Kalief, kalifaat: een kort overzicht

Kalief
Arabisch khalīfa, mv. khulafā’  = ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. ‘Plaatsvervanger Gods op aarde’ namelijk: khalīfat allāh. Soms ook opgevat als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’.
Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Ondanks het eenheidsideaal hebben er dikwijls verschillende islamitische staten naast elkaar bestaan, met verschillende kaliefen. Enkele kalifaten waren:

De eerste ‘rechtgeleide’ kaliefen  632–661         Medina (Kūfa)
Umayyaden                                  661–750         Damaskus
Abbasiden                                    750–1258       Baghdad
Umayyaden in Spanje                  756–1031       Córdoba
Fātimiden (sjiietisch)                    909–1171        Mahdīya, Kairo

De opvolging van Mohammed was van meet af aan een heet hangijzer. Het conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over die opvolging.
.
Zonen van de profeet
Als Mohammed een zoon had gehad, had deze hem opgevolgd. De overlevering vermeldt drie zoontjes van de profeet: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm, die alle reeds heel jong zouden zijn gestorven. Over Ibrāhīm heet het in een hadith: ‘[Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.’ 1 Interessanter voor de oorsprongsmythe was het bestaan van *Zayd [ibn Hāritha], die door Mohammed al voordat hij profeet werd als zoon was geadopteerd. Later is middels een koranvers de adoptie teruggedraaid, maar intussen was Zayd toch vijftien, zo niet twintig jaar lang de zoon en erfgenaam van de profeet geweest. Gelukkig was Zayd al vóór de profeet gestorven, want, aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 2
.
Opvolger/plaatsvervanger van wie?
De kaliefen lieten zich door de eeuwen heen khalīfat Allāh, ‘plaatsvervanger Gods’ noemen, of nā’ib allāh fī al-ard, ‘vertegenwoordiger Gods op aarde’ e.d. Het idee dat ze alleen wereldse macht hadden en dat de geestelijke macht aanvankelijk bij de gezellen van de profeet en later bij de schriftgeleerden, de ‘ulamā’, berustte is een vroom en niet onbaatzuchtig bedenksel van de laatstgenoemden. Zij zijn ook degenen die hebben bedacht dat de eerste kaliefen zich als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’ betiteld zouden hebben, terwijl hun opvolgers dan weer khalīfat khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger van de plaatsvervanger van de profeet’ heetten, enzovoort. Erg onwaarschijnlijk.
.
Opvolger aangewezen?
De profeet heeft volgens de Soennieten geen opvolger aangewezen. Volgens de Sjiieten heeft hij na de afscheidsbedevaart bij Ghadīr Khumm zijn neef ‘Alī ibn abī Tālib aangewezen met de woorden: ‘Hij wiens mawlā (patroon?) ik ben, diens mawlā is ‘Alī’. De Sjiietische opvatting komt hieronder verder niet aan de orde.
.
Opvolger als wat?
– Meestal zegt men: de profeet kon als profeet niet worden opgevolgd, maar alleen als staatshoofd.
– Waarom eigenlijk niet ook als profeet? Het profeetschap had toch altijd in de familie gezeten? In K 29:27 wordt over Ibrāhīm gezegd:

  • Wij hebben hem Ishāq en Ya‘qūb geschonken en Wij hebben in zijn nageslacht het profeetschap en het boek gebracht.

In K 57:26 wordt Noach erbij betrokken:

  • Wij hebben Nūh en Ibrāhīm gezonden en in hun nageslacht het profeetschap en het Boek gebracht.

– De eerste reëel bestaande kaliefen, tot ± 850, hadden er niet over gepeinsd zich uitsluitend als wereldse heersers te beschouwen. Zij waren plaatsvervanger Gods op aarde, hoogste rechter, hoogste koraninterpreet, hun soenna diende te worden nagevolgd. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden: alles in de beste oudoosterse traditie van divine kingship.
– De latere ‘ulamā’ maakten onderscheid tussen geestelijk gezag en wereldlijke macht. De erfgenamen van het geestelijk gezag waren de gezellen (ashāb) van de profeet, hun volgelingen en dier volgelingen, en later — U raadt het al — de ‘ulamā’. De wereldlijke macht lieten zij over aan de kaliefen. Dat er in de islam geen scheiding tussen ‘kerk en staat’ zou zijn is onzin.
– De Sjiieten beschouwen het kalifaat, of het imamaat zoals zij het liever noemen, als combinatie van wereldse en geestelijke macht.

.
De ‘rechtgeleide kaliefen’
Na Mohammeds dood hebben eerst de facto vier gekozen kaliefen geregeerd, die door de soennieten de ‘rechtgeleide kaliefen’ (al-khulafā’ al-rāshidūn) worden genoemd. Hun hoofdstad was Medina.

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

– Traditionele soennitische opvatting: Abū Bakr, ‘Umar, ‘Uthmān en ‘Alī, waren de eerste vier opvolgers van de profeet. Zij hadden als hoofdstad Medina, al regeerde ‘Alī feitelijk vanuit Kūfa in Irak. Deze periode was volgens de soennieten de bloeitijd van de islam; beter was alleen de tijd van de profeet zelf. De kaliefen leidden de islamitische staat vroom en stonden dicht bij het volk. Men kon zich op deze kaliefen oriënteren voor het juiste gedrag en hun soenna volgen in geval de profeet geen richtlijn had nagelaten.
– Sjiietische opvatting: Voor de Sjiieten was er maar één rechtgeleide kalief: ‘Alī. De andere drie waren usurpatoren, over wie negatief gesproken werd en wordt.
De traditionele oriëntalistik hield als zo vaak het soennitische basisontwerp aan, maar vermocht het paradijselijke van deze vroege periode niet in te zien, omdat drie van de vier kaliefen vermoord werden en ook de eerste burgeroorlog in deze tijd heeft plaatsgehad.
Moderne geleerden zijn vaak van mening dat er bij de huidige stand van het bronnenonderzoek over deze periode nauwelijks geschiedenis te schrijven valt. Vaak twijfelt men zelfs aan de jaartallen.
Dat Mohammed zijn opvolging niet heeft geregeld komt het duidelijkst naar voren in de verhalen over de saqīfa (→ G. Lecomte), de hal of het afdak van de Banū Sā‘ida in Medina, waar in 632 direct na Mohammeds dood onderhandelingen over de opvolging zouden hebben plaatsgehad. De Helpers (ansār) uit Medina waren tegen de benoeming van een Emigrant (muhādjir) maar wilden een gedeeld leiderschap: zij hebben hun leider, wij de onze. ‘Umar hoorde ervan, drong er binnen en forceerde de benoeming van de oude Abū Bakr. Volgens sommige versies was ‘Ali hierbij ook aanwezig.3
Rechtgeleid (rāshid of rashīd of mahdī) werden overigens alle kaliefen in de eerste eeuwen van de islam genoemd. Denkt U maar aan de beroemde kalief Hārūn al-Rashīd (reg. 786–809). Zijn voorganger werd zelfs bekend onder de naam al-Mahdī (reg. 775–85).4
.
Vroege opvattingen over de opvolging: concurrerende groepen
Na de dood van de profeet waren er verscheidene facties die ideeën hadden over de opvolging en de macht:
– De vroege elite van gelovigen: De vroegste aanhangers van Mohammed, de eerste bekeerlingen, met grote verdiensten voor de nieuwe beweging. Zij wensten telkens in eigen kring te te regelen wie er zou opvolgen. Uit deze groep waren als vanzelf de eerste vier kaliefen voortgekomen, maar daarna gaf zij nog niet dadelijk op; dat gebeurde pas na het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (680–92) in Mekka.
– De voorislamitische elite: de clan Umayya van de stam ‘Abd Shams. Aanvankelijk waren zij tegenstanders van Mohammed; zij sloten zich pas op de valreep bij hem aan. Toen zij de macht hadden overgenomen (als dynastie der Umayyaden) praktiseerden zij erfopvolging binnen hun eigen clan.
– ‘Alī en zijn ‘partij’, de Sjia (shī‘a): Volgens hen was ‘Alī door de profeet tot opvolger aangewezen. Zij waren voorstanders van erfopvolging binnen de familie van de profeet.
– Kharidjieten: geen erfopvolging, geen gekonkel in elite-groepjes, maar telkens vaststellen wie in zedelijk opzicht de beste kandidaat was. De kalief afzetten als hij tegenvalt.
.
De Umayyaden (661–750)
umayyadenkaliefNa de dood van ‘Alī, die overhoop had gelegen met Mu‘āwiya, de feitelijke heerser in Syrië sinds 642, nam deze laatste het kalifaat over in 661. Hij behoorde tot de clan Umayya, dus tot de voorislamitische elite, waartoe ook kalief ‘Uthmān (644–56) al had behoord, evenals diens stadhouders in de provincies. De clan was het gewend, macht uit te oefenen. De kaliefen hadden absolute macht, hun soenna moest worden gevolgd en er was erfopvolging binnen de clan. Hun vormgeving was die van Perzische heersers, hoewel—of misschien juist omdat— hun machtsbasis Syrië een Oostromeinse provincie was geweest.
Onder deze dynastie werd veel tot stand gebracht:
– Veroveringen: Noord-Afrika, Spanje, Centraal-Azië.
– Consolidering van de macht in reeds bezette gebieden.
– Integratie van de oostelijke provincies van het Romeinse Rijk en het Perzische Rijk. Door vrede en schaalvergroting kwam er nu veel energie vrij voor wederopbouw en unifocatie. Vooral kalief ‘Abd al-Malik (685–705) heeft zich daarvoor ingezet.
– Opbouw en Arabisering van het bestuur; vanaf 700 zegetocht der Arabische taal.
– De invoering van een eigen geldstelsel (dubbele standaard). Het rijk ‘stapte uit de Euro’ van die tijd: de Romeinse solidus, die gangbaar was in heel Europa en het Middellandse-Zeegebied. Ook de Perzische drachme had afgedaan.
– Uitgave en verbreiding van de koran; ontwikkeling van een rechtssysteem (nee, nog niet de sharia).
– Opbouw van een (een!) islamitische identiteit. Als symbool gold aanvankelijk de achthoekige Rotskoepel in Jerusalem, gebouwd door kalief ‘Abd al-Malik (691): een statement tegen de christenen.
De Umayyaden vonden drie reeds genoemde groepen tegenover zich:
– de vroege elite van de gelovigen en hun nakomelingen, die na de vernietiging van het rivaliserende kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 geen rol meer speelde.
– de Sjiieten, die ze er wel onder wisten te houden.
– de Kharidjieten, waar ze een geduchte vijand aan hadden.
Vanaf ± 700 kwamen er nog twee bij:
– De ‘Mensen van de Soenna en de Gemeente’ (ahl al­-sunna wa ’l-djamā‘a) die in plaats van de soenna van de Umayyadische kaliefen die van de profeet Mohammed wilden stellen, waaraan de kaliefen zich hadden te onderwerpen. Uit deze steeds machtiger wordende oppositiegroep zouden later de schriftgeleerden (‘ulamā’) voortkomen.
– De Abbasiden, die geleidelijk aan machtsovername werkten door middel van een perfide propaganda-oorlog: de Abbasidische revolutie. Als bondgenoten hadden zij de Sjiieten en de ‘ulamā’.
.
In de traditioneel-islamitische opvatting hebben de Umayyaden om religieuze redenen een heel slechte naam. Na de bloeitijd onder de Rechtgeleide Kaliefen werd de islam door hen als het ware gekaapt, zo heette het.
Zij regeerden zelfgenoegzaam, als koningen in plaats van kaliefen. Ze maakten de heerschappij erfelijk. Ze vielen Mekka en Medina aan en schoten de Ka‘ba in brand (tijdens het ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr). Ze verhinderden niet-Arabieren zich tot de islam te bekeren. Ze leefden goddeloos, dronken wijn, vierden orgieën, hadden afbeeldingen. Ze waren tyrannen en buitten hun onderdanen uit. Kortom, ze hielden zich niet aan de soenna van de profeet, zo vond de oppositie, al wist ± 710 nog niemand zo precies hoe die eruit zag.
Voor de Sjiieten waren de Umayyaden nog erger: Mu‘āwiya had immers ‘Alī bestreden en diens zoon had Husayn vermoord!
Kan allemaal wezen, maar regeringen zonder tyrannie en arrogantie bestonden er in de Oudheid niet. Die slechte pers hebben de Umayyaden gekregen omdat de teksten over hen beheerd werden door een klasse die hun vijandig gezind was: de uit de oppositie voortgekomen ‘ulamā’. Met enige moeite zijn er nog oude teksten te vinden die een ander beeld laten zien. Dat hun islam-ontwerp afweek van het latere model van de ‘ulamā’ kun je de Umayyaden moeilijk kwalijk nemen.
.
De Abbasiden (750–1258(–1517)):
– De Abbasiden lieten hun bondgenoten de Sjiieten en de ‘ulamā’ vallen zodra ze de macht hadden gegrepen.
– Ook zij regeerden aanvankelijk als absolute heersers in hun nieuwe, waarlijk keizerlijk aandoende hoofdstad Baghdad.
– Zij werden sinds ± 850 in hun macht beperkt door de ‘ulamā’. Onder de Abbasiden groeide hun invloed zozeer dat de kaliefen voortaan niet meer autocratisch konden regeren. Vanaf ± 800 neemt de sharī‘a vorm aan.
– De kaliefen verloren sinds 945 nog meer macht: zij regeerden alleen nog in naam, terwijl de werkelijke macht berustte bij legerleiders, sultans, vizieren enz.
– Het kalifaat in Baghdad eindigde in 1258 toen de Mongolen die stad verwoestten.
– Eén Abbaside ontkwam naar Cairo in het Mamelukkenrijk, waar een louter ceremonieel kalifaat werd voortgezet. De Mamelukken daar konden wel wat religieuze legitimatie gebruiken.
– Met de Turkse bezetting van Egypte in 1517 eindigde het Abbasidische kalifaat definitief.
.
De Ottomanen. Europese invloed. Het einde (1517–1924)
Toen de Turken in 1517 Egypte veroverden schaften zij het Abbasidenkalifaat af en brachten al-Mutawakkil III, de laatste kalief, naar İstanbul over, waar hij echter geen functie kreeg. Hij heeft nog zesentwintig jaar geleefd, naar ik aanneem in het genot van een pensioentje. De titel ‘kalief’ werd op onduidelijke wijze een van de vele titels van de Turkse sultans, maar zij deden er niets mee. Dat veranderde in de 18e eeuw. Europeanen meenden vaak ten onrechte dat de kalief een soort paus was, met geestelijk gezag over alle moslims ter wereld. De sultans lieten zich dat graag aanleunen, vooral sinds de Vrede van Küçük Kaynarca in 1774. Turkije moest toen o.a. de Krim aan Rusland afstaan, en als kalief kon de sultan toch nog invloed op de daar wonende Krim-Tataren uitoefenen. Het apocriefe verhaal dat de laatste Abbasidische kalief zijn titel aan sultan Selīm I zou hebben overgedragen werd korte tijd later in omloop gebracht.5 Geleidelijk werd de sultan-kalief als geestelijk hoofd opgebouwd. In de 19e eeuw woonden er veel moslims in de Europese koloniën in Azië. Dezen konden een geestelijke ondersteuning vanuit İstanbul goed gebruiken, terwijl de sultan zo zijn diplomatieke invloed kon vergroten. In de Ottomaanse grondwet van 1876 heette het: ‘De sultan is, in zijn hoedanigheid van kalief, de beschermer van de islamitische religie.’ Hij was niet het enige staatshoofd dat gelovigen in het buitenland steunde: Catharina de Grote van Rusland was ermee begonnen de orthodoxe christenen in het Nabije Oosten te ‘beschermen’ en latere tsaren bleven dat doen. Frankrijk nam de katholieken aldaar onder zijn hoede. Het Ottomaanse rijk had echter nauwelijks een marine, dus van daadwerkelijk beschermen kwam niet veel terecht. In Nederlands-Indië waren er huizen waar naast een foto van Koningin Wilhelmina een portret van de Turkse sultan (Soeltan Radja Roem) aan de wand prijkte.
Atatürk schafte in het kader van zijn modernisering van Turkije in 1922 eerst het sultanaat af, twee jaar later ook het geheel uitgeholde kalifaat.
.
Pogingen het kalifaat te doen herleven (1924–2016)
Pogingen om het kalifaat te doen herleven zijn armzalig en ongeloofwaardig gebleven. Husayn ibn ‘Alī, de sharif van Mekka, die zich in 1924 tot kalief uitriep, werd afgezet door de Wahhabieten. De Egyptische Koning Fārūq was graag kalief geworden, maar hij maakte weinig kans en werd in 1952 afgezet. In 1984 noemde al-Numayrī in Soedan zich ‘kalief Gods op aarde’; de Afghaanse Taliban-Molla Muhammad ‘Umar (1996–2001) gebruikte de kaliefentitel ‘vorst der gelovigen’, en ook Duitsland had zijn kalief: de asielzoeker Metin Kaplan, kalief van Keulen. Hij werd in 2004 wegens aanzetten tot moord op een ‘tegenkalief’ uitgeleverd aan Turkije, waar hij levenslang kreeg. In dit knullige gezelschap heeft nu de nieuwste kalief zich begeven, Ibrāhīm ‘Awwād Ibrāhīm (Fallūdja 1971— ), alias Abū Bakr al-Baghdādī, de leider van de Islamic State/al-Dawla al-Islāmīya in Syrië en Irak. Omdat een kalief volgens traditioneel-soennitische opvatting een Arabier uit de stam Quraysh behoort te zijn heeft hij zijn stamboom al bijgewerkt: hij noemt zich nu o.a. al-Husaynī al-Qurashī. Ook geen frisse jongen. 

NOTEN
1. Ibn Mādja, Djanā’iz 27.
2. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iii, 498–9, bij Koran 33:40.
3. Ibn Ishaq, Sīra, uitg. Wüstenfeld, 1013–1018; vert. Guilaume, 683–687.
4. Misschien heeft al-Hadjdjādj, de Umayyadische stadhouder in Irak vanaf 694, in een toespraak als eerste het aantal vier gebruikt in verband met de rechtgeleide kaliefen (al-khulafā’ al-rashīdūn al-muhtadūn al-mahdīyūn), hoewel hij (opzettelijk?) vaag bleef over de vraag, wie hij precies bedoelde. (Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd, iv, 122).
5. Lange tijd was d’Ohsson, Tableau voor de Europeanen een belangrijke bron van informatie over het Ottomaanse Rijk. Hij heeft blijkbaar veel misverstanden over het kalifaat in Europa verbreid. Khalīfa en imām vertaalde hij consequent met pontife, dus ‘opperpriester, paus’; de kaliefentroon heet bij hem siège pontifical. Maar daarin zal hij niet de eerste geweest zijn. Het verhaal over de overdracht van het kalifaat is wél voor het eerst door hem in omloop gebracht, o.c. i, 269–70.

BIBLIOGRAFIE NIET AF@
– Arnold@@
– P. Crone und M. Hinds, God’s Caliph. Religious Authority in the First Centuries of Islam, Cambridge 1986.
– Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd @@@
– [Ibn Isḥaq, Sīra] in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, […] uitg. F. Wüstenfeld, 3 dln., Göttingen 1858–60. In Engelse vertaling: A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Isḥāq’s (zo!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– G. Lecomte, ‘Saḳīfa,’ in EI2.
– M. Lecker, ‘Ṣiffīn,’ in EI2.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, 5 dln., uitg. A. M. Shiḥāṭa, Cairo 1979.
– I.M. d’Ohsson, Tableau Général de l’Empire Othoman, 7 dln., Parijs 1788-1824.

Diakritische tekens: Fāṭimiden, Zayd ibn Ḥāritha, ʿulamāʾ, nāʾib allāh fī al-arḍ, Abū Bakr al-ṣiddīq, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb,ʿĀlī ibn abī Ṭālib, Isḥāq, Nūḥ, anṣār, Ḥusayn ibn ʿAlī, al-Ḥadjdjādj, Ibn Isḥaq, Saḳīfa, Ṣiffīn

Terug naar Inhoud