Datering van hadithen

For the happy few 1

Het gros van de niet-islamitische geleerden gaat ervan uit dat weinig tot geen van de hadithen op Mohammed teruggaan. Maar als dat zo is, van wanneer dateren ze dan?
Als veellezer van hadithen heb ik in grote lijnen het gevoel dat het gros tussen 700 en 750 tot stand kwam, en dat er nog tot ± 900 steeds bijkwamen.
De ahl al-djamā‘a wal-sunna, de mensen die de soenna van de profeet tegenover de verfoeide soenna’s van de Umayyadische kaliefen wilden stellen, werden immers actief in die periode van 700–750, vooral na 717.
En om een concreet voorbeeld te noemen: zouden de teksten over het beeldenverbod niet zijn ontstaan nadat men in Constantinopel in 695 een Christuskop op de munten had gezet en de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik dus voortaan van iedere kop afzag? Of toen het lang smeulende debat over ikonen in de Grieks-Orthodoxe kerk tot eruptie kwam in de jaren na 730, terwijl de kerkvader Johannes Damascenus midden in Damascus, de hoofdstad van de Umayyaden, zijn tractaat over die ikonen schreef?
.
Maar een ‘indruk,’ een ‘gevoel’ is voor wetenschap natuurlijk niet genoeg. Er zou voor iedere hadith een harde datering moeten komen. Dateren op grond van de inhoud van de hadithen lijkt onmogelijk. Daarom heeft men getracht tot dateringen te komen via analyse van de overleveringsketens, de isnāds, en wel via de common link-theorie, of beter gezegd de common link– methode. Deze werd voor het eerst gepresenteerd door Joseph Schacht in 1950, uitgewerkt door Gauthier Juynboll in 1983, daarna overgenomen onder de lelijke naam isnad-cum-matn-analyse door Harald Motzki en zijn school.
.
Om die methode toe te kunnen passen is een hadith nodig die tenminste vijf, maar liever tien of twintig maal voorkomt in de hadithcollecties en eventuele andere bronnen.
Het moet steeds dezelfde tekst zijn, dat wil zeggen: een groot deel van de woordelijke tekst moet overeenstemmen.2 Bij kennelijk doelgerichte tekstwijzigingen, zoals een extra frase of een toegevoegde ontkenning, moeten deze nauwkeurig in het oog gehouden worden. Die bieden namelijk een inzicht in de ontwikkeling van de hadith. Met een beetje geluk komen ze overeen met een ontwikkeling van de isnād, zodat we kunnen weten wie voor welke variant verantwoordelijk is.
Veel hadithen voldoen niet aan de basisvoorwaarden. Maar als we er een gevonden hebben, schrijven we alle isnads neer op een groot vel. (Naarmate de ervaring toeneemt kan het ook vlugger.) De profeet komt telkens onder aan de bladzijde te staan; boven hem komt de gezel van de profeet (ṣāḥib) die de hadith van hem overlevert; daarboven de volgende generatie (tābi‘) enzovoort. Bovenaan staan meestal de auteurs van de hadithcollecties: Muslim, Bukhārī, Aḥmad ibn Ḥanbal enzovoort. Zo worden er twee of drie eeuwen (vermeende) mondelinge overlevering gedocumenteerd.
Nu hebben we naast elkaar vijf of tien of nog meer kolommetjes met namen staan. De profeet, helemaal onderaan, hebben ze allemaal gemeen.
De volgende opgave is vast te stellen wie al die overleveraars waren. Ze zijn na te slaan in een biografisch lexicon, bij voorbeeld Tahdhīb al-tahdhīb van Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) en we kunnen hun een identiteit geven, bij voorbeeld door er het ‘persoonsnummer’ uit Ibn Ḥadjars lexicon bij te schrijven. Vaak is die identificatie even puzzelen: omdat de isnāds vaak slechts delen van de naam vermelden. Zo blijkt Ibn Shihāb in de ene isnād dan bij voorbeeld identiek te zijn met al-Zuhrī in een andere, Abū Fulān met Ḥasan ibn Muḥammad e.d.

  • Bij het naslaan van die personen kunnen we meteen even registreren waar ze vandaan komen. De oudste overleveraars, de profeet en de gezel, stammen natuurlijk uit Arabië, maar wanneer de gezel bij voorbeeld naar Basra is getrokken en de latere overleveraars daar ook allemaal thuishoren, dan is het duidelijk dat de hadith in Basra in omloop is gebracht.

Bij vergelijking van de verticale lijstjes met overleveraars blijken deze misschien behalve de profeet nauwelijks gemeenschappelijke personen te bevatten. Dat is pech: zo’n hadith is dan niet bruikbaar voor de common link-methode. Bij Aḥmad ibn Ḥanbal (780–855) komt dat nogal eens voor; Aḥmad grossierde namelijk in fantasie-isnāds. Maar als we geluk hebben zien alle lijstjes er aan de onderkant hetzelfde uit, bij voorbeeld zo:

Hishām ibn ‘Urwa (± 667–± 772)
|
‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712)
|
‘Ā’isha († 678)
|
De Profeet

En als dan de namen boven Hishām verschillend zijn, en de isnāds dus ‘uitwaaieren’, dan is Hishām de zg. common link, de oudste overleveraar die alle versies nog gemeenschappelijk hebben. Die common link zal degene zijn die de betreffende hadith in omloop heeft gebracht resp. gecreëerd en eventueel de oudste schakels van de isnād erbij hebben bedacht. (Joseph Schacht: ‘Isnāds tend to grow backward.’)
Al die isnads die we naast elkaar hadden gezet kunnen we ook in een ‘boompje’ onderbrengen, waarbij de takken soms behoorlijk door elkaar lopen:

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Nu kunnen zich verschillende omstandigheden voordoen waardoor het toch niet zo mooi klopt met die common link. Dat wordt te ingewikkeld voor deze bladzijde; zie daarvoor de uitleggingen van → Juynboll en →Motzki. Liever wijs ik hier nog even op het bestaan van de partial common link. Dat is, als we bij het boompje blijven, de overleveraar die ergens halverwege of bovenin de boom zit (zoals Mālik en Ḥammād ibn Zayd op de afbeelding hierboven) en van wie zelf ook weer overleveraars uitwaaieren. Het kan zijn dat al degenen die van zo iemand hebben overgeleverd in hun tekstversie een bepaalde variant of toevoeging gemeen hebben; die heeft de partial common link dan in de wereld gezet.
.
Juynboll en Motzki hebben elkaar flink in de haren gezeten over dateringen (→Juynboll 1993, Motzki 1996). In grote lijnen dateert Motzki meestal een of twee generaties vroeger dan Juynboll. Dat zulks überhaupt mogelijk is vergroot natuurlijk niet het vertrouwen in de methode.
.
Het geleerde wereldje (50 personen wereldwijd misschien?) reageerde laat en behoudend op de common link-theorie. Het boek van Schacht werd pas dertig jaar na verschijnen behoorlijk gerecipieerd. Daarvoor, en ten dele nog daarna, schudden de geleerden hun hoofd en vonden het onzin. In de jaren tachtig werd er druk over de datering van hadithen gediscussieerd. Het was een zaak van vooruitstrevende jonge geleerden. Later werd de methode echter ook door degenen toegepast die er aanvankelijk tegen waren geweest, en nu is het de gewoonste zaak van de wereld om ermee te werken. Of liever gezegd: van het wereldje, dat door ouderdom, overlijden en het algemene verval der geleerdheid nog aanzienlijk kleiner is geworden dan vroeger.
.
Hoe dan ook, de methode is alleen toepasbaar op een beperkt aantal hadithen. Er moeten immers verschillende overleveringsketens met elkaar vergeleken worden, en als er niet genoeg verschillende zijn lukt het niet. Ik heb zelf ooit over de tandenborstel van de profeet gewerkt, een complex van ongeveer 80 hadithen. Daarvan bleken er maar vier geschikt te zijn om er de common link methode op los te laten. Dat heb ik gedaan—helaas met een fout erin—en toen was ik nog niet veel wijzer. Meer baat had ik bij vergelijking van de hadithcollectie van ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (744–827) met die van de ‘canonieke’ collecties, die een halve eeuw jonger zijn. Zo kreeg ik een aardig beeld van wat de mensen aanvankelijk had beziggehouden en wat later; ook werd zichtbaar hoe een issue die al is uitgewoed nog heel lang doorzeurt omdat die teksten nu eenmaal bestaan. Datering van de hadithen onderling leek mogelijk. Die blijft echter altijd hachelijk, want weer zo’n zaak van dat onwetenschappelijke ‘gevoel’. Ik stel mij echter voor dat er meer duidelijkheid zou ontstaan, wanneer men tien of twintig van zulke hadithcomplexen zou behandelen en het mogelijk wordt, de boel in stereo te zien. Dit zal echter niet gebeuren: personeelsgebrek, veranderde tijden, boekoe haraam: hadith is weer helemaal uit de belangstelling.

NOTEN
1. Wie de begrippen hadith en isnad niet kent zij verwezen naar het startartikeltje en de daar aangegeven verdere lectuur.
2. Honderd procent is niet nodig. Oude teksten werden immers met de hand afgeschreven en daarbij ontstaan altijd varianten.

BIBLIOGRAFIE
– Joseph Schacht, The origins of Muhammadan Jursiprudence, Oxford 1950.
– G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Studies in chronology, provenance and authorship of early ḥadīth, Cambridge 1983.
– G.H.A. Juynboll, ‘Some Isnād-Analytical Methods Illustrated on the Basis of Several Women-Demeaning Sayings from Ḥadīth Literature,’ Al-Qanṭara 10 (1989), 345–84. [Juynboll heeft talloze publicaties over de common link-methode; dit is een van de duidelijkste.]
– G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the Mawlā of Ibn ʿUmar, and his Position in Muslim Ḥadīth Literature,’ Der Islam 70 (1993), 207–244.
– G.H.A. Juynboll, Encyclopedia of Canonical Ḥadīth, Leiden/Boston 2007.
– Harald Motzki, “Quo vadis Ḥadīṯ-Forschung? Eine kritische Untersuchung von G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the mawlā of Ibn ʿUmar, and his position in Muslim ḥadīth literature’,” Der Islam 73 (1996), 40–80, 193–231. Engelse vertaling in Motzki, Analysing, 47–124.
– Harald Motzki, ‘Dating Muslim Traditions: a Survey,’ Arabica 52 (2005), 204–253.
– Harald Motzki et al., Analysing Muslim Traditions. Studies in Legal, Exegetical and Maghāzī Ḥadīth, Leiden 2013.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud