De slag bij Uhud (vertaalde tekst)

Na de nederlaag bij Badr moesten de Qurayshieten wel spoedig opnieuw uitrukken tegen Mohammed, ter wille van hun eigen moreel en hun prestige onder de nomadenstammen, en om de karavaanweg naar Syrië voor de toekomst open te houden. Er was al een Mekkaanse karavaan oostelijk langs Medina getrokken, maar deze was onderschept door honderd moslims. Een poging om Mohammed in Medina te vermoorden was mislukt.
In maart 625 verscheen er een groot leger van Quraysh bij Uhud (Oehoed), vlak ten noorden van Medina. Quraysh had ook paarden, in die tijd een geducht wapen, maar ook kwetsbaar, want paarden verlangen meer water en verfijnder voer dan kamelen. Wellicht heeft Quraysh zich ter wille van de paarden in de landerijen bij Medina gelegerd, wat strategisch niet de beste plaats was.
‘Abdallāh ibn Ubayy, de leider der Halfhartigen, was niet erg strijdlustig. Misschien wilde hij door neutraal te blijven de mogelijkheid openhouden, later de zijde van Quraysh te kiezen. Mohammed nam hem handig de wind uit de zeilen door zelf een defensieve tactiek voor te stellen en niet gretig op de vijand af te stormen.
De moslims hadden de beste positie, met een heuvel in de rug. Maar de paarden van de vijand waren hun te sterk. De boogschutters van de moslims schijnen zich ongedisciplineerd gedragen te hebben en voortijdig aan het plunderen te zijn geslagen, al weidt de overlevering daar om begrijpelijke redenen niet over uit. Het gerucht van Mohammeds dood, vreemd genoeg afkomstig van een moslimse boogschutter, droeg tot de verwarring bij. De algemene indruk is dat de tactiek van de Mekkanen superieur was. Hun generaal Khālid ibn Walīd was uiterst bekwaam; hij is als moslim later zeer beroemd geworden. De moslims hebben zich zelf na hun succes bij Badr waarschijnlijk overschat.
De nederlaag bij Uhud was een gevoelige slag voor de moslims, niet in de laatste plaats omdat er nu twijfel rees aan Gods hulp, die bij Badr zo duidelijk werkzaam was geweest. De Halfhartigen zullen niet hebben nagelaten die twijfel te versterken. Dat er volgens de naamlijsten van Ibn Ishāq slechts vier Emigranten waren gesneuveld tegen eenenzestig Helpers moet hen hebben verbitterd.
De overwinning van de Mekkanen was echter niet zo groot als dezen hadden gehoopt. Zij hadden Mohammed niet kunnen vernietigen; na Badr en Uhud waren beide partijen ongeveer even sterk. De onbetwiste suprematie van Mekka was voorbij. De volgende stap zou zijn het opstoken van de nomadenstammen tegen Mohammed.

VERTALING:

Mijn verhaal over de slag bij Uhud heb ik samengesteld uit berichten van az-Zuhrī, Muhammad ibn Yahyā, ‘Āsim, Husayn ibn ‘Abd ar-Rahmān en andere geleerden.
Na de nederlaag van de ongelovige Qurayshieten bij Badr, en nadat zowel hun uiteengeslagen leger als Abū Sufyān met zijn karavaan waren teruggekeerd in Mekka, kwamen ‘Abdallāh ibn abī Rabī‘a, ‘Ikrima ibn abī Djahl, Safwān ibn Umayya met nog een aantal Qurayshieten die hun vader, zoons of broers bij Badr hadden verloren, bij Abū Sufyān en zijn partners in die karavaan en zeiden: ‘Qurayshieten! Mohammed heeft ons een gevoelige slag toegebracht en onze beste mannen gedood. Stel ons daarom jullie winst ter beschikking om oorlog tegen hem te voeren. Misschien kunnen wij wraak nemen voor onze doden.’ En zo gebeurde het.
.
Volgens sommige geleerden werd aangaande hen het koranvers geopenbaard: “Zij die ongelovig zijn geven hun vermogen uit om mensen van de weg Gods af te houden. Zij zullen het uitgeven, maar daarna zullen zij er spijt van krijgen. Dan zullen zij overwonnen worden en zij die ongelovig zijn zullen samengedreven worden naar de hel.” [8:36]
.
Nadat deze Qurayshieten zich hadden verzekerd van de steun van Abū Sufyān en de andere deelnemers aan de karavaan, verzamelden zij zich met hun Ahābīsh en de hun onderhorige stammen uit Kināna en het laagland.
Djubayr ibn Mut‘im riep zijn Ethiopische slaaf Wahshī, die de lans wierp zoals alle Ethiopiërs dat doen en zelden zijn doel miste, en zei tegen hem: ‘Ga jij ook mee! Als je mijn oom Tu‘ayma wreekt door Mohammeds oom Hamza te doden, dan laat ik je vrij.’
Quraysh trok uit met alle mankracht en wapens die zij hadden, en hun Ahābīsh en de hun onderhorige stammen uit Kināna en het laagland. Ook de vrouwen trokken mee, in hun kameelzadels, om de vechtlust van hun mannen aan te wakkeren en te voorkomen dat zij zouden vluchten. Zo had Abū Sufyān, de aanvoerder, Hind bint ‘Utba bij zich. Telkens wanneer Hind tijdens de tocht Wahshī in het oog kreeg, riep zij: ‘Zwartkop, zet hem op! Onze wraak is ook jouw zaak!’
Ten slotte hielden ze halt bij Aynayn, een heuveltje in het zoutmoeras bij Qanāt, aan de rand van het rivierdal, tegenover Medina.
Zodra de Profeet en de moslims dat vernamen zei de Profeet: ‘Bij God, ik heb een goede droom gehad, over koeien, en over een schaarde in het scherp van mijn zwaard. Ook droomde ik dat ik mijn hand in een sterk pantser stak, en ik denk dat dat pantser Medina betekent. Het lijkt mij dus het beste, dat wij in Medina blijven en de Qurayshieten laten waar zij zijn. Als zij daar blijven, zitten ze op een heel slecht punt, en als ze de stad proberen binnen te komen, dan slaan we ze hier af. ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl was het eens met het voorstel van de Profeet. Andere moslims daarentegen, die bij Uhud de martelaarsdood zouden sterven, en anderen die de slag bij Badr hadden gemist, drongen aan: ‘Profeet, trek met ons uit, dat de vijand niet denkt dat wij laf en zwak zijn.’ Maar ‘Abdallāh ibn Ubayy zei: ‘Profeet, blijf in Medina en ga niet naar buiten! In het verleden hebben wij altijd zware verliezen geleden als wij buiten de stad een vijand bevochten, terwijl wij hun altijd slagen konden toebrengen zodra zij de stad binnendrongen. Laat hen daar, Profeet; ze zitten op een heel slecht punt, en als ze hierheen komen, vechten onze mannen hun tegemoet, terwijl de vrouwen en kinderen vanaf de daken met stenen gooien. Als ze zich dan terugtrekken, zijn ze nog even ver van huis als toen ze kwamen.’
Maar degenen die op de vijand af wilden drongen zo lang aan tot de Profeet naar huis ging om zijn pantser aan te trekken. Dat was op een vrijdag, na het gebed. Die dag was er een van de Helpers gestorven, uit de stam Nadjdjār; de Profeet had gebeden voor hem verricht en wilde daarna uitrukken. Intussen hadden die mannen echter spijt gekregen en zeiden: ‘Profeet, wij hebben u overgehaald, terwijl u het niet wilde, en dat hadden wij niet mogen doen. Dus als u wilt, blijf dan hier.’ Maar nu zei de Profeet: ‘Als een profeet zijn pantser eenmaal heeft aangetrokken, past het hem niet, het weer uit te trekken voordat hij heeft gestreden.’
Met duizend gezellen trok hij uit. Bij Shawt, tussen Medina en Uhud, trok ‘Abdallāh ibn Ubayy zich terug, met een derde van de manschappen. ‘Naar hen heeft hij geluisterd, en mijn raad heeft hij in de wind geslagen,’ zei hij, ik zie niet in, mannen, waarom wij ons hier zouden laten afmaken.’ En hij maakte rechtsomkeert, met de Halfhartigen en weifelaars die hem volgden. ‘Abdallāh ibn ‘Amr reed hem achterna en riep: ‘Hé mannen, laat jullie kameraden en je Profeet niet in de steek, nu de vijand in de buurt is!’ Zij riepen terug: ‘Als wij wisten dat jullie echt zouden vechten, lieten we jullie niet gaan. Maar wij geloven helemaal niet dat het tot een gevecht komt.’
Zij bleven bij hun standpunt en vertrokken. ‘Abdallāh ibn ‘Amr riep hun nog na: ‘God vervloeke jullie, vijanden van God! Hij zal de Profeet ook zonder jullie laten overwinnen!’
De Profeet trok voort en hield ten slotte halt in het ravijn van Uhud, op de hoge zijde van het rivierdal, aan de kant van de berg. Hij richtte zijn kamelen en zijn leger naar Uhud en gaf order dat er niet gestreden mocht worden voordat hij het beval. Nu hadden de Qurayshieten hun kamelen en paarden vrij laten weiden op de akkers van al-Samgha, in het dal Qanāt, die aan de moslims toebehoorden. Toen de Profeet verbood dadelijk de strijd aan te binden, riep een van de Helpers: ‘Moeten wij de velden van Kayla zonder slag of stoot laten afgrazen?’
De Profeet maakte zich klaar voor de strijd, met zevenhonderd man. Over de boogschutters, vijftig in getal, stelde hij ‘Abdallāh ibn Djubayr, een broeder van het geslacht ‘Amr ibn ‘Awf, die op die dag te herkennen was aan zijn witte kleren. Hij droeg hun op: ‘Houdt de ruiterij van de vijand met pijlen op een afstand, zodat ze ons in geen geval van achteren aanvallen, of de slag nu gunstig verloopt of niet. Houdt stand, zodat wij van die kant niets te vrezen hebben.’ Daarop trok hij twee pantsers over elkaar aan en gaf het vaandel aan Mus‘ab ibn ‘Umayr, een broeder van de stam Abd al-Dār.
Ook Quraysh maakte zich gereed. Drieduizend man sterk waren zij en ze hadden tweehonderd paarden, die zij aan de teugel apart hadden meegenomen, naast hun eigen rijkamelen. Het bevel over de rechtervleugel van de ruiterij had Khālid ibn Walīd, en over de linkervleugel ‘Ikrima ibn abī Djahl.
De Profeet greep zijn zwaard en zei: ‘Wie gaat dit zwaard gebruiken zoals het dat waard is?’ Verscheidene mannen stonden op, maar die kregen het niet. Ten slotte stond Abū Dudjāna op, een broeder van de stam Sā‘ida, en zei: ‘En hoe is dat, Profeet?’
– ‘Dat je zo lang op de vijand inslaat tot het verbogen is.
– ‘Ik neem het, Profeet, en zal het gebruiken zoals het moet.’ Hij kreeg het zwaard mee. Deze Abū Dudjāna was een dappere man op het slagveld, maar wel een pocher. Je kon het altijd zien als hij ging vechten, want dan deed hij een rode tulband om. Toen hij het zwaard had gekregen van de Profeet haalde hij die tulband te voorschijn, deed hem om en begon uitdagend heen en weer te lopen tussen de linies.
.
‘Āsim vertelt: Abū ‘Āmir ‘Abd ‘Amr ibn Sayfī, uit het geslacht Dubay‘a, had zich met vijftig man uit de stam Aws (volgens anderen slechts vijftien) afgescheiden van de Profeet en was naar Mekka overgelopen. Daar had hij Quraysh beloofd dat er, als het tot een treffen zou komen, geen twee man het tegen hem zouden opnemen. Toen dan de beide partijen elkaar bij Uhud troffen, was Abū ‘Āmir de eerste die naar voren stormde, met de Ahābīsh en de slaven van Mekka.
– ‘Mannen van Aws,’ riep hij, ‘ik ben Abū ‘Āmir!’
– ‘God sla je met blindheid, goddeloze!’
– ‘Jullie zijn er ook niet vriendelijker op geworden sinds ik hier weg ben!’
Toen begon hij als een razende te vechten en hen met stenen te bombarderen.
Abū Sufyān had zijn vaandeldragers uit de stam ‘Abd ad-Dār als volgt aangespoord tot de strijd: ‘Mannen van ‘Abd ad-Dār! In de slag bij Badr hebben jullie ook ons vaandel gedragen, en jullie weten hoe het toen is afgelopen. Het lot dat de vlag treft, treft ook de manschappen: gaat die verloren, dan zijn zij ook verloren. Dus jullie moeten of ons vaandel behoorlijk verdedigen, of het aan ons geven; dan beschermen wij het.’ Deze woorden trokken zij zich zeer aan en zij zeiden dreigend: ‘Wij ons vaandel teruggeven? Nooit! Morgen in de slag zul je ons eens zien!’ Dat was natuurlijk precies wat Abū Sufyān wilde.
Toen de legers op elkaar afkwamen, stonden de vrouwen van Quraysh op tamboerijnen te slaan achter hun mannen om hen op te hitsen. Hind bint ‘Utba riep:

  • ‘Kom op, ‘Abd ad-Dār, laat zien wat je kan,
    Vecht voor je vrouwen hier achteran!’

en ook:

  • ‘Vecht je, dan verleid ik je.
    Op zachte kussens wacht ik je.
    Wijk je, dan vermijd ik je.
    Levenslang veracht ik je!’

Gaandeweg werd de strijd feller. Abū Dudjāna drong diep in de rijen der vijanden door en doodde iedereen die hij tegenkwam. Ook onder de heidenen was iemand die het niet bij verwondingen liet, maar iedereen afmaakte. Deze beide mannen vochten zich een weg naar elkaar toe en ik bad tot God dat ze elkaar zouden ontmoeten. Dat gebeurde, en wisselden enkele slagen. De heiden sloeg in op Abū Dudjāna, maar deze pareerde hem met zijn schild, en het zwaard van zijn tegenstander bleef daarin vastzitten. Toen kon Abū Dudjāna hem een fatale slag geven. Daarna zag ik hoe hij het zwaard hief boven het hoofd van Hind, maar het vervolgens weer liet zakken.
Abū Dudjāna heeft daarover zelf het volgende verteld: ‘Ik zag iemand die de vijand fel ophitste tot de strijd. Ik ging erop af, maar zodra ik mijn zwaard had geheven, zag ik ineens dat het een vrouw was, en ik had te veel eerbied voor het zwaard van de Profeet om er een vrouw mee te doden.’
Hamza, de oom van de Profeet, vocht tot hij Artāt ibn ‘Abd Shurahbīl gedood had, een van de vaandeldragers van Quraysh. Daarna kwam Sibā‘ ibn ‘Abd al-‘Uzzā hem voor de voeten en Hamza riep: ‘Kom op, zoon van een besnijdster!’ Zij stormden op elkaar in en Hamza doodde hem.
Wahshī, de slaaf van Djubayr ibn Mut‘im, heeft later verteld: Ik zag hoe Hamza de mannen neermaaide met zijn zwaard, zonder iemand te ontzien; als een grote grijze kameel stak hij boven het gewoel uit. Sibā‘ was eerder bij hem dan ik, en Hamza riep hem toe: ‘Kom op, zoon van een besnijdster!’ en gaf hem een doodsklap, zo snel dat het leek alsof hij zijn hoofd niet eens had geraakt. Toen zwaaide ik mijn lans, richtte nauwkeurig en wierp hem op hem af. De lans trof hem in het onderlijf en kwam er tussen zijn benen weer uit. Hij probeerde nog op mij toe te lopen, maar hij viel en zakte in elkaar. Ik liet hem met rust tot hij dood was; toen ging ik mijn lans terughalen. Daarna ging ik naar het kamp, want behalve hij interesseerde mij geen enkele tegenstander.
Toen zond God Zijn hulp neer over de moslims en vervulde Zijn belofte. Zij sloegen op de vijanden in tot dezen van hun kamp waren afgesneden en een wisse nederlaag tegemoet zagen.
.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn Zubayr vermeldt een bericht uit zijn familiekring, dat teruggaat op zijn overgrootvader Zubayr, die heeft verteld: Ik zag hoe de dienaressen en begeleidsters van Hind bint ‘Utba hun gewaden optrokken en op de vlucht sloegen. Niets verhinderde ons meer hen te grijpen. Maar ineens richtten onze boogschutters zich naar het vijandelijke kamp, waarvan wij hen hadden afgesneden. Zo viel onze dekking in de rug weg, en de ruiterij van de vijand viel ons van achteren aan. Wij hoorden iemand roepen: ‘Mohammed is dood!’ en trokken ons dadelijk terug. De vijanden keerden weer om, nadat zij aanvankelijk niet eens meer bij hun vaandel hadden kunnen komen, omdat wij hun vaandeldragers al hadden gedood.
Een geleerde bericht: Het vijandelijke vaandel, dat op de grond lag, werd opgeraapt door ‘Amra bint ‘Alqama; zij hief het omhoog en Quraysh verzamelde zich bij haar.
Nu de moslims geen rugdekking meer hadden, bracht de vijand hun grote verliezen toe. Het was een dag van beproeving en loutering, waarop God vele moslims het martelaarschap verleende. Ten slotte drong de vijand door tot bij de Profeet. Deze werd door een steen getroffen, zodat hij opzij viel. Daarbij verloor hij een snijtand en liep verwondingen op aan zijn gezicht en aan zijn lip. De man die hem geraakt had was ‘Utba ibn abī Waqqās.
Volgens het bericht van Mahmūd ibn ‘Amr, overgeleverd door Husayn ibn ‘Abd ar-Rahmān, riep de Profeet, toen de vijanden hem hadden omsingeld: ‘Wie offert zich voor ons op?’ Toen stonden Ziyād ibn Sakan en nog vijf Helpers op en vochten ter verdediging van de Profeet. Zij vielen man voor man, tot alleen Ziyād nog over was. Ten slotte werd ook hij dodelijk gewond. Er kwam echter een groep moslims terug, die de vijanden verjoeg. De Profeet liet Ziyād bij zich brengen en legde hem tegen zijn voet. Zo stierf hij, met zijn gezicht op de voet van de Profeet.
Volgens het bericht van al-Zuhrī was Ka‘b ibn Mālik de eerste die de Profeet herkende na de nederlaag en na het gerucht over zijn dood. ‘Ik herkende hem,’ zo vertelde Ka‘b, ‘aan zijn ogen, die oplichtten onder zijn helm, en ik riep zo hard ik kon: “Moslims, houdt moed! Hier is de Profeet!” Maar hij wenkte dat ik stil moest zijn.’
Nadat de moslims hadden gezien dat de Profeet nog leefde, namen ze hem mee naar boven, naar het ravijn. Bij hem waren Abū Bakr, ‘Umar, ‘Alī, Talha en Zubayr, Hārith ibn al-Simma en nog anderen.
Bij het begin van het ravijn gekomen, ging ‘Alī zijn schild vullen met water uit een vergaarbekken. De Profeet wilde er echter niet van drinken, omdat het niet fris rook en het hem tegenstond. Hij waste alleen het bloed van zijn gezicht, en terwijl hij het over zijn hoofd goot zei hij: ‘Hevig is Gods toorn tegen degene die het gezicht van Zijn Profeet heeft laten bloeden!’
Terwijl de Profeet met die gezellen in het ravijn was, ging er plotseling een groep Qurayshieten de berg op, en de Profeet waarschuwde: ‘O God, zij mogen niet hoger komen dan wij!’ Dadelijk bonden ‘Umar en enkele Emigranten de strijd met hen aan en joegen hen van de berg af.
De Profeet probeerde zelf op een rots te klimmen, maar omdat hij niet meer zo jong was en bovendien twee pantsers over elkaar droeg, lukte hem dat niet. Dus hurkte Talha ibn ‘Ubaydallāh onder hem neer en tilde hem op, zodat hij op die rots kon komen. Volgens een overlevering uit de familie Zubayr heeft de Profeet toen gezegd: ‘Daarmee heeft Talha het paradijs verdiend.’
Volgens het bericht van Sālih ibn Kaysān begonnen Hind bint ‘Utba en de vrouwen die bij haar waren de gesneuvelde gezellen van de Profeet te verminken door hun oren en neuzen af te snijden. Daarvan maakte Hind armbanden, kettingen en oorhangers, die zij aan Wahshī gaf, de slaaf van Djubayr ibn Mut‘im. Zij sneed de lever van Hamza uit zijn lichaam en kauwde erop, maar ze slaagde er niet in, hem in te slikken en spoog hem weer uit. Daarna klom zij op een hoge rots en riep zo hard zij kon:

  • ‘De vrucht van de wraak is in Uhud geplukt,
    ‘k Heb Hamza’s lever uit zijn buik gerukt!
    Dat heeft mijn schrijnende wond verzacht,
    Genezen de vlammende pijn in mijn hart.
    De krijg, die als ijskoude regen over je stort,
    Slaat toe als een leeuw: krachtig en kort.’

Toen Abū Sufyān wilde vertrekken klom hij op de berg en riep zo hard hij kon: ‘Goed gedaan! De krijgskans wisselt bij iedere slag. Deze dag als wraak voor Badr! Toon uw grootheid, Hoebal!’ De Profeet gaf ‘Umar opdracht hem te gaan antwoorden met de woorden: ‘God is groter dan jullie afgod Hoebal, en ook wij zijn niet gelijk: onze doden zijn in het paradijs, die van jullie in de hel.’
Abū Sufyān vroeg ‘Umar bij hem te komen en de Profeet gaf hem opdracht te gaan kijken wat hij wilde. Toen hij bij hem was vroeg Abū Sufyān: ‘Hebben wij Mohammed gedood?’
– ‘Nee, welnee; hij kan nu horen wat jij zegt!’
– ‘Ik geloof jou meer dan Ibn Qami’a.’
Ibn Qami’a had namelijk beweerd dat hij Mohammed had gedood.
Abū Sufyān riep de moslims nog toe: ‘Sommigen van jullie gevallenen zijn verminkt. Bij God, ik ben daar niet blij mee, en ook niet boos om. Ik heb het niet verboden, maar heb er ook geen bevel toe gegeven.’
Toen Abū Sufyān en de zijnen vertrokken riep hij nog: ‘Volgend jaar weer bij Badr!’ ‘Ja, dat is afgesproken,’ liet de Profeet een van zijn gezellen terugroepen.
De Profeet stuurde ‘Alī achter de Mekkanen aan met de opdracht: ‘Ga eens kijken wat zij doen en wat ze van plan zijn. Als ze op de kamelen rijden en de paarden aan de teugel meevoeren, gaan ze naar Mekka. Maar als zij op de paarden rijden en de kamelen meevoeren, dan willen ze naar Medina. Bij Hem in wiens hand mijn leven is, als ze dat van plan zijn ga ik erop af en bind ik daar de strijd met hen aan.’ ‘Alī heeft gezegd: ‘Ik ging hen achterna om te kijken wat zij in hun schild voerden. Zij bleken hun paarden aan de teugel mee te voeren en hun kamelen te berijden; zij gingen dus richting Mekka.’
Naar verluidt ging de Profeet op zoek naar het lichaam van Hamza. Hij vond het onder in het dal, met de lever eruit gereten en verminkt, zonder neus en oren.
.
Muhammad ibn Dja‘far ibn Zubayr heeft mij verteld: Bij die aanblik zei de Profeet: ‘Als zijn zuster Safīya er geen verdriet van zou hebben en het na mijn dood niet tot gebruik (soenna) zou worden, zou ik hem zo laten liggen, als voedsel voor de wilde dieren en de vogels. Als God mij ooit de overwinning over Quraysh verleent, dan vermink ik dertig van hun mannen!’
Toen de moslims het verdriet van hun Profeet zagen en merkten hoe woedend hij was op degenen die dat met zijn oom gedaan hadden, zeiden ook zij: ‘Bij God, als wij ooit overwinnen zullen wij hen verminken zoals nog nooit een Arabier het heeft gedaan!
.
Burayda ibn Sufyān heeft mij een verhaal gedaan van Muhammad ibn Ka‘b de Qurayziet, en een andere betrouwbare zegsman heeft mij hetzelfde van Ibn ‘Abbās bericht: Naar aanleiding van deze woorden van de Profeet en zijn gezellen heeft God geopenbaard: “Als u straft, straft dan zoals u gestraft bent! Maar als u geduld oefent is dat beter voor degenen die geduld oefenen. Wees dus geduldig. Slechts door God kun je geduldig zijn. Wees niet bedroefd over hen en laat je niet bedrukken door wat zij beramen.” [koran 16:126-127] Toen vergaf de Profeet het hun en oefende geduld, en hij verbood verminkingen.
Nu hadden sommige moslims hun gevallenen naar Medina gebracht en hen daar begraven. Maar dat verbood de Profeet; hij gaf opdracht hen te begraven waar zij gesneuveld waren.
.
Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Abdallāh ibn Tha‘laba, een bondgenoot van de stam Zuhra: Toen de Profeet het slagveld bij Uhud overzag zei hij: ‘Ik getuig dat al deze mensen die voor Gods zaak gewond zijn op de dag der opstanding zullen worden opgewekt met bloedende wonden, met de kleur van bloed en de geur van muskus. Ga na wie van hen het meest van de koran had geleerd en leg die tegenover zijn kameraden in het graf.’ Ze begroeven de gevallenen met twee of drie tegelijk in één graf.
De slag bij Uhud vond plaats op de zaterdag in het midden van de maand sjawwaal in het jaar 3.
Het aantal gesneuvelde moslims was vijfenzestig, zowel Emigranten als Helpers.
Het aantal heidenen dat God heeft gedood in de slag bij Uhud was tweeëntwintig.

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 555–592. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 137–147.

Diakritische tekens: Uḥud, Muḥammad ibn Yaḥyā, ‘Āṣim, Husayn ibn ʿAbd ar-Raḥmān, Ṣafwān, Aḥābīsh, Muṭʿim, Waḥshī, Ṭuʿayma, Ḥamza, Shawṭ, al-Ṣamgha, Muṣʿab, Ṣayfī, Ḍubayʿa, Arṭāt ibn ʿAbd Shuraḥbīl, ʿUtba ibn abī Waqqāṣ, ʿAlī, Ṭalha, Ḥārith ibn al-Ṣimma, Ṣālih ibn Kaysān, Ṣafīya, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud