Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ver voor de islam, zou hebben geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.
Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

  • 1. De overleveraars vertellen dat hij eens een ram zag in de woestijn. Hij pakte hem op en droeg hem onder zijn arm, maar het dier piste hem de hele weg onder. Toen hij dicht bij de stam gekomen was werd het hem te zwaar.1 Hij kon het niet meer dragen en wierp het van zich af, en toen bleek het ineens een ghoul te zijn. Zijn mensen vroegen hem:
    ‘Wat heb jij onder je arm gehad?’
    ‘Een ghoul,’ antwoordde hij.
    ‘Dan heb je wel iets kwaads onder je arm gedragen!’
    En daarnaar werd hij genoemd.2

Een andere, nogal gekunstelde anekdote, laat het moeder-zoon-conflict van het ongelikte rotjoch zien. Niet te handhaven, inderdaad.

  • 2. Er wordt ook gezegd: Nee, zijn moeder zei tegen hem: ‘Al je broers brengen mij ’s avonds iets voor mij mee, maar jij niet!’ Toen zei hij: ‘Vanavond zal ik iets voor je meebrengen.’ Hij ging weg en ving een groot aantal adders, de grootste die hij te pakken kon krijgen. Toen hij ‘s avonds naar huis ging deed hij die in een zak, die hij onder zijn arm droeg en die gooide hij voor haar neer. Zij maakte hem open en daar schoten de adders weg in haar tent. Ze sprong op en rende naar buiten.
    ‘Wat heeft Thābit voor je meegebracht? vroegen de vrouwen van de stam:
    ‘Adders in een zak!’
    ‘Maar hoe heeft hij die dan gedragen?’
    ‘Onder zijn arm.
    ‘Dan heeft hij wel iets kwaads onder zijn arm gedragen!’
    En zo bleef de naam Ta’abbata Sharran aan hem hangen.3

En een derde anekdote voor een deel:

  • 3. […] en hij werd Ta’abbata Sharran genoemd omdat hij, naar verluidt, een ghoul ontmoette in een donkere nacht, op een plek genaamd Rahā Bitān, in het stamgebied van Hudhayl. Zij versperde hem de weg maar hij vocht zo lang met haar tot hij haar gedood had. Hij bleef de nacht op haar liggen en de volgende ochtend droeg hij haar onder zijn arm naar zijn kameraden. Die zeiden tegen hem: ‘Jij hebt wel iets kwaads onder je arm gedragen!’4

Een ghoul is een demon die zich in de woestijn ophoudt en eenzame reizigers lastig valt. Een van zijn eigenschappen is dat hij van vorm kan veranderen. Vaak doet hij zich als een vrouwelijk wezen voor.5
Taʾabbata Sharran heeft verzen geschreven over een ontmoeting met een ghoul. (Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.)

  • 4. Toen hield de ghoul mij gezelschap als buurvouw.
    O buurvrouw, wat een griezel ben jij!
    Ik wilde seks van haar. Zij draaide zich weg,
    maar ik probeerde het toch.
    Als iemand mij naar mijn buurvrouw vraagt:
    ze woont bij de bocht van de zandheuvel.6

‘Buurvrouw’ was een benaming die bedoeïenen voor hun echtgenote gebruikten. De dichter is helemaal niet onder de indruk van het gevaarlijke wezen; integendeel. Hij drijft de spot met het angstige geloof van het brave stamvolkje. Voor hem bestaan er geen woestijndemonen; fuck the ghoul! En mocht iemand anders dat ook eens willen proberen, ze woont om de hoek bij de zandheuvel, je weet wel. Dan vind je haar beslist, in Arabië.
De ghoul komt nog voor in een langer gedicht van Ta’abbata Sharran, waar ik hier enkele regels uitlicht:

  • 5. Kom op, wie vertelt de kerels van Fahm,
    wat mij bij Rahā Bitān overkwam?
    Ik kwam de ghoul tegen, toen ze voortjoeg
    door een woestijn zo plat als een vel papier.
    Ik zei tegen haar: ‘We zijn beiden bekaf. Jij bent
    op reis, net als ik, dus laat mij mijn plek!’
    Maar zij viel mij aan. Toen schoot mijn hand uit
    met een goed geveegd Jemenitisch zwaard.
    Ik sloeg haar onversaagd en zij ging neer,
    op haar voorpoten en haar hals.
    […]
    Ik liet haar niet los en leunde op haar
    om ’s morgens te zien wat het was.7

Ook hier schept de dichter lekker op over hoe hij de ghoul klein gekregen heeft; ook hier ligt hij bovenop haar, al is er van seks geen sprake. De poging tot een gesprek voor het gevecht herinnert aan ‘het gesprek met de wolf’, een motief uit de wat latere poëzie. Als een eenzame reiziger in de woestijn een al even eenzame, uitgeputte wolf tegenkomt hebben beiden veel gemeen: hun honger, hun eenzaamheid, hun uitzichtloosheid. Maar zulke ontmoetingen zijn gevaarlijk; daarom spreekt de dichter het dier vaak bezwerend toe.8 Dat doet deze dichter hier met de ghoul, maar zij gaat er niet op in.
Anekdote nr. 3. wil de vreemde bijnaam van de dichter verklaren, net als de andere. Maar zij is ook geënt op gedichtfragment nr. 5 en wil daar wat meer geschiedenis van maken. Het verhaaltje verhoudt zich tot het gedicht als een sabab al-nuzūl-verhaal tot een koranvers.

NOTEN
1. Hoeveel meter kunt U lopen met een ram onder uw arm?
2 Abū al-Faradj al-Isfahānī, Kitāb al-Aghānī, uitg. Cairo 1927, xxi, 127.

ذكر الروة أنّه كان رأى كبشًا في الصحراء فاحتمله تحت إبطه فجعل يبول عليه طول طريقه. فلما قرب من الحيّ ثقل عليه الكبش فلم يُقِلّه فرمى به فإذا هو الغول. فقال له قومه: ما تأبّطَّ يا ثابت؟ قال: الغول. قالوا: لقد تأبّطَّ شرا! فسُمّي بذلك.

3. Aghānī xxi,127

وقيل بل قالت أمّه له كل إحوتك يأتيني بشيء إذا راح غيرَك. فقال لها: سآتيك الليلة بشيء. ومضى فصاد أفاعيَ كثيرة من أكبر ما قدر عليه. فلمّا راح أتى يهنّ في جِراب متأبّطًا به فألقاهه بين يديها ففتحته فتساعين في بيتها. فوثب وخرجت. فقال لها نساء الحيّ: ما ذا أتاك به ثابت؟ فقالت: أتاني بإفاعٍ في جراب. وقلن: وكيف حملها؟ قالت: تأبّها. قلن: تأبّط شرّاً، فلزمه تأبّطا شرّاً.

4. Aghānī xxi,128–29.

[…] وإنّما سمّي تأبّط شرّاً لأنهه فيما حُكي لنا٬ لقي الغول في ليلة ظلماء في موضع رَحَى بِطَانٍ في بلاد هذيل فأخذت عليه الطريقَ فلم يزل بها حتى قتلها وبات عليها فلمّا أصبح حملها تحت إبطه وجاء بها الى أصحابه فقالوا له: لقد تأبّطّ شرّاً.

5. Ghouls bestaan nog steeds; zie wat hier gezegd wordt over Soraya Qadir, alias Dust.
6. Aghānī xxi, 128:

فَأَصْبَحَتِ‎ الغُولُ‏ لِي‏ جَارَةً  *  فَيَا جَارَتَا لَكِ‎ مَا أَهْوَلاَ
فَطَالَبْتُهَا بُضْعَهَا فَالْتَوَتْ  *  عَلََيَّ‏ وَحَاوَلْتُ‏ أَنْ‏ أَفْعَلاَ
فَمَنْ‎ كَانَ‎ يَسْأَلُ‏ عَنْ‏ جَارَتِي  *  فَإنَّ‏ لَهَا باللِّوَى مَنْزِلاَ

7. Aghānī xxi, 129:

أَلاَ‎ مَنْ‏ مُبْلِغٌ‏ فِتْيَانَ‏ فَهْمٍ  *  بِمَا لَقِيتُ‏ عِنْدَ‏ رَحَى بِطَانِ
وَأَنِّي‏ قَدْ‎ لَقِيتُ‏ الغُولَ‏ تَهْوَى  *  بِسَهْبٍ‏ كَالصَّحِيفَةِ‏ صَحْصَحَانِ
فَقُلْتُ‏ لَهَا‏: كِلاَنَا نِضْوَأَيْنِ  *  أَخُو سَفَرٍ‏ فَخَلِّي‏ لِي‏ مَكَانِي
فَشَدَّتْ‏ شَدَّةً‏ نَحْوِي‏ فَأَهْوَى  *  لَهَا كَفِّي‏ بِمَصْقُولٍ‏ يَمَانِي
فَأَضْرِبُهَا بِلاَ‎ دَهَشٍ‏ فَخَرَّتْ  *  صَرِيعًا لِلْيَدَيْنِ‏ وَلِلْجِرَانِ
[‏…]
فَلَمْ‏ أَنْفَكَّ‏ مُتَّكِئًا عَلَيْهَا  *  لأَنْظُرَ‏ مُصْبِحًا مَاذَا أَتَانِي

8. Manfred Ullman, Das Gespräch mit dem Wolf, München 1981.

Diakritische tekens: Taʾabbaṭa Sharran, ṣuʿlūk, ṣaʿālīk, Raḥā Biṭān, al-Iṣfahānī

Terug naar Inhoud