Groet uit de hel

(Vertaalde tekst uit het Arabische Kitab al-Azama; ± duizend jaar oud)

Dan wordt er een man uit de heersende klasse gebracht, wiens gestalte zo vergroot wordt dat zijn zitvlak de afmeting krijgt van honderd jaren (reizens). Zijn haren zijn zo groot als als lansen; tussen elke twee haren zijn er adders; als een van hen op de aardbewoners zou blazen zou hij hen allen verbranden. Elke daarvan heeft veertig huiden; tussen die huiden zijn er veertigduizend schorpioenen, die elkaar steken en een geschreeuw en lawaai produceren die het hart doen beven. Vervolgens worden zij geboeid met veertig boeien en met een gelijk aantal vastgezet. Als één ring daarvan op de bergen van onze wereld zou vallen zouden zij verpulveren en ieder die daarop was zou sterven, en ook de wilde dieren zouden sterven en de bomen zouden verdorren. Dan wordt hij in ketenen en boeien geslagen en de …(?) worden omgedraaid terwijl hij ‘Dorst! Dorst!’ roept. Er wordt geroepen: ‘Geeft hem te drinken!’; er wordt een drinkvat gebracht dat hij aanneemt, maar dan valt zijn vlees van zijn botten en zijn vingers en tanden evenzo. Daarop geeft hij het drinkvat terug en zegt: ‘Ik wil het niet.’ Er wordt op zijn hoofd geslagen met roeden van vuur, zo talrijk als er regendroppels in de  lucht zijn.  Hij roept weer om hulp en hij krijgt te horen: ‘Drink nog een keer; misschien zal dit de verstoktheid uws harten verbrijzelen.’ Hij neem nog een slok, en wat in zijn mond is daalt af naar zijn buik; daarop verhardt de tweede in zijn mond en verbrandt zijn tong en zijn keel. De dienstdoende Engelen der Hel zeggen: ‘Drink nogmaals, dat de vloeistof zakt.’ Vanwege deze vreselijke marteling zegt hij: ‘Mālik, is er iets van voedsel waarmee wij [plotselinge wisseling in het meervoud; WR.] onze ingewanden kunnen koelen? Op aarde aten wij altijd verkoelende spijzen als iets te heet voor ons was, zodat onze dorst gelest werd.’ Mālik zegt [tegen de Engelen}: ‘Gaat met hen naar de zaqqūm-boom.” Daaraan hangen vruchten als satanskoppen; aan iedere boom zijn er veertigduizend doornen, iedere doorn is een parasang lang. Zijn handen zijn geboeid en zijn voeten geketend; in hun ogen dringen die doorns binnen, en in hun oren en neus en wangen en keel. Dan wordt er een vrucht geplukt; de kleur is prachtig, maar de smaak is smerig en walgelijk. Telkens als zij erin bijten komen er wormen uit, die hun tanden en tong opvreten. Als ze op de vlucht slaan vallen ze in wadis en holen en grotten waarin slangen en schorpioenen zijn. De slangen en schorpioenen komen op hen af en eten hun goede daden op, terwijl zij uitroepen: Onze Heer, haal ons hier uit, dan zullen wij deugdelijk handelen, anders dan wij altijd deden. Hij antwoordt hen na honderd jaar: “Hebben Wij jullie dan niet zo lang laten leven dat iemand zich zou kunnen laten vermanen als hij het wilde? En er was nog wel een waarschuwer tot jullie gekomen! Proeft het dus maar; onrechtplegers hebben geen helper.” (Koran 35:37). Dan wenen zij luid en zeggen: ‘Mālik, hoelang moeten wij geketend blijven, hoelang worden wij geslagen? Onze ingewanden zijn gaar, onze huid is afgereten, dus laat uw heer een eind aan ons maken (K 43:77) door de dood.’ Een eeuwigheid keert hij zich van hen af, en zij blijven gefolterd worden als voorheen. Tenslotte antwoordt hij hen, nadat hun touwen geslaakt zijn en nadat zij al gedacht hadden nooit meer vrij te komen. Alle huilen, om zich zelf en om elkaar, zij schreeuwen luid en wenen heftig. Maar een heraut roept tot hen: Jullie blijven hier! (K 43:77)

(Dit is slechts een groet uit de keuken, een snelvertaling.)

Terug naar Inhoud