Mohammed en de joden

Dit onderwerp is te groot en te ingewikkeld om hier zomaar even te behandelen. Op deze bladzij zal ik alleen uitleggen waarom het zo ingewikkeld is.

De drie belangrijkste oude Arabische teksten waarin joden voorkomen, sluiten niet op elkaar aan en komen niet met elkaar overeen. De snippers in de oude poëzie, de fantastische verhalen in de hadith en de behandeling van de joden in iets latere geschiedwerken helpen ook niet verder.
.
1. De koran vermeldt de joden bij name (yahūd) en voert hen daarnaast, samen met de christenen, ook op onder de benaming ‘de mensen van de Schrift’ (ahl al-kitāb). De joden worden nu eens tot de gelovigen gerekend, dan weer tot de ongelovigen. Hun zonden in het verleden worden in religieuze termen vervat, die grotendeels parallel lopen met die in het Nieuwe Testament: de joden hebben profeten gedood en wilden ook Jezus doden; zij hebben zich niet aan de regels van hun eigen Thora gehouden en de meesten beschouwen zich als het uitverkoren volk — ten onrechte. Veel van deze zonden hebben zij overigens gemeen met de christenen. In de ontstaanstijd van de koran kwam daar nog het verwijt bij, de Schrift vervalst te hebben (bijv. in koran 4:46) en delen ervan achter te houden voor de gelovigen (2:76), terwijl zij anderzijds de echtheid van de koran verwierpen. Ook hun monotheïsme is niet zuiver: onder andere beschouwen zij Ezra (Uzayr) als de zoon van God. De echte gelovigen zijn zij vijandig gezind. Vanwege hun foute houding ten opzichte van Schrift en Wet wordt gelovigen geadviseerd, joden en christenen niet te vriend te houden (5:51).
De bezwaren tegen de joden schijnen dus vooral van religieuze aard te zijn. Maar er is ook militaire taal. Er is sprake van door joden aangestichte oorlogshandelingen (5:64). De ‘ongelovigen van de mensen van de Schrift’ zijn onderling verdeeld en daarom hebben zij verloren. God heeft hen uit hun vestingtorens naar beneden gehaald (33:26–27) en hun huizen zijn door de gelovigen verwoest (59:2).
Wat de koran te zeggen heeft over de joden, resp over die mensen van de Schrift is mooi samengevat door Rubin.1
.
2. Het Document van Medina,2 een verdrag tussen Mohammed en de inwoners van Medina, onder wie ook joden waren. Enkele citaten daaruit:

  • Hun mag geen onrecht aangedaan worden en [geen vijand] mag tegen hen geholpen worden.
  • De joden van de stam Awf zijn één gemeenschap (umma) met de gelovigen.
  • De joden van de stam Awf, zowel hun cliënten als zij zelf, hebben dezelfde rechten en plichten als de partijen van dit document […].

Behalve Awf worden er zo nog andere stammen genoemd, elke met zijn eigen joden. De joden schijnen in een ondergeschikte positie deel van die stammen geweest te zijn. Het Document lijkt erg oud en bevat veel onbegrijpelijke woorden en termen. Een vertaling die ik er ooit van heb gemaakt vindt u hier. Zonder twijfel zit die vol fouten, maar zou ik het nu beter doen? Te vrezen is dat andere vertalingen ook niet goed zijn. Humphreys geeft een verstandige inleiding met bibliografie.3
.
3. Het standaardverhaal’ over Mohammeds afrekening met de joden uit de sira van Ibn Ishāq in de bewerking door Ibn Hishām kent U waarschijnlijk wel.4 Het staat in ieder inleidend boekje over de islam. Er zijn nog andere sira-bronnen waarin het ook voorkomt. Mohammed zou eerst toenadering hebben gezocht tot de joodse stammen in Medina, te weten Qurayza, al-Nadīr en Qaynuqā‘. Dezen hadden echter met zijn vijand geheuld en hem verraden en werden daarom afgestraft: grond en bezittingen werden hun afgenomen, de stammen werden successievelijk verdreven, resp. uitgeroeid en in Arabië mochten nooit meer joden wonen.
Het standaardverhaal over die drie stammen is echter als geschiedschrijving vrijwel niets waard. Het is vooral een uitvoerige exegese van bepaalde koransoera’s en wilde op enkele punten precedenten voor de rechtsgeleerdheid scheppen. Dat heeft Schöller aangetoond in zijn Exegetisches Denken.5 Dit boek verscheen reeds in 2008, maar als zo vaak lijkt het wel of men het niet heeft gelezen, of heeft doodgezwegen, omdat het niet paste bij de — niet alleen door moslims! — haast als dogma aangenomen traditionele overlevering. Of men vond het gewoon te moeilijk: het boek is alleen genietbaar voor klassiek geschoolde arabisten.6
In de hele sira is de gezindheid vaak uitgesproken anti-joods. Eigenaardig is echter, dat de verteller bij de uitroeiings- en verdrijvingsscènes soms opmerkelijk begaan is met de joodse slachtoffers. In het oude Arabië was men nooit zo teergevoelig bij het uitroeien van clans, maar in dit geval wel. Waarom is nog niet duidelijk.
In de sira wordt ook een groot hoofdstuk7 in beslag genomen door ‘verslagen’ van twistgesprekken tussen de profeet en enkele van zijn gezellen met onbetrouwbare joodse rabbijnen. Ook dit is exegese, en wel van soera 2:1–100.
.
De drie in het standaardverhaal genoemde zelfstandige joodse stammen komen niet voor in het ‘Document van Medina’; de aldaar genoemde joden niet in het standaardverhaal. De koran noemt helemaal geen namen en rept niet van een verdrag of schending daarvan. Als het standaardverhaal uit de sira grotendeels koranexegese is kan het niet worden gebruikt als historische bron. Het Document moet van vóór de breuk tussen moslims en joden dateren — maar vond die tijdens het leven van Mohammed plaats of honderd jaar later? Op zeker moment hebben de moslims zich immers gedistantieerd van joodse teksten die zij aanvankelijk wel hadden gebruikt bij de koranuitleg en de sira, te weten de bijbel, bijbelcommentaren en joodse legenden over de profeten. Deze zogeheten isrā’īlīyāt werden vanaf de achtste eeuw door moslims steeds onaanvaardbaarder gevonden. Het is goed denkbaar dat de oudste geschiedenis van de islam bij deze ‘ontbijbeling’ nog eens is herzien en dat er toen anti-joodse gevoelens in het verleden zijn teruggeprojecteerd. Dat maakt het nog moeilijker te zien wat er indertijd werkelijk is gebeurd.
Er zijn auteurs geweest, die hebben geprobeerd een samenhangend verhaal te krijgen door de drie heterogene bronnen met elkaar in harmonie te brengen. Meestal gaan zij uit van het standaardverhaal, hoewel het fictieve karakter daarvan dus inmiddels is aangetoond, en interpreteren zij de andere twee bronnen ‘daarnaartoe’. Zulke pogingen tot harmonisatie kunnen mij nooit bevredigen. Het is eerlijker te zeggen dat we over dat verre verleden domweg niets weten. Andere auteurs weten of voelen ook wel aan dat ze niets weten, maar verklaren met postmoderne onverschilligheid, dat het er niet toe doet wat er echt gebeurd is. Hun gaat het immers om het analyseren en interpreteren en in een context plaatsen van de verhalen.
Toch is het wel degelijk van belang wat er al dan niet is gebeurd. Want dat er over Mohammeds omgang met joden geen betrouwbare informatie bestaat belet mensen niet, het onderwerp te gebruiken in hun betogen of argumenten. Moderne moslimse jodenhaters beroepen zich op het standaardverhaal om de joden nog eens flink te kunnen haten. Moderne moslimhaters beroepen zich op hetzelfde verhaal om Mohammed neer te zetten als een moorddadige, van haat vervulde antisemiet. Tot voor kort waren zij misschien zelf nog antisemieten; het door hen pas ontdekte, grif geloofde islamitische standaardverhaal bood hun de kans om op moslimhaat over te stappen, wat toch net een tik moderner lijkt. En dat terwijl geen mens kan achterhalen wat er werkelijk is gebeurd. Als men tenminste dát zou kunnen toegeven zou er al een hoop minder gescholden en gehaat hoeven te worden.

NOTEN
1. Uri Rubin, ‘Jews and Judaism,’ Encyclopaedia of the Qur’ān. uitg. Jane Dammen McAuliffe, Leiden 2001–2006 (iii, 21–34).
2. Ibn Isḥāq: Arabische tekst: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 341–44; Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 109–113; Engelse vertaling A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Ishāq’s Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, 231–33.
3. R. Stephen Humphreys, Islamic History. A Framework for InquiryRevised Edition, London/New York 1991, 92–98. Nieuw: Paul Lawrence Rose, Muhammad, ‘The Jews and the Constitution of Medina: Retrieving the historical Kernel,’ Der Islam 86 (2011), 1–29.
4. Ibn Ishāq: Arabische tekst: 545–547, 652–661, 680–697; Ned. vertaling (gedeelten): 163–174, 195–199 ; Engelse vertaling: 363–364, 437–445, 458–468 en vele andere plaatsen.
5. Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008.
6. Maar men zou toch tenminste kennis kunnen nemen van zijn ‘Zusammenfassung und Ergebnis,’ blz. 463–468.
7. Ibn Ishāq: Arabische tekst: 361–400; Engelse vertaling: 246–270.

Diakritische Zeichen: ʿAwf, ʿUzayr, Ibn Isḥāq, Qurayẓa, al-Naḍīr en Qaynuqāʿ

Terug naar Inhoud