Christien Dohmen over de vroegere waardering van ‘de islam’ (bespr.)

Christien Dohmen, In de schaduw van Scheherazade. Oosterse vertellingen in achttiende-eeuws Nederland, Nijmegen, Vantilt, 2000. 319 blz.

————————–

Bij de bestrijding van vooroordelen tegen buitenlanders wordt altijd weer opgemerkt dat er eeuwenoude stereotypen bestaan, met name over de islam. Een recente, spraakmakend geworden studie waarin deze ter sprake komen is Orientalism van Edward Said (1978). Sindsdien kent haast iedereen het bekende rijtje: in het oosten vind je despotisme, pracht en praal, wreedheid en wellust. De laatste tijd is het beeld echter veranderd. Het oosten is gewoner, westerser geworden, de Islam heeft hier en daar Victoriaanse trekken gekregen, en vooral wij zelf zijn veranderd. Welke Nederlander kan het nog wat schelen dat Mohammed negen of meer vrouwen had? Gaf dat honderd jaar geleden nog aanleiding tot verontwaardiging en minachting, intussen kan geen ‘oosters’ land in libertinisme meer met Nederland wedijveren. Tegenwoordig wordt moslims eerder hun vermeende overdreven godsdienstigheid verweten. In plaats van te wellustig zouden ze nu juist te preuts zijn. Het heersende populaire beeld van het islamitische Oosten is dus niet constant.

Dat wordt ook geïllustreerd door In de schaduw van Scheherazade. Christien Dohmen heeft achttiende-eeuwse, oriëntaals geïnspireerde Nederlandse verhalen bijeen gezocht en bestudeerd. In Engeland of Frankrijk was zoiets allang gedaan, maar in Nederland nog nauwelijks. Merkwaardig, omdat ons land bij de ontdekking van de wereld zijn partij flink heeft meegeblazen, wat ook in de literatuur zijn neerslag heeft gevonden. Dohmen ontdekte zelfs zo veel materiaal dat zij zich heeft moeten beperken tot zo’n driehonderd fictionele prozateksten. Poëzie, toneel, kranten en pamfletten zijn dus buiten beschouwing gebleven. Het betreft hier teksten die uit een Oosterse taal vertaald zijn, vrijwel altijd indirect via het Frans of Engels, waarvan Duizend en één Nacht en Hayy ibn Yaqzan — de ‘Arabische Robinson Crusoë’ – de bekendste voorbeelden zijn, maar ook teksten die op Nederlandse of althans Europese bodem geheel vrij in oosterse trant zijn bedacht. Juist omdat er op dit gebied zo weinig studies zijn is het zeer waardevol dat de inhoud van alle bestudeerde teksten in samenvatting is weergegeven. Indexen vergemakkelijken de toegang, en nauwkeurige bibliografische gegevens ontbreken uiteraard niet. Zelfs geeft de auteur dikwijls de bibliotheek aan waar zij het misschien enige nog bestaande exemplaar van een werk heeft opgedolven.

Had zij zich hiertoe beperkt, dan had zij een degelijk bibliografisch instrument voor neerlandici afgeleverd. Maar zij heeft haar teksten in een breder kader gezet en daardoor een boek geschapen dat ook voor een algemeen publiek interessant is.

In het eerste gedeelte worden de contacten van Nederland met het ‘Oosten’ behandeld: de betrekkingen met het Ottomaanse Rijk en onze verrichtingen in de Oost, maar ook de aanwezigheid van de talrijke oriëntaalse producten in de huizen, en niet allen die van de rijken: specerijen, thee en koffie, vaatwerk, meubels, tapijten, stoffen en kleding. Rembrandt hulde zich soms al in Turkse kleding, maar in de achttiende eeuw kreeg Turkije werkelijk invloed op de Europese haute couture. Het oosten had in die eeuw nog heel veel te bieden. Ook reisverhalen werden in vrij brede kring gelezen, en zelfs enkele producten van wetenschappelijke oriëntalistiek, waaronder het werk van Reland over de islam het belangrijkste was.

Het interessantst is het laatste deel, waarin het beeld van de Oriënt wordt geschetst dat uit de verhalen opdoemt. De middeleeuwse vooroordelen over de islam blijken als onderstroom nog volop voort te bestaan. Al sinds de Middeleeuwen werd er geschimpt op de verderfelijke koran en de leugenprofeet Mohammed, en omstreeks 1700 was daaraan nog weinig veranderd. Maar in de loop van de achttiende eeuw wordt de toon milder. Het nuchtere werk van Reland zal daartoe hebben bijgedragen, en een ontspannener houding werd mogelijk nadat het Ottomaanse Rijk over zijn hoogtepunt heen was en niet meer een directe militaire bedreiging voor Europa vormde. In de tweede helft van de eeuw is er zelfs een bescheiden enthousiasme over de islam. Verrassend is dat er toen honderden oosterse vertellingen met duidelijk islamitische kenmerken verschenen, soms zelfs uitdrukkelijk bedoeld voor de jeugd, met de bedoeling een zedelijk voorbeeld te geven. Het gaat dan om onderwerpen als godsvertrouwen, menslievendheid, de deugd beloond, het nut van het gebed en het kuise huwelijksgeluk. Inderdaad contrasteren op deze punten de ‘oosterse’ verhalen sterk met de toen in Europa geproduceerde, wufte romans. Bovendien kon de islam kon een imaginaire bondgenoot zijn tegen de goddeloze Verlichting, zoals hij dat een eeuw tevoren tegen de katholieken was geweest (‘Liever Turks dan paaps’). Daar kwam nog bij dat de frisse, beeldende taal van het Arabisch of wat daarop moest lijken onze toenmalige landgenoten erg aansprak. Schrijvers in Europese talen zaten immers dikwijls gevangen in een keurslijf van stilistische conventies.

Tenslotte toetst Dohmen haar teksten ook aan Edward Saids opvattingen over oriëntalisme, in de zin van receptie en weergave van het oosten in een westerse, koloniale context. Said had het vooral over de negentiende eeuw, en liet Nederland buiten beschouwing. Dohmen herkent veel van Saids resultaten: ook in haar teksten is ‘het andere gebied’ gereduceerd tot één algemeen ‘oosten’, waar de islam de heersende religie is. Bovendien treft zij eveneens de door hem gereleveerde, hierboven al genoemde stereotypen aan. Zij wijst er echter ook op dat voor haar schrijvers het oosten een eerlijke bron van inspiratie en emotie was, en dat het Westen zich vaak genoeg een dankbare leerling heeft betoond. Saids idee dat het westen zich altijd als moreel superieur beschouwde komt uit haar tekstcorpus niet naar voren, integendeel. Dat voor ‘oriëntalistische’ auteurs het (islamitische) oosten als zedekundig model diende, dat zij dikwijls geloofden in principiële gelijkwaardigheid van de culturen en in universele waarden en normen, dat is Said verborgen gebleven. Enerzijds ligt dat aan de eenzijdigheid van zijn visie, anderzijds aan het feit dat Europa in de negentiende eeuw de oriënt inderdaad met meer geringschatting ging bezien.

In dit boek is dus een heel segment van de Nederlandse literatuur uit de archieven gehaald en op even kundige als appetijtelijke wijze gepresenteerd voor een algemeen publiek. Vreemd genoeg lezen in Nederland maar weinig mensen ooit iets van vóór 1800. Misschien kan Dohmens boek ertoe bijdragen dat leesgedrag te wijzigen, hoewel het vooralsnog heel wat moeite zal kosten, de oorspronkelijke teksten zelfs maar in handen te krijgen.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 23 februari 2001.

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s