Vrouwenpower: vechtende vrouwen in oude Arabische vertellingen

uitHamzaverhaalDat vrouwen slimmer zijn dan mannen kan iedereen weten die wel eens langs de winkel van die koopman uit Baghdad uit Duizend-en-één nacht is gelopen,1 die met gouden letters boven zijn winkel had geschreven: „Er is geen list dan die van vrouwen;  hun list is het grootst.“ Eerst stond er juist het omgekeerde: ‘Er is geen list dan die van mannen; die gaat de list van vrouwen te boven.’ Maar een meisje van plezier dat het las, werd woedend toen ze het zag en wilde de man een lesje leren. Ze verleidde hem en beweerde dat ze de dochter van de rechter was. Onmiddellijk ging de koopman bij de rechter om de hand van zijn dochter vragen. De bruiloft werd snel geregeld, maar toen de bruid haar sluier afdeed zag hij een heel andere, lelijke en mismaakte vrouw voor zich. De volgende dag kwam die mooie vrouw weer langs en dwong hem, het opschrift boven zijn winkel te veranderen. En daar bleef het niet bij: de vrouw kreeg zelfs de rechter, die wel opgelucht geweest moet zijn dat hij zijn lelijke dochter kwijt geraakt was, zover dat hij het huwelijk ontbond en trouwde de koopman zelf. Zo kwam zij onder de pannen.

Over een jonge vrouw die ontwikkelder is dan mannen en zich niet ontziet mannelijke geleerden op hun eigen vakgebied te verslaan, kunt U eveneens in Duizend-en-één nacht lezen: in het verhaal over de in alle opzichten knappe slavin Tawaddoed.2 In aanwezigheid van kalief Haroen al-Rasjied weet dit veertienjarige meisje de moeilijkste vragen van geleerden over islamitische wetenschappen maar ook medicijnen, astronomie en filosofie te beantwoorden, en ook in poëzie, triktrak en schaken is zij kampioen. Na iedere test mag zij zelf iedere geleerde een vraag stellen, en ze stelt als eis dat deze zijn gewaad, soms ook zijn tulband moet uittrekken als hij het antwoord niet weet. Eén vraagt er zelfs of hij tenminste zijn onderbroek mag aanhouden.
Ondanks deze grappige strippoker is deze vertelling niet makkelijk te lezen, maar zij biedt ook een interessant encyclopedietje van de algemene ontwikkeling van die tijd.

  • Tawaddoed heeft zelfs heel bijzondere anatomische kennis. Zij weet namelijk dat de onderkaak van de mens uit één stuk bestaat en niet uit twee, zoals de Griekse arts Galenus (±129–200) en alle geneeskundigen van het Nabije Oosten altijd hadden beweerd. Misschien had ze zelf een skelet gezien, of ze had het Kitāb al-ifāda wal-i‘tibār van ‘Abd al-Latīf al-Baghdādī gelezen, die als enige Arabische geleerde hetzelfde beweerde. Deze zou namelijk omstreeks 1200 tijdens een hongersnood in Egypte veel skeletten onder ogen hebben gekregen. Na hem zou het nog eeuwen duren tot Vesalius3 de juiste kennis over de onderkaak in Europa verbreidde.

DhatAlHimmaEnglBookcoverMinder bekend is misschien dat Arabische vrouwen bij het vechten, dat als specialisme van mannen geldt, even goed hun mannetje stonden als dezen, zo niet nog beter. Daarover wordt maar weinig in Duizend-en-één nacht verteld, maar des te meer in  andere eeuwenoude verhaalcycli, zoals Dhāt al-Himma en Sīrat ‘Antara, die in druk vele honderden of zelfs duizenden bladzijden beslaan. De verhalen werden mondeling door vertellers in café’s doorgegeven, maar ook als schriftjes door boekhandelaren verhuurd. Hoe fictief ze ook zijn, voor de toehoorders vormden zij islamitische geschiedenis, en die hoorden zij liever dan de vertellingen uit Duizend-en-één nacht, die immers alleen maar onderhoudend zijn.
Tegenwoordig zijn deze verhalen nogal in vergetelheid geraakt: de verteltraditie is op sterven na dood en daar komt nog bij dat ze ‘volksepossen’ (sīra sha‘bīya) zijn, terwijl literatuurwetenschappers in oost en west meestal alleen in de ‘hoge’ literatuur geïnteresseerd zijn. Dat zou nu kunnen veranderen, want Remke → Kruk heeft deze dikke pillen aan de vergetelheid ontrukt en er meteen een spannende studie over geschreven: The Warrior Women of Islam.

Eén werk waarin een strijdster de hoofdrol speelt moge als voorbeeld dienen: Dhāt al-Himma,4 een verhaalcyclus van meer dan zesduizend dichtbedrukte bladzijden. De handeling hier samen te vatten is onmogelijk: → Lyons had alleen al daarvoor honderdzestig bladzijden nodig! Hoofdmotieven zijn enerzijds de rivaliteit tussen twee Arabische stammen, anderzijds de permanente staat van oorlog tussen moslims en het Oostromeinse Rijk.
Dhāt al-Himma heeft de meeste eigenschappen van een klassieke mannelijke held en nog een paar andere: vroomheid, trouw aan de kalief, zorgzaamheid voor haar kind. Klassiek is dat zij als baby voor haar eigen veiligheid bij een voedster wordt verstopt. Ze leert al heel vroeg haar eigen wapens te maken en te paard te vechten. Samen met haar voedster wordt zij door een andere stam tot slaaf gemaakt, waarna zij lang een ondergeschikt leven leidt. Haar talent voor vechten valt echter al spoedig op. Als na een tweegevecht met haar vader haar identiteit duidelijk wordt en zij als prinses wordt erkend wil haar vader haar uithuwelijken. Maar zij wil geen man, en al helemaal niet haar neef, die haar vader voor haar had uitgezocht. Als de kalief het paar persoonlijk in de echt verbindt, schikt zij zich, maar stelt de voltrekking van het huwelijk steeds uit. Haar man laat haar dan verdoven, verkracht haar en maakt haar zwanger — terwijl zij ongesteld is, wat tot gevolg heeft dat haar zoon zwart wordt. Na verloop van tijd doodt zij zowel haar man als haar vader: op mannen is immers geen staat te maken, behalve op haar zoon, die zij vroom opvoedt en eigenhandig tot krijger opleidt. Later in de vertelcyclus vormt zij met hem een geducht krijgerpaar.
Deze prinses wint niet alleen ieder tweegevecht, zij is ook een fantastische legerleidster en stratege. Ontelbare veldslagen levert zij met Romeinse en andere vorsten of prinsessen; meestal met succes, maar niet zonder af en toe zelf in moeilijkheden te raken of zelfs gevangen genomen te worden — anders waren de verhalen saai geworden.
Eenmaal wordt zij door een tegenstander uit het zadel geworpen en na een worstelstrijd door hem over de schouders getild. Maar zij geeft niet op:

  • … en ziedaar, prinses Dhāt al-Himma had Hadlāmūs’ hoofd in een houdgreep gekregen en perste het uit met alle kracht, tot het bloed uit zijn oren spoot. Daarop gaf ze er zo’n geweldige klap op dat de tanden uit zijn mond vlogen en hij bewusteloos neerging. Ze stortte zich op hem; hij had geen flauw vermoeden waar hij was. Ze legde haar handen onder zijn oksels en tilde hem over haar schouders. Zo werd hij teruggedragen, waar hij toch eerst haar gedragen had.5

Dhāt al-Himma was maar één voorbeeld; in de verhalen treden honderden strijdsters op; overigens ook bij de Oostromeinse tegenstanders. Soms vechten zij met typisch vrouwelijke middelen. Een strijdster toont bij voorbeeld in de hitte van het gevecht ineens haar borsten of nog meer, waarop haar mannelijke tegenstander zo in verwarring raakt dat zij hem makkelijk kan verslaan. Maar meestal vechten de vrouwen net zo keihard als mannen, en zijn ook als mannen gekleed.
In mannen zijn ze vaak niet erg geïnteresseerd, of alleen als verwekkers van hun kinderen. De vrouwen vechten ook met elkaar en respecteren en bewonderen elkaar wederzijds. Om huismoedertjes en vrouwen die graag mannen behagen geven ze niet. Dhāt al Himmah sleept de mooiste en dapperste vrouwen van het slagveld mee naar huis, als echtgenotes voor de mannen in haar entourage, met wie zij dan gelukkige paren kunnen vormen.

Bestonden die Arabische strijdsters alleen in verhalen of ook in werkelijkheid? In Europa kwamen er in vroeger eeuwen wel wat vrouwelijke soldaten en matrozen voor, die hun vrouwelijkheid verborgen (uitzondering: Jeanne d’Arc). In Japan waren er veel vrouwelijke samoerai’s, die zich niet hoefden te verstoppen, maar zelfs beroemd waren: de Onna-Bugeisha. Daar waren de wapens lichter en de vechttechnieken minder specifiek mannelijk, zodat ze ook met minder spierkracht konden worden beoefend. Arabische strijdsters zijn goed voorstelbaar, maar of ze echt bestonden is domweg niet bekend. Men zou misschien eens de botten op beroemde slagvelden kunnen opgraven en analyseren (marketentsters en hoeren natuurlijk eerst uitsluiten).

Blijft over de vraag waarom vechtende vrouwen zo’n geliefd onderwerp waren bij het mannelijke publiek dat naar deze vertellingen luisterde. Een antwoord op deze vraag is eerder van psychologen of antropologen dan van arabisten te verwachten.

In stripverhalen, die vaak moderne heldenverhalen zijn, is de Arabische of moslimse strijdster opnieuw populair geworden: als Superwoman. Het is de vraag of de auteurs daarvan ook maar enig vermoeden hebben van de traditie die zij nieuw leven inblazen.

NOTEN
1. In ‘Die Geschichte von der Weiberlist,’ Enno Littmann, Erzählungen, iii, 502–8. Dit verhaal komt niet voor in de vertaling van Richard van Leeuwen, omdat het ook niet voorkomt in de gangbare Arabische uitgave van Būlāq, 1835. Het schijnt te vinden te zijn in Alf layla wa-laya, Calcutta 1814, ii, 367–78; maar dat heb ik niet gezien. Ik heb dus alleen de Duitse vertaling gelezen. Meer info in Marzolph/Van Leeuwen, 454 und „Concordance of Quoted Texts“ Nr. 340.
In haar korte verhaal ‘De list der mannen’ (‘Kayd ar-ridjāl,’ in Maqām Aṭīya) zinspeelt de Egyptische schrijfster Salwā Bakr op het oorspronkelijke opschrift boven de winkel. In dat verhaal mislukt de list van drie vrouwen die zich met vergif van hun gezamenlijke echtgenoot proberen te ontdoen. De man wordt door zijn vriend de apotheker gewaarschuwd, neemt het gif niet en doet alleen maar alsof hij sterft, brengt zijn vrouwen aan het schrikken door ineens wakker te worden en verstoot hen, zodat ze op straat komen te staan.
2. Alf layla wa-layla, Būlāq, 1835, i, 614–36; Duizend-en-één nacht (van Leeuwen), vii, 202–56. Tawaddoed ziet er in Arabische schrift bijna zo uit als Teodor; zo is de naam in het Spaanse verhaal over donzella Teodor terecht gekomen. Later verwerkte Lope de Vega (1562–1635) de stof in een toneelstuk.
3. Vesalius, De humani corporis fabrica, Basel 1543, blz. 5vv.
4. Kruk, Warriors, 37–91.
5. Kruk, Warriors, 55; mijn vertaling.

BIBLIOGRAFIE
– Duizend-en-één-nacht:
. Alf layla wa-layla, 2 Bde., Būlāq 1835.
. De vertellingen van duizend-en-één nacht, vert. Richard van Leeuwen, 14 dln. Amsterdam (Bulaaq) 1993–9.
. Enno Littmann, Die Erzählungen aus den Tausendundein Nächten, 12 Teilbände, Wiesbaden (Insel Verlag) 1981.

– Salwā Bakr, Maqām Aṭīya. Riwāya wa-qiṣaṣ qaṣīra, Cairo 1986.
– Peter Heath, ‘Sīra Sha‘biyya,’ in EI2.
– Remke Kruk, The Warrior Women of Islam, Female Empowerment in Arabic Popular Literature, London (I.B. Tauris) 2014.
– Remke Kruk, ‘Wel erg veel blote dij. Krijgsprinsessen in de Arabische volksepiek,’ in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 29 (2009), 61-77.
– Lope de Vega, La doncella Teodor. Estudio y edición crítica de Julián González-Barrera, Kassel (Ed. Reichenberger) 2008.
– Malcolm C. Lyons, The Arabian Epic. Heroic and Oral Story Telling, 3 dln., Cambridge 1995.
– Ulrich Marzolph und Richard van Leeuwen (Hrsg.), The Arabian Nights Encyclopedia, Santa Barbara/Denver/Oxford 2004.

Diacritische tekens: Tawaddud, Hārūn al-Rashīd, ʿAbd al-Laṭīf al-Baghdādī, Sīrat ʿAnṭara

Terug naar Inhoud

One thought on “Vrouwenpower: vechtende vrouwen in oude Arabische vertellingen

  1. Pingback: Supermuslima’s | Leeswerk Arabisch en Islam

Reacties zijn gesloten.