Een dure slaaf (vertaalde tekst)

Geschreven door de Arabische prozaïst al Djahiz (777–869).

Rawh ibn al-Tā’ifīya, een slaaf van de zuster van Anas ibn Abī Shaykh, die hem de behartiging van al haar aangelegenheden had toevertrouwd, vertelde het volgende verhaal:
Ik ging naar de markt om een kok te kopen. Terwijl ik daar stond werd er een jonge slaaf gebracht die voor tien dinar werd aangeboden, hoewel hij wegens zijn knappe gezicht, zijn uitstekende figuur en zijn jeugdigheid er wel honderd waard was, nog afgezien van zijn vakkennis. Toen ik hem zag kon ik het niet laten naar hem toe te lopen en tegen hem te zeggen:
– Jij schurk! Zoals jij eruit ziet zou je minstens honderd dinar moeten kosten, en als jouw eigenaar je voor tien verkoopt, dan doet hij dat alleen omdat jij het ergste uitschot bent!
– Ja, antwoordde hij, voor de meeste mensen ben ik uitschot, maar voor anderen ben ik honderd en nog eens honderd dinar waard.
Toen dacht ik: Eén dag tegenover mijn vrienden te kunnen opscheppen met zijn schoonheid en zijn goede kookkunst is alleen al meer dan tien dinar waard.
Ik kocht hem dus en nam hem mee naar huis. Toen ik merkte dat hij handig, dienstwillig en terughoudend was stuurde ik hem op een dag dag naar de geldwisselaar om daar twintig dinar voor mij af te halen. Hij hield ze zelf en verdween spoorloos. Ik had zijn vlucht nog niet eens bemerkt toen de slavenzoeker1 al voor de deur stond en zijn loon verlangde.
– Daarom en om zulke dingen meer stond jij dus voor tien dinar te koop, zei ik tegen de slaaf.
– Als ik niet wist dat u mijn eed toch niet zou geloven, zou ik u vertellen hoe ik de dinars uit mijn kleding ben verloren. Maar ik zeg u één ding: Sluit me op, bewaak me, maak gebruik van mijn diensten en denk dat u me voor dertig dinar hebt gekocht!
Ik hield hem en zette hem vast omdat ik een zwak voor hem had, en dacht bij mezelf dat hij misschien toch eerlijk was. Toen ik daarop merkte dat hij rechtschapen en rouwmoedig was en zijn dienst goed uitvoerde, vergat ik de hele geschiedenis. Op een dag overhandigde ik hem dertig dinar, die hij aan mijn familie moest brengen. Zodra hij het geld in handen had verdween hij spoorloos, maar het duurde maar een paar dagen tot de slavenzoeker hem terugbracht.
– Je hebt destijds beweerd dat je die eerste dinars verloren had, zei ik tegen hem, wat zeg je nu over deze tweede keer?
– Ik weet heel goed, zei hij, dat u van mij geen excuus aanvaardt; laat mij buitenshuis en draag me niets anders op dan de keukendienst. Als een goed pak slaag u iets van het geld kon terugbrengen zou ik u dat zeker aanraden, maar het geld is weg en slaan vermindert uw loon in het hiernamaals. Bovendien sterf ik misschien aan dat pak slaag en dan zou u spijt hebben, zou u schuldig zijn, u schamen en voor gek staan en de overheid zou u vervolgen. Laat mij dus alleen keukendienst doen: ik zal u daar heel blij maken, het beste inkopen en het goed voor u klaarmaken. En denk maar dat u mij voor zestig dinar hebt gekocht.
– Deze keer trap ik er niet in, zei ik tegen hen, ga in godsnaam weg, ik laat je vrij!2
– U bent zelf een slaaf, antwoordde hij, hoe kunt u mij dan vrijlaten?
– Dan zal ik je verkopen, voor welke prijs dan ook.
– Maar verkoop me niet voordat u een andere kok gevonden hebt, want als u me nu meteen verkoopt krijgt u alleen nog brood en bonen te eten.
Dus zag ik ervan af hem te verkopen. Een paar dagen later, toen ik buiten zat, liep daar een moederschaap van een nobel ras en met een goede melkopbrengst, dat we van haar lam gescheiden hadden, zodat het onophoudelijk blaatte. Ik zei, zoals je dat doet als je geërgerd bent en zoals ieder ander ook had gedaan:
– Mijn hemel, dat vervloekte schaap! Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen, dat we dat gemekker niet meer hoefden te horen.
Mijn kok verdween; nauwelijks was hij weg of hij kwam alweer terug, met een mes en een slagersbijl in zijn hand en met een voorschoot aan.
– Wat doen we met het vlees? vroeg hij me. Wat draagt u me op ermee te doen?
– Welk vlees?
– Van dat schaap.
– Welk schaap?
– Dat u gezegd had dat ik moest slachten.
– Maar welk schaap heb ik jou dan opgedragen te slachten?
– Grote goedheid! U zei toch zoëven: Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen? En nu God u geeft wat u vroeg doet u alsof u nergens van wist!
Rawh zei nog: Zo bleef ik dus met hem zitten, want ik kon hem niet vastzetten, niet verkopen en niet vrijlaten.

Bron:
Al-Djāhiz, Kitāb al-Hayawān, uitg. ‘Abd al-Salām Hārūn, 6 dln., Cairo 1938-1947, vi, 490–493.

Noten
1. Nāshid = ‘zoeker’. Blijkbaar is een soort detective bedoeld, die weggelopen slaven opspoorde.
2. Vrijlating was voor een slaaf niet altijd het hoogste goed. Als de jongen was vrijgelaten had hij op straat gestaan.

Diakritische tekens: Rawḥ ibn al-Ṭā’ifīya, Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān

Terug naar Inhoud