Wat niet in de koran staat

Veel ongeschoolde1 moslims beweren iets en zeggen dan ten onrechte dat het zo in de koran staat. Ik krijg ook veel vragen die beginnen met de woorden: ‘Wat zegt de koran over….?’ Dikwijls moet ik als antwoord geven dat de koran over het betreffende onderwerp niets zegt; dan oogst ik ongelovige blikken. De koran is maar een dun boek. In lengte is het vier vijfde van het Nieuwe Testament, zegt men, maar ik heb het niet nagerekend.

Veel misverstanden over de koran zou men kunnen vermijden door het boek te lezen, maar dat is niet iedereen gegeven: het is een oude en moeilijke Arabische tekst. De stelligste beweringen over de inhoud van de koran komen van mensen die hem niet of nauwelijks hebben gelezen.
.
Niets
Over de volgende onderwerpen ‘zegt’ de koran niets:

Sharia. De koran bevat een aantal rechtsregels, niet eens zo veel, die een grondslag vormen van de latere sharia. Het woord sharia (sharī‘a) komt in de koran éénmaal voor (K. 45:18), maar niet in de huidige betekenis van ‘rechtsstelsel’; in de hadith overigens ook niet. Hoe zou het ook? Het stelsel bereikte pas vanaf ± 800 zijn volle rijpheid; dat het sharia genoemd werd duurde nog wat langer.

Kalifaat. Het Arabische woord khalīfa, mv. khulafā’, ‘plaatsvervanger, opvolger’, komt in de koran enige malen voor, maar nergens in de betekenis van ‘opvolger van Mohammed’ of ‘staatshoofd van een islamitische staat’. Van twee profeten wordt gezegd dat God ze tot kalief maakte: van Adam en van David. K. 2:30:

  • Toen uw Heer tot de engelen zei: Ik ga een kalief op aarde aanstellen, zeiden zij: Gaat U daar iemand aanstellen die er verderf brengt en bloed vergiet, terwijl wij U loven en heiligen?

Blijkens de context is met die ‘iemand’ Adam bedoeld. In K. 38:26 heet het:

  • Dāwūd, Wij hebben jou tot kalief op aarde aangesteld.

Wat het woord in deze verzen ook mag betekenen: van de profeet Mohammed wordt niet gezegd dat God hem kalief heeft gemaakt; laat staan van enige mens na hem. Later hebben eeuwenlang kaliefen over zich zelf beweerd of laten beweren, dat zij plaatsvervangers van God op aarde zijn.

– De bestraffing in het graf: de ondervraging door de engelen Munkar en Nakir, een slang in je graf, dat alles wordt in de koran met geen woord vermeld; wel in de hadith.

Martelaren: gaan direct na hun dood naar het paradijs; 72 maagden wachten hen daar als beloning. Dat staat niet in de koran. De beloften over het paradijs, inclusief een onbekend aantal maagden, gelden voor álle gelovigen. De enige verzen die uitsluitend over martelaren gaan zijn K. 3:169-70: 

  • Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hun geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn. 

Het martelaarschap is typisch een onderwerp van de hadith; dat met die maagden valt trouwens geweldig tegen. Zie verder hier.

Katten en honden, mag je die houden als moslim? Geen woord staat erover in de koran; zie hier.

Dit was natuurlijk maar een selectie. Ook het verbod de profeet of andere levende wezens af te beelden staat niet in de koran. Het vijfmaal daagse bidden evenmin.

 

Niet duidelijk
Er zijn ook onderwerpen waarover de koran mogelijkerwijze wel iets zegt, maar niet erg duidelijk. Zo bij voorbeeld:

Sluierplicht voor vrouwen. Deze wordt behandeld in het nogal volgepakte vers K. 24:31. 

  • En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen neerslaan en hun schaamdelen (furūdj) kuis bedekt houden en dat zij hun sieraad (zīna) niet openlijk tonen, behalve wat gewoon al zichtbaar is.
    En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen,
    behalve aan hun echtgenoten of hun vaders of de vaders van hun echtgenoten of hun zonen of de zonen van hun echtgenoten of hun broers of de zonen van hun broers of de zonen van hun zusters of hun vrouwen of slavinnen over wie zij beschikken of mannelijke volgelingen die geen geslachtsdrift meer hebben of de kinderen die nog niet op de schaamdelen (ʿawrāt) van de vrouwen letten. En zij moeten niet met hun benen  slaan zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad dragen.2

Op het eerste gezicht ziet de hier aanbevolen vrouw er ongeveer uit als mijn moeder en zuster: die kijken ook niet brutaal de wereld in en houden hun schaamdelen en borst altijd bedekt. Nogal wiedes eigenlijk. Alleen hun bescheiden sieraden laten zij wel zien.
Ook mannen moeten hun ogen neerslaan en hun furūdj bedekken (K. 24:30). Daaruit begrijpen we dat furūdj inderdaad de genitaliën zijn. Wat ‘awrāt betekent is al heel wat minder duidelijk, maar het lijkt hier synoniem te zijn met furūdj. Nog onduidelijker is wat er bedoeld wordt met zīna, ‘sieraad’. En hoezo wordt het verborgen sieraad bekend wanneer een vrouw met haar benen (tegen elkaar?) slaat? Gaat het daar om rinkelende enkelringen? Hier heerst voor de argeloze lezer onduidelijkheid. Voor de uitleggers natuurlijk niet; zie verderop onder Interpretatie

Afzondering van de vrouw: het enige expliciete vers (K. 33:53) heeft het over de vrouwen van de profeet, niet over vrouwen in het algemeen.
.
Interpretatie
In mijn onderwijspraktijk bleek het onverwacht moeilijk, moslim-studenten het verschil bij te brengen tussen wat er in de koran staat en wat er in een of meer korancommentaren staat. Meestal was het maar één commentaar, dat ze thuis in de kast hadden staan, of waaruit de imam had gepreekt. En vaak was het dat van de domme Ibn Kathīr (± 1300–73) — alsof veertien eeuwen islam niets beters hebben voortgebracht!
Terwijl het zo eenvoudig is en eigenlijk niets met geloof te maken heeft. Een uitspraak staat in ofwel in boek A (dat groene boek hier rechts, waar ‘Koran’ op staat), ofwel in bij voorbeeld boek B (daar links, meerdelig met bruine kaften, waar ‘Commentaar’ op staat). De beide soorten tekst zijn zelfs fysiek gemakkelijk uit elkaar te houden.

Bij de koranexegeet al-Tabarī (gest. 923) vinden we bij voorbeeld zeven bladzijden over het boven aangehaalde vers 24:31; het werd kennelijk belangrijk geacht. Er staat echt commentaar in, bijv. over het woord hun sieraad: ‘dat zijn enkelringen, armbanden, oorringen en halssnoeren’. Dat is nuchtere wetenschap. Als ik een vrouw was zou ik die dingen op straat dus helemaal niet aantrekken maar ze wegstoppen in een jaszak en me verder losjes kleden. Maar dat was blijkbaar niet de bedoeling.
Er staan ook zaken in dat commentaar die niets met het vers te maken hebben, bij voorbeeld: ‘De consensus van allen is dat ieder die het gebed verricht zijn schaamdelen moet bedekken en dat de vrouw haar gezicht en haar armen moet bedekken bij het gebed en dat zij bovendien haar lichaam moet versluieren  behalve wat de profeet heeft toegestaan, namelijk haar onderarmen tot de helft.’ Is dit werkelijk koranuitleg? Het verband met het gecommenteerde vers is ver te zoeken. Als de koran voor iemand een heilige tekst is, moet dan het commentaar van een latere moslim, die noch profeet noch heilige was en al ruim duizend jaar dood is, dat ook zijn? Moeilijk ligt het met de uitspraak van de profeet waarop de tekst zich beroept; die is immers voor moslims bindend. Maar die stamt uit een hadith en is geen uitleg van het geciteerde koranvers.

.
Met de haren erbij gesleept
Er zijn onderwerpen waarover moslims graag iets in de koran gelezen hadden, hoewel er echt niets over in staat. In zo’n geval wordt er vaak een vers genomen en zo geïnterpreteerd dat het net is alsof het er toch in staat. De bovengenoemde Bestraffing in het Graf bij voorbeeld wordt graag herkend in Koran 40:11: ‘Onze Heer, U hebt ons tweemaal laten sterven en twee maal tot leven gebracht.’ De exegeet al-Tabarī (gest. 923) heeft de volgende uitleg bewaard: ‘Ze stierven in deze wereld en werden tot leven gewekt in hun graf, toen werden ze ondervraagd of toegesproken, toen stierven ze in hun graf en werden zij opgewekt in het hiernamaals.’). Of de auteur van het koranvers daar al dan niet aan gedacht heeft is niet aantoonbaar. Ook AIsha staat niet in de koran.

Of er worden andere trucs aangewend, waarvan de bekendste is die met het vers over de steniging.

– Over Steniging staat niets in de Koran. Het heet echter dat er wel degelijk een vers over had bestaan:

  • Wilt niet iets anders dan uw vaderen, want dat is ongeloof voor u. [Zelfs] als een oude man en een oude vrouw ontucht plegen, stenigt hen dan in elk geval, als een straf van God. God is machtig en wijs.4 

Maar dat vers geldt als afgeschaft (mansūkh). In dit geval is de woordelijke tekst afgeschaft, zodat het niet in de koran staat, maar de erin vervatte rechtsregel is geldig, want de steniging komt wel in de Hadith voor. Die *afschaffing is een lastige zaak, die een apart artikeltje behoeft.

Let wel: als iets niet in de koran staat, is het daarom niet onislamitisch. Maar het zou prettig zijn als mensen tenminste de tekstsoorten uit elkaar konden houden: koran, koranuitlegging (tafsīr) en hadith.

 

NOTEN
1. Ik bedoel natuurlijk ongeschoold op het gebied der taal- en letterkunde. Iemand kan installateur zijn, bakker of verpleegkundige, ingenieur of zelfs arts, maar tegelijk ongemeen naïef, ja vrijwel analfabeet zijn wanneer het op het lezen van teksten aankomt, en zeker van oude teksten. Zulke mensen zijn vaak willige slachtoffers van de eveneens vrijwel ongeschoolde islamitische religieuze leiders.
2. Vertaling Leemhuis. Ik heb de lange opsomming van de verwanten hier klein gedrukt om niet van de kleding af te leiden.
3. Je zou denken: ook de polsen moeten bedekt zijn, om de armbanden onzichtbaar te maken. Maar nee, daar is de consensus heel pragmatisch: om huishoudelijk werk nog mogelijk te maken, zoals bij voorbeeld deeg kneden, mogen de onderarmen tot halverwege zichtbaar zijn.
4. لا ترغبوا عن آبائكم فانه كفر بكم. والشيخ والشيخة إذا زينا فارجموهما البتة نكالا من الله والله عزيز حكيم . Ibn Isḥāq, Sīra 1015, al-Ṭabarī, Tarīkh i, 1821, Mālik ibn Anas, Muwaṭṭaʾ, Ḥudūd 10, Ibn Saʿd, Ṭabaqāt, uitg. Sachau iii, i blz. 242 e.a.

Terug naar Inhoud