Stambomen van Mohammed

Genealogie is in elke cultuur een patent middel om de geschiedenis met terugwerkende kracht wat in model te duwen. Ook de oude Arabieren waren er dol op. Wanneer bij voorbeeld een stam door uitsterven of oorlog zo klein werd dat hij niet meer zelfstandig kon voortbestaan, werd hij bij een grotere ingelijfd en veranderde met terugwerkende kracht ook zijn voorgeslacht. Wanneer er een pact gesloten werd ontstonden er stambomen volgens welke de deelnemende stammen altijd al dezelfde voorouders hadden gehad.

Ook van de profeet Mohammed zijn er stambomen. Ik ontdek drie soorten:
– 1. een bijbels georiënteerde stamboom
– 2. een verkorte, ‘ontbijbelde’ stamboom
– 3. panarabische stambomen

1. De oudste, ‘bijbelse’ stamboom van Mohammed bestaat voor de helft uit Hebreeuwse namen, omdat men hem wilde inbedden in het bijbelse verleden. Sommige christenen hadden al eerder een dergelijke behoefte gehad: Matteüs 1:1–17 laat Jezus via David prachtig afstammen van Abraham.1
Ibn Ishāq (704–767) presenteert in zijn biografie (sira) van Mohammed een stamboom die half Arabisch, half bijbels is en via een aantal oude Israëlieten, onder wie de profeet Ibrāhīm, teruggaat tot Adam.

  • Mohammed was de zoon van ‘Abdallāh, de zoon van ‘Abd al-Muttalib, wiens naam was Shayba, de zoon van Hāshim, wiens naam was ‘Amr, de zoon van ‘Abd Manāf, wiens naam was Mughīra, de zoon van Qusayy, wiens naam was Zayd, de zoon van Kilāb, de zoon van Murra, de zoon van Ka‘b, de zoon van Luʾayy, de zoon van Ghālib, de zoon van Fihr, de zoon van Mālik, de zoon van Nadr, de zoon van Kināna, de zoon van Khuzayma, de zoon van Mudrika, wiens naam was ‘Āmir, de zoon van Elias, de zoon van Mudar, de zoon van Nizār, de zoon van Ma‘add, de zoon van ‘Adnān, de zoon van Udd of Udad, de zoon van Muqawwam, de zoon van Nachor, de zoon van Terah, de zoon van Ya‘rub, de zoon van Yashdjub, de zoon van Nābit, de zoon van Ismaël, de zoon van Abraham (Ibrahīm) de vriend van de Barmhartige, de zoon van Terach (dat is Azar), de zoon van Nachor, de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach, de zoon van Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, de zoon van Metuselah, de zoon van Henoch (dat is de profeet Idrīs, naar men zegt, maar God weet het het beste; hij was de eerste van de zonen van Adam aan wie het profeetschap en het schrijven met de pen gegeven werden), de zoon van Jered, de zoon van Mahalel, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam.2

2. ‘Ontbijbeling’. In de hadithverzameling van al-Bukhārī (810–870) vinden we in een hoofdstuktitel dezelfde lijst van voorvaders, maar dan eindigend bij ‘Adnān.3 Alle oudtestamentische namen ontbreken daar dus. Een ogenblik zou men kunnen denken dat al-Bukhārī of zijn uitgever de lijst alleen wat heeft verkort omdat die zo veel plaats innam. Maar bij Ibn Sa‘d blijkt dat er achter de verkorting een serieuzere bedoeling stak. Er is namelijk veel over te doen geweest, zoals blijkt uit een aantal hadithen en berichten, waarvan ik er hier drie citeer:4

  • Hishām [al-Kalbī] […] Als de profeet zijn genealogie opsomde ging hij niet verder terug in zijn geslachtslijn dan Ma‘add ibn ‘Adnān ibn Udad; daarna hield hij op, en zei: ‘De genealogen liegen. God zegt: ‘[…] en veel generaties daartussen.’ (Koran 25:38)
  • Ibn ‘Abbās: Als de profeet die bekend had willen maken had hij dat wel gedaan. […] Hij reciteerde: ‘[…] en ‘Ād en Thamūd en degene die na hen kwamen, die alleen God kent. (Koran 14:9) De genealogen liegen.’
  • Hishām [al-Kalbī] zegt: Mukhbir heeft van mijn vader gehoord, maar ik niet, [cursivering van mij; volgt een geslachtslijn vanaf Ma‘add die eindigt bij] … Kedar, de zoon van Ismā‘īl, de zoon van Ibrāhīm.

Het had aanvankelijk een goed idee geleken, de profeet te laten wortelen in de bijbelse oertijd. Zo kon hij ook voor christenen en joden legitiem schijnen. Maar een eeuwtje later wilde men juist weer af van alles wat joods en christelijk was (isrā’īlīyāt), en ondernam men al het mogelijke om die oude namen weer weg te werken. Die ‘ontbijbeling’ is over de gehele linie waar te nemen; niet alleen bij de genealogie.

3. Panarabische stambomen. Wanneer van stamboom nr. 1 de bijbelse namen zijn geschrapt blijft er één Arabische geslachtslijn over, die de profeet via de stam Hāshim met de oervader ‘Adnān verbindt. Maar was Mohammed niet de profeet van alle Arabieren? Hier brengen de geslachtsregisters in de vrouwelijke lijn uitkomst. Ibn Sa‘d5 biedt eerst een opsomming van ‘de moeders van de profeet’. In deze stamboom wordt de moeder van de profeet genoemd, dan haar moeder, en die haar moeder, enzovoort. Bij elk van die vrouwen worden dan haar vader, haar grootvader en verdere voorvaderen opgesomd. Enkele bladzijden verder heeft Ibn Sa‘d6 geslachtslijsten van ‘de moeders van de voorvaders van de profeet’, die net zo zijn gestructureerd. Nog meer namen, nog meer stammen. Ik word altijd een beetje iebel van al die stamnamen en druk die bladzijden van Ibn Sa‘d hier maar niet af. Ze zijn alleen genietbaar voor specialisten. Maar de indruk die deze lectuur blijkbaar wil nalaten is dat de profeet via de vrouwen afstamde van ongeveer alle stammen van het Arabisch Schiereiland. Hetzelfde had ook Edmund Leach bij de stamboom van de bijbelse Salomo geconstateerd: verbreding van het voorgeslacht via de vrouwelijke linie om de legitimiteit te vergroten.7 

We zijn hier getuige van een proces dat ook *elders is waar te nemen: eerst worteling in de Bijbel om de profeet op één lijn te stellen met de eerdere profeten van joden en christenen; daarna een afstand nemen van alles wat naar joden of bijbel riekt en een steeds verder gaande *arabisering van de islam.

NOOT
1. Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asaf, Asaf verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amos, Amos verwekte Josia, Josia verwekte Jechonja en zijn broers ten tijde van de Babylonische ballingschap. Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, Zerubbabel verwekte Abiud, Abiud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt. Van Abraham tot David telt de lijst dus veertien generaties, van David tot de Babylonische ballingschap veertien generaties, en van de Babylonische ballingschap tot Christus veertien generaties.
2. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 3; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 23. Het origineel bevat verarabischte vormen van Hebreeuwse namen, die ik hier voor de duidelijkheid maar in de spelling van de Nieuwe Bijbelvertaling geef. Het zijn de nakomelingen van Sem, zoals die genoemd worden in Genesis 11, en namen uit een nog verder verleden (Genesis 5).

محمد بن عبد الله بن عبد المطلب ، واسم عبد المطلب : شيبة بن هاشم واسم هاشم : عمرو بن عبد مناف واسم عبد مناف : المغيرة بن قصي ، ( واسم قصي : زيد) بن كلاب بن مرة بن كعب بن لؤي بن غالب بن فهر بن مالك بن النضر بن كنانة بن خزيمة بن مدركة ، واسم مدركة : عامر بن إلياس بن مضر بن نزار بن معد بن عدنان بن أد ، ويقال أدد، بن مقوم بن ناحور بن تيرح بن يعرب بن يشجب بن نابت بن إسماعيل بن إبراهيم – خليل الرحمن – بن تارح ، وهو آزر بن ناحور بن ساروغ بن راعو بن فالخ بن عيبر بن شالخ بن أرفخشذ بن سام بن نوح بن لمك بن متوشلخ بن أخنوخ ، وهو إدريس النبي فيما يزعمون والله أعلم ، وكان أول بني آدم أعطى النبوة ، وخط بالقلم – ابن يرد بن مهليل بن قينن بن يانش بن شيث بن آدم ص.

3. Bukhārī, Sahīh, Manāqib al-Ansār 28

باب مبعث النبي ص محمد بن عبد الله بن عبد المطلب بن هاشم بن عبد مناف بن قصي بن كلاب بن مرة بن كعب بن لؤي بن غالب بن فهر بن مالك بن النضر بن كنانة بن خزيمة بن مدركة بن إلياس بن مضر بن نزار بن معد بن عدنان ص

4. Alle bij Ibn Sa‘d, Kitāb al-Tabaqāt al-kabīr, uitg. Ihsān ‘Abbās, Beiroet z.j., i, 56.

قَالَت: وَ أَخْبَرَنَا هِشَامٌ قَالَ: أَخْبَرَنِي أَبِي عَنِ أَبِي صَالًِحٍ عَن ابْنِ عَبَّاسٍ أَنَّ النَبِيَّ عليه الصلاة والسلام كَانَ إذَا انْتَسَبَ لَمْ يُجَاوِزْ فِي نَسَبِهِ مَعَدَّ بْنَ عَدْنَانَ بْنِ أُدَدَ ثُمَّ يُمْسِكُ وَيَقُرلُ: “كَذَبَ النَّسَّابُونَ. قَالَ اللهُ تَعَالَى: وَقُرُونًا بَيْنَ ذَلِكَ كَثِيرًا.”
قَالَ : أَخْبَرَنَا قَالَ : أَخْبَرَنَا عُبَيْدُ اللهً بْنُ مُوسَى الْعَبْسِيُّ ، قَالَ : أَخْبَرَنَا إِسْرَائِيلُ ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ ، عَنْ عَمْرِو بْنِ مَيْمُونٍ ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ : أَنَّهُ كَانَ يَقْرَأُ : وَعَادٍ وَثَمُودَ وَالَّذِينَ مِنْ بَعْدِهِمْ لا يَعْلَمُهُمْ إِلا اللهُ. ” كَذَبَ النَّسَّابُونَ ” .
قَالَ هِشَامٌ : وَأَخْبَرَنِي مُخْبِرٌ ، عَنِ أَبِي ، وَلَمْ أَسْمَعْهُ مِنْهُ أَنَّهُ كَانَ ينسِبُ مَعَدَّ بْنَ عَدْنَانَ بْنِ أُدَدَ بْنِ الْهَمَيْسَعِ بْنِ سَلامَانَ بْنِ عَوْصِ بْنِ يُوزَ بْنِ قَمْوَالِ بْنِ أُبَيِّ بْنِ الْعَوَّامِ بْنِ نَاشِدِ بْنِ حَزَّا بْنِ بِلْدَاسَ بْنِ تَدْلافِ بْنِ طَابِخِ بْنِ جَاحِمِ بْنِ نَاحِشِ بْنِ مَاخِي بْنِ عَبَقَى بْنِ عَبْقَرِ بْنِ عُبَيْدِ بْنِ الدَّعَّا بْنِ حَمْدَانَ بْنِ سَنْبَرِ بْنِ يَثْرِبِيِّ بْنِ نَحْزَنَ بْنِ يَلْحُنَ بْنِ أَرْعَوِيِّ بْنِ عَيْفَى بْنِ دَيْشَانَ بْنِ عَيْصَرِ بْنِ أَقْنَادِ بْنِ أَبْهَامَ بْنِ مَقْصِيِّ بْنِ نَاحِثِ بْنِ زَارِحِ بْنِ شُمِّيِّ بْنِ مَزَى بْنِ عَوْصِ بْنِ عَرَامِ بْنِ قَيْذَرِ بْنِ إِسْمَاعِيلَ بْنِ إِبْرَاهِيمَ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِمَا وَسَلَّمَ .

5. Ibn Sa‘d, o.c., i, 59–60.
6. Ibn Sa‘d, o.c., i, 64–66.
7. E. Leach, Genesis as myth, London 1969. Heb het boekje niet bij de hand; zijn blz. 64 wordt geciteerd op blz. 148–49 van D.M. Varisco, ‘Metaphors and Sacred History. The Genealogy of Muhammad and the Arab “Tribe”,’ Anthropological Quarterly, 68, (1995), 139–156.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, Quṣayy, Naḍr, Ṣaḥīḥ, al-Anṣār, al-Ṭabaqāt, Iḥsān

Terug naar Inhoud