De domheid van babies als godsbewijs

Ik zat weer even te knutselen aan de  uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d.
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen tijdens de Renaissance gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Ik had al eerder een fragment gebracht over de slurf van de olifant. Hier volgt een tekst over de domheid van babies. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Denk eens aan een ander aspect van de gesteldheid van de mens, namelijk het feit dat hij dom en zonder verstand of begrip geboren wordt. Als hij met verstand en begrip geboren zou worden, zou hij de wereld bij zijn geboorte zo vreemd vinden dat hij in verwarring zou geraken en volkomen de kluts kwijt zijn als hij zijn nieuwe omgeving zag en geconfronteerd werd met dingen als hij nog nooit had gezien. Neem bij voorbeeld een man die als gevangene wordt overgebracht van het ene land naar het andere als hij al wereldwijs is. Hij zal als een verwarde idioot zijn en niet zo vlug de taal leren en de manieren oppikken als iemand die op jonge leeftijd gevangen was genomen. Bovendien, als een zuigeling intelligent geboren werd zou hij eronder lijden zo rondgedragen te worden, en gezoogd en ingepakt in oude lappen en in de wieg te worden ingestopt, hoewel hij dat alles nodig heeft, omdat zijn lichaam bij zijn geboorte zo zacht en teer is. Verder zou hij niet meer zo lief zijn, en hij zou niet meer die speciale plaats in de harten innemen. Maar nu komt een kind dom op de wereld, zonder enig idee van de situatie van al die familieleden om hem heen, en hij treedt alles tegemoet met een zwakke intelligentie en gebrekkige kennis. Dan neemt zijn kennis geleidelijk toe, beetje bij beetje, tot hij vertrouwd raakt met de dingen en er ervaring mee opdoet; dan verlaat hij de fase van het verward overpeinzen ervan en begint hij zijn eigen zaken te regelen en actief zijn levensonderhoud te verdienen.
    Er zijn nog andere gezichtspunten. Als een mens met een volgroeid intellect en zelfstandig geboren werd, dan zou de aanleiding om kinderen op te voeden vervallen, evenals het belang dat in die bezigheid voor de ouders is voorzien, omdat het grootbrengen de ouders namelijk een aanspraak oplevert op zorg en genegenheid van hun kinderen wanneer zij die van hun kant nodig hebben. Bovendien zouden de kinderen geen band krijgen met hun ouders, en de ouders niet met de kinderen, omdat de kleinen de opvoeding en zorg van hun ouders niet nodig hadden. Zij zouden al op eigen benen staan zodra zij geboren waren, zodat niemand zijn vader of moeder zou leren kennen. Zo zou een jongen er ook niet van afgehouden worden, geslachtsverkeer met zijn moeder en zijn zuster te hebben, omdat hij die niet zou kennen. Het minste wat er op dit gebied zou gebeuren, als een kind met verstand begaafd uit zijn moeders buik kwam, is dat hij iets van haar te zien zou krijgen wat niet geoorloofd is, en wat hij beter niet had kunnen zien.

Meestal staat bij dit soort voorbeelden nog een retorische vraag: zou dit schitterende ontwerp op toeval kunnen berusten, of zit er toch intelligent design achter? Hier ontbreekt die vraag, maar U kunt hem er zelf bij denken en erkennen dat het in ieder geval mooi geregeld is zoals het is.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر‏ في‏ أمر الانسان‏ في‏ باب‏ آخر وهو‏ ولاده‏‏ حين‏ يولد‏ غبيّاً‏ غير ذي‏ عقل وفهم‏. فانّه لو كان‏ يولد‏ عاقلاً‏ فاهمًا‏‏ لأنكر العالَم عند ولاده‏ حتّى‏ يبقى حيرانًا تائه العقل اذا رأى ما‏‏‏ لم‏ يعرف وورد عليه‏ ما لم‏ ير مثله‏. واعتبر‏‏ ذلك بأن من سبي‏ من بلد الى بلد وهو‏ محتنك يكون كالواله الحيران ولا يسرع‏ في‏ تعلم‏ الكلام‏  وقبول الأدب كما يسرع‏ الذي‏ سبي صغيرًا. ثم كان لو ولد‏ عاقلًا وجد‏ غضاضة أن‏ يرى نفسه محمولاً‏ ومرضعًا معصّبًا بالخرق ومسجىً في المهد،‏ على أنّه كان لا‏ يستغني‏ عن هذا كلّه لرقّة بدنه ورطوبته حين‏ يولد‏. ثم كان لا‏ يوجد له من الحلاوة والموقع في‏ القلوب‏ ما‏ يوجد للطفل.‏ فصار يدخل‏ العالم‏ غبيّاً غافلاً‏ عمّا فيه أهله فيلقي‏ الأشياء بذهن ضعيف ومعرفة ناقصة‏. ثم لا‏ يزال‏ يتزيّد في‏ المعرفة قليلاً‏ قليلاً‏ وشيئًا بعد شيء حتى‏ يألف الأشياء ويتمرّن‏ عليها فيخرج من حد التأمّل لها والحيرة‏ فيها‏ الى التصرّف في‏ الأمور‏ والاضطراب في‏ المعاش‏.

‏وفي هذا أيضًا‏ وجوه أخر،‏ فأنّه لو كان‏ يولد‏ تام العقل مستقلاً‏ بنفسه لذهب موضع تربية الأولاد وما دبّر‏ أن‏ يكون للوالدين في‏ الاشتغال به من المصلحة وما توجب التربية للآباء على البنين‏ من المكافأبة بالبرّ‏ والعطف عند حاجتهم الى ذلك منهم‏. ثم كان الأولاد لا‏ يألفون آباءهم ولا الآباء‏ يألفون‏ أبناءهم لأنّه كان‏ الأولاد‏ يستغنون عن تربية الأباء وحياطتهم فيتفرّقون عنهم حين‏ يولدون‏ حتّى لا‏ يعرف الرجل أباه وأمّه. ولا‏ يمتنع من نكاح أمّه وأخته إذ كان لا‏ يعرفها‏. وأقلّ‏ ما كان‏ يكون في‏ ذلك أن يخرج‏‏ من بطن أمّه‏ وهو يعقل فيرى منها ما‏ لا‏ يحلّ‏ له‏ ولا‏ يحسن به أن‏ يراه‏.

Terug naar Inhoud