il 62 (hieronder); ook Bukhārī, Djanā’iz 44, Ibn Mādja, Djanā’iz 53 e.v.a.

حدثنا هداب بن خالد وشيبان بن فروخ كلاهما عن سليمان واللفظ لشيبان حدثنا سليمان بن المغيرة حدثنا ثابت البناني عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله ص ولد لي الليلة غلام فسميته باسم أبي إبراهيم. ثم دفعه إلى أم سيف امرأة قين يقال له أبو سيف. فانطلق يأتيه واتبعته فانتهينا إلى أبي سيف وهو ينفخ بكيره قد امتلأ البيت دخانا. فأسرعت المشي بين يدي رسول الله ص فقلت يا أبا سيف أمسك جاء رسول الله ص. فأمسك فدعا النبي ص بالصبي فضمه إليه وقال ما شاء الله أن يقول. فقال أنس لقد رأيته وهو يَكيد بنفسه بين يدي رسول الله ص فدمعت عينا رسول الله ص فقال تدمع العين ويحزن القلب ولا نقول إلا ما يرضى ربنا والله يا إبراهيم إنا بك لمحزونون.

2. Muslim, Kusūf, 29  (langere versie Muslim, Kusūf 10 e.v.a.):

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة ومحمد بن عبد الله بن نمير قالا حدثنا مصعب وهو ابن المقدام حدثنا زائدة حدثنا زياد بن علاقة وفي رواية أبي بكر قال قال زياد بن علاقة سمعت المغيرة بن شعبة يقول انكسفت الشمس على عهد رسول الله ص يوم مات إبراهيم فقال رسول الله ص إن الشمس والقمر آيتان من آيات الله لا ينكسفان لموت أحد ولا لحياته فإذا رأيتموهما فادعوا الله وصلوا حتى تنكشف.

3. Ibn Mādja, Djanā’iz 13:

حدثنا محمد بن إسمعيل بن سمرة حدثنا محمد بن الحسن حدثنا أبو شيبة عن أنس بن مالك قال لما قبض إبراهيم ابن النبي ص قال لهم النبي ص لا تُدرِجوه في أكفانه حتى أنظر إليه فأتاه فانكبّ عليه وبكى.

4. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg.. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. Zie nu over de muildieren van de profeet hier, en over zijn ezels hier.
5. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 994, 999: وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم. Ook dit is pure fantasie. Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral. S. 298. Zie ook C. Cannuyer, „Māriya, la concubine copte de Muhammad, réalité ou mythe?“ in Acta Orientalia Belgica 21 (2008), 251–64. Uri Rubin houdt Māriya en Ibrāḥīm voor historische personen: U. Rubin, ‘The Seal of the Prophets and the Finality of Prophecy,’ ZDMG 164 (2014), 65–96, vooral p. 76vv.
6. T. Fahd, ‘Niyāha,’ in EI2; G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Cambridge 1982, 99–108.
7. Ibn Mādja, Djanā’iz 27:

حدثنا محمد بن عبد الله بن نمير حدثنا محمد بن بشر حدثنا إسمعيل بن أبي خالد قال قلت لعبد الله بن أبي أوفى رأيت إبراهيم ابن رسول الله ص  قال مات وهو صغير ولو قضي أن يكون بعد محمد ص نبي لعاش ابنه ولكن لا نبي بعده.

8. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, iii, 498–9 bij Koran 33:40:

يقول لو كان زيد ابن محمد لكان نبيا فلما نرلت ((ما كان محمد أبا أحد من رجالكم)) قال النبي ص لزيد: لست لك بأب. فقال زيد: يا رسول الله، أنا زيد بن حارثة معروف نسبي.

Diakritische tekens: niyāḥa, Ḥāritha, Faḍāʾil, Al-Ṭabarī, Māriya al-qibṭiyya, Muḥammad

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud